id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 07 april 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ORD.14.835 Rolnummer: A. 235612/XIV-38957 Zaak: Cassatiebeschikking 14835 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 07/04/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-04-11 Raadplegingen: 71 - laatst gezien 2026-06-15 07:55 Fiche Beschikking nr 14.835 van 7 april 2022 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 14.835 van 7 april 2022 in de zaak A. 235.612/XIV-38.957 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Dominique Andrien en France Laurent kantoor houdend te 4000 Luik Mont Saint Martin 22 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 4 februari 2022, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 266.248 van 4 januari 2022 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 16 februari 2022 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- Verzoekster acht het recht van verdediging en “het beginsel van hoor en wederhoor” geschonden doordat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich in het bestreden arrest baseert op (de verwerping van) verzoeksters eerdere verzoeken tot internationale bescherming terwijl de verwerende partij dat in haar beslissing niet zou hebben gedaan. XIV-38.957-1/5 In de beslissing van de verwerende partij die door verzoekster werd aangevochten voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen en die tot het bestreden arrest heeft geleid (hierna: de aanvankelijk bestreden beslissing), staat te lezen dat verzoeksters eerste verzoek om internationale bescherming werd afgewezen omdat verzoekster en haar familie hun werkelijke verblijfssituatie voor hun komst naar België (meer bepaald hun voorgehouden verblijf in Kosovo) niet aannemelijk hadden gemaakt. Er staat ook in vermeld dat verzoeksters tweede verzoek om internationale bescherming niet in overweging werd genomen bij gebrek aan nieuwe elementen, evenals haar derde verzoek om internationale bescherming en haar vierde verzoek om internationale bescherming. Hierbij wordt concreet aangegeven dat verzoekster bij haar vierde verzoek voor het eerst verklaarde dat zij en haar familie begin jaren ’90, toen verzoekster nog een jong kind was, naar Duitsland emigreerden, dat haar ouders Kosovo verlieten omdat ze er politieke problemen hadden en dat verzoekster en haar familie in 2008 rechtstreeks van Duitsland naar België kwamen. Verzoekster houdt voor dat uit het “feitenrelaas” van de aanvankelijk bestreden beslissing niet zou blijken dat “verzoekster in het verleden reeds vier verzoeken om internationale bescherming afgewezen zag in België”, zoals in het bestreden arrest nochtans wordt vermeld. Uit het bovenstaande blijkt echter duidelijk dat verzoeksters kritiek in die mate feitelijke grondslag mist. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft te dezen uitspraak gedaan met hervormingsbevoegdheid in een beroep dat devolutieve werking heeft. Hij is derhalve niet gebonden door de motieven van de voor hem bestreden beslissing noch door de standpunten van de partijen. Hij vermocht dan ook de bovenstaande gegevens, die in de aanvankelijk bestreden beslissing worden vermeld, er op eenvoudige wijze in kunnen worden gelezen en objectief verifieerbaar zijn, mede in zijn beoordeling te betrekken. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen was er daarbij niet toe gehouden zijn voorgenomen motieven vooraf aan de partijen voor te leggen.
