id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 07 april 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ORD.14.836 Rolnummer: A. 235640/XIV-38960 Zaak: Cassatiebeschikking 14836 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 07/04/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-04-11 Raadplegingen: 67 - laatst gezien 2026-06-10 06:39 Fiche Beschikking nr 14.836 van 7 april 2022 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 14.836 van 7 april 2022 in de zaak A. 235.640/XIV-38.960 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pauline Delgrange kantoor houdend te 1210 Brussel Haachtsesteenweg 55 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 9 februari 2022, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 266.282 van 7 januari 2022 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 2 maart 2022 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- Eerste middel
- Verzoeker acht artikel 57/6/2 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet) geschonden met het bestreden arrest omdat XIV-38.960-1/5 daarin zou worden beschouwd dat de nieuwe verklaringen geen nieuwe elementen kunnen zijn in de zin van de voornoemde bepaling. Artikel 57/6/2 van de vreemdelingenwet houdt inderdaad niet in dat nieuwe inhoudelijke verklaringen per definitie moeten worden uitgesloten als “nieuwe elementen” in de zin van dit artikel, doch dit wordt ook niet als dusdanig gesteld in het bestreden arrest. Het behoort tot de soevereine beoordelingsbevoegdheid van de feitenrechter om geval per geval na te gaan of nieuwe verklaringen van een verzoeker al dan niet dergelijke nieuwe elementen vormen. Te dezen blijkt uit het bestreden arrest dat verzoeker in zijn te deze beoordeeld volgend (tweede) verzoek om internationale bescherming heeft aangevoerd dat zijn eerdere verklaringen (als zou hij Soedanees zijn en kortstondig in Soedan hebben verbleven) werden aangetast door misverstanden en dat hij in werkelijkheid staatloos is. Vervolgens wordt in het bestreden arrest op grond van een aantal concrete vaststellingen geen geloof gehecht aan verzoekers voorgehouden staatloosheid, namelijk: - verzoekers verwijzingen naar “misverstanden” en verkeerde vertalingen van de tolk tijdens zijn eerste verzoek om internationale bescherming zijn geenszins aannemelijk omdat hij zowel bij de dienst Vreemdelingenzaken, op het commissariaat-generaal en gedurende de beroepsprocedure voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen bleef volhouden Soedanees te zijn; - verzoekers nieuwe verklaringen over de Tsjadische afkomst van zijn moeder en grootmoeder haaks staan op zijn eerdere verklaringen dienaangaande; verