← België

Cassatiebeschikking 14834 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 07/04/2022

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 07 april 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ORD.14.834 Rolnummer: A. 235584/XIV-38951 Zaak: Cassatiebeschikking 14834 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 07/04/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-04-11 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-06-10 06:39 Fiche Beschikking nr 14.834 van 7 april 2022 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr.14.834 van 7 april 2022 in de zaak A. 235.584/XIV-38.951 In zake :

  1. XXXXX
  2. XXXXX
  3. XXXXX
  4. XXXXX
  5. XXXXX
  6. XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Gérald Gaspart kantoor houdend te 1060 Brussel Berckmansstraat 89 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de staatssecretaris voor Asiel en Migratie ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 31 januari 2022, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 266.089 van 23 december 2021 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 16 februari 2022 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  7. XIV-38.951-1/6 Eerste onderdeel van het enige middel
  8. In een eerste middelonderdeel wijzen de verzoekers erop dat de “MedCOI documenten met referenties BMA 13828, AVA 14674 en AVA 14791” niet aanwezig waren in het dossier op het ogenblik dat de voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aangevochten beslissing van de verwerende partij van 25 juni 2021 (hierna: de aanvankelijk bestreden beslissing) werd genomen, dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dit ook heeft vastgesteld en dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen tot de schending van de materiëlemotiveringsplicht had moeten besluiten “gezien het dossier de vermelde motieven niet onderbouwt op het ogenblik van de [aanvankelijk bestreden] beslissing. De materiëlemotiveringsplicht houdt in dat iedere administratieve rechtshandeling moet steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte ter verantwoording van die handeling in aanmerking kunnen worden genomen. Bij de beoordeling van de naleving van de materiëlemotiveringsplicht is de Raad van State niet bevoegd om zijn oordeel omtrent de feiten in de plaats te stellen van het oordeel van de administratieve overheid. Hij is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de administratieve overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen. Voorts mag enkel met de formeel uitgedrukte motieven rekening worden gehouden. Te dezen merkt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op “dat uit het medisch advies zeer duidelijk blijkt dat de betreffende stukken van de MedCOI- databank en de inhoud ervan concreet voorlagen bij de arts-adviseur toen zij haar advies opstelde, nu deze hieruit concrete informatie en zelfs hele stukken heeft overgenomen. Het enkele gegeven dat deze stukken pas achteraf fysiek aan het dossier blijken te zijn toegevoegd, betekent dus op zich niet dat deze bij het opstellen van het advies of het nemen van de bestreden beslissingen niet voorlagen” en dat, “nu de arts-adviseur de informatie uit deze MedCOI-documenten die zij nuttig en relevant achtte voor het opstellen van haar advies heeft overgenomen in dit advies, […] de verzoekende partijen zich hiertegen ook [hebben] kunnen verdedigen in hun verzoekschrift”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geeft daarmee aan dat en waarom de bestreden beslissing in die mate is gesteund op gronden die haar in feite en in rechte kunnen dragen. Anders dan de verzoekers voorhouden heeft de XIV-38.951-2/6 Raad voor Vreemdelingenbetwistingen daarmee niet het administratief dossier kunstmatig hersteld noch stukken in overweging genomen die pas na de aanvankelijk bestreden beslissing werden bijgevoegd, doch integendeel vastgesteld dat deze stukken wel degelijk voorlagen en de inhoud ervan zelfs werd overgenomen in het advies van de ambtenaar- geneesheer. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft dan ook niet zijn in artikel 39/2, § 2, van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet) vervatte annulatiebevoegdheid overschreden in de door de verzoekers voorgehouden zin.
  9. Anders dan de verzoekers voorhouden, geeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest niet toe dat het dossier niet volledig was bij het nemen van de aanvankelijk bestreden beslissing. Hij stelt integendeel vast “dat de betreffende stukken van de MedCOI-databank en de inhoud ervan concreet voorlagen bij de arts-adviseur toen zij haar advies opstelde, nu deze hieruit concrete informatie en zelfs hele stukken heeft overgenomen”. In de mate dat de verzoekers de motivering van het bestreden arrest wat dat betreft tegenstrijdig achten doordat niet tot een schending van de materiëlemotiveringsplicht wordt besloten, gaat hun kritiek uit van een verkeerde lezing van het bestreden arrest. Tweede onderdeel van het enige middel