- Verzoekster voert aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich in het bestreden arrest voor zijn oordeel dat verzoekster geen alleenstaande vrouw of moeder zou zijn bij een terugkeer naar Kosovo “baseerde […] op elementen die niet in de beslissing van het CGVS waren opgenomen om te concluderen dat de partner van verzoekster haar kon bijstaan in geval van terugkeer naar Kosovo”. XIV-38.957-2/5 In de aanvankelijk bestreden beslissing werd reeds overwogen: “Dat u bij een terugkeer naar Kosovo een alleenstaande moeder met drie kinderen zal zijn (CGVS p. 12-13, 21) overtuigt niet. Immers heeft u een partner, die weliswaar over een andere nationaliteit beschikt, maar die zich, mits het ondernemen van alle nodige administratieve stappen – zoals bijvoorbeeld het afsluiten van een officieel huwelijk – via de geëigende procedures voorzien in de in Kosovo vigerende wetgeving, evenzeer legaal in Kosovo kan vestigen als partner van een Kosovaarse onderdaan. Het omgekeerde geldt ook voor u aangaande een eventuele vestiging in Bosnië. De uitleg van uw partner dat u niet naar Bosnië kan omdat Bosnië Kosovo niet erkent als staat (CGVS partner p. 13) doet hieraan geen enkele afbreuk. U beschikt immers ook over het Servisch staatsburgerschap en uit niets blijkt dat Bosnië, dat inderdaad Kosovo tot op heden niet als soevereine staat heeft erkend, Servië niet als dusdanig beschouwt. Dat jullie gepoogd zouden hebben officieel te huwen, maar te horen gekregen zouden hebben dat dit niet mogelijk is omdat jullie in België niet over geldige verblijfsdocumenten beschikken, zoals uw partner opperde (CGVS partner p. 19), is ongeloofwaardig. Uit informatie beschikbaar op het Commissariaat-generaal blijkt immers dat het afsluiten van een huwelijk ook mogelijk is voor wie bijvoorbeeld in het wachtregister is opgenomen, wat het geval is voor jullie daar jullie als verzoekers om internationale bescherming in dit register staan.” Verzoekster heeft tegen deze motieven in haar beroepschrift voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen laten gelden dat het voor een alleenstaande vrouw onmogelijk is om in Kosovo te leven en zij heeft daarbij het volgende aangevoerd met betrekking tot haar partner: “Zoals blijkt uit zijn verklaringen bij de Dienst Vreemdelingenzaken (DvZ, vraag 17). wonen zijn broers en zusters in Duitsland en België (CGVS, p. 7). Zijn vader en moeder wonen in België (DvZ, vraag 13). Afgezien van haar zus die op straat leeft, wonen er momenteel geen familieleden in Kosovo (CGVS, p. 7). Als ze terugkeert, zal ze alleen zijn of alleen met haar kinderen. Zij is momenteel namelijk niet getrouwd met de vader van haar kinderen, zodat hij niet legaal in Kosovo zal kunnen verblijven. Door de situatie van de verzoeker niet aan de hand van alle beschikbare gegevens te onderzoeken, heeft de wederpartij artikel 48/6, § 5 van de Vreemdelingenwet geschonden.” De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen treedt in het bestreden arrest eerst de hoger geciteerde motieven van de aanvankelijk bestreden beslissing bij en overweegt vervolgens dat, gelet op deze motieven, “niet [kan] worden aangenomen dat verzoekster bij een terugkeer naar haar land van herkomst als alleenstaande vrouw, dan wel alleenstaande moeder zou kunnen of dienen te worden beschouwd” en dat “verzoekster […] immers op generlei wijze [aan]toont dat of waarom het voor haar partner moeilijk of onmogelijk zou zijn om haar in Kosovo te vervoegen”. Vervolgens overweegt de Raad voor XIV-38.957-3/5 Vreemdelingenbetwistingen dat verzoekster “evenmin […], zo zulks al zou kunnen worden aangenomen, quod non, aan[toont] dat of waarom haar partner haar niet vanop een afstand zou kunnen ondersteunen, hetgeen “nog des te meer [geldt] nu uit de Facebookprofielen van de familieleden van haar man, opgenomen in de map ‘landeninformatie’ in het administratief dossier, duidelijk blijkt dat zij over de nodige financiële draagkracht beschikken”. In de eerste plaats heeft verzoeksters kritiek betrekking op motieven die het bestreden arrest niet kunnen dragen, hetgeen blijkt uit de bewoordingen in dat arrest “zo zulks al zou kunnen worden aangenomen, quod non, […]”. In de tweede plaats heeft verzoekster zelf de vaststelling uit de aanvankelijk bestreden beslissing betwist dat zij niet als alleenstaande vrouw of moeder zou kunnen worden beschouwd en heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich beperkt tot een beoordeling van die kritiek op basis van de elementen uit het rechtsplegingsdossier waarmee hij vermocht rekening te houden, zonder zijn voorgenomen beoordeling vooraf te moeten voorleggen aan de partijen.
- Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
- Verzoekster wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op zeven april tweeduizend tweeëntwintig door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter XIV-38.957-4/5 Johan Pas Carlo Adams XIV-38.957-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ORD.14.835 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div