  10. In een tweede middelonderdeel achten de verzoekers het recht van verdediging geschonden omdat zij wel toegang kregen tot het administratief dossier maar dit onvolledig bleek te zijn vermits “de doorslaggevende medische stukken […] in het dossier niet aanwezig [waren] waardoor de verzoekende partij geen toegang kreeg tot deze stukken en die niet nuttig kon tegenspreken. Daardoor zouden de verzoekers “niet in de gelegenheid [zijn] gesteld om op nuttige wijze, zijnde voor het indienen van het beroep gezien hetgeen voorgeschreven is door artikel 39/60 van de we[t] van 15.12.1980, standpunt in te nemen over alle aangelegenheden die van wezenlijk belang zijn voor de oplossing van het geding, zijnde de volledige informatie over de beschikbaarheid en toegankelijkheid van de nodige medische zorgen”. Daargelaten de vaststelling in het bestreden arrest dat de ambtenaar- geneesheer de nuttig en relevant geachte informatie uit de MedCOI-documenten heeft overgenomen in haar advies (waarvan de verzoekers wel kennis konden nemen) en er zich XIV-38.951-3/6 dus ook tegen hebben kunnen verdedigen in het verzoekschrift tot nietigverklaring, wijst de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen er nog op dat de verzoekers “voor de rechter wel degelijk grieven [kunnen] aanbrengen die betrekking hebben op elementen waarvan zij pas kennis konden nemen door inzage van hun administratief dossier en die hen niet eerder waren gekend” en dat “het voordeel van de rechten van verdediging niet is onderworpen aan de vereiste dat de verzoeker toegang tot het administratief dossier vraagt voor het indienen van zijn beroep”. Hij vervolgt dat de verzoekers ter terechtzitting hebben bevestigd intussen kennis te hebben kunnen nemen van alle bedoelde stukken en dat zij ter terechtzitting bijkomende argumenten naar voor hebben kunnen brengen betreffende de drie kwestieuze MedCOI-documenten, dat die bijkomende argumenten ook worden onderzocht en dat aldus geen schending van het recht op tegenspraak en het recht van verdediging blijkt. De verzoekers geven niet aan welke argumenten zij in de voormelde omstandigheden niet op nuttige wijze voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen hebben kunnen laten gelden na het indienen van hun verzoekschrift tot nietigverklaring. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft net wel rekening gehouden met de kritiek die de verzoekers pas konden opwerpen na het indienen van het verzoekschrift. De verwijzing door de verzoekers naar artikel 39/60 van de vreemdelingenwet is derhalve niet dienstig. Er blijkt geen schending van het recht op tegenspraak, dat deel uitmaakt van het recht van verdediging.
  11. De verzoekers halen artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend te Rome op 4 juni 1950, (hierna: het EVRM) aan. Zij geven in het geheel niet aan op welke wijze die verdragsbepaling zou zijn geschonden met het bestreden arrest doch zij verwijzen enkel naar de plicht voor de bevoegde asielinstanties om alle door een asielzoeker aangebrachte informatie te onderzoeken alvorens een beslissing te nemen over een asielaanvraag. Die kritiek houdt geen verband met de huidige zaak, die betrekking heeft op een aanvraag om machtiging tot verblijf met toepassing van artikel 9ter van de vreemdelingenwet. Het middelonderdeel is in die mate kennelijk niet-ontvankelijk.
  12. De verzoekers achten artikel 13 van het EVRM geschonden omdat zij geen toegang zouden hebben gekregen tot doorslaggevende stukken om deze te kunnen tegenspreken. Daargelaten de niet onwettig bevonden beoordeling wat dit laatste betreft in het bestreden arrest, dient te worden opgemerkt dat een schending van artikel 13 van het XIV-38.951-4/6 EVRM betreffende het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel niet op zichzelf kan worden ingeroepen, maar steeds samen met de schending van andere door het verdrag beschermde rechten en vrijheden moet worden opgeworpen. Te dezen koppelen de verzoekers de schending van artikel 13 van het EVRM enkel aan de schending van artikel 3 van het EVRM. Het middelonderdeel is wat deze laatste verdragsbepaling betreft echter niet- ontvankelijk bevonden. Vermits de schending van een ander door het EVRM beschermd recht of vrijheid dus niet aan de orde is, is de kritiek van de verzoekers kennelijk niet- ontvankelijk wat de voorgehouden schending van artikel 13 van het EVRM betreft. Derde onderdeel van het enige middel
  13. De vaststelling door de verzoekers dat “een functionaris” met een nota van 21 juni 2021 de passage over de toegankelijkheid van de medische zorg in Servië naar de ambtenaar-geneesheer heeft gestuurd, houdt geenszins in dat het onderzoek naar de toegankelijkheid van de medische zorg niet door de ambtenaar-geneesheer zou zijn gebeurd. De kritiek van de verzoekers doet immers geen afbreuk aan de vaststelling in het bestreden arrest dat de ambtenaar-geneesheer de door een attaché verstrekte inlichting heeft overgenomen en aldus tot de hare heeft gemaakt. De verzoekers maken in die zin geen schending aannemelijk van artikel 9ter van de vreemdelingenwet. Conclusie
  14. Het enige middel is in al zijn onderdelen, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
  15. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  16. De verzoekers worden verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 1.200 euro, ieder voor een zesde. XIV-38.951-5/6 Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op zeven april tweeduizend tweeëntwintig, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Carlo Adams XIV-38.951-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ORD.14.834 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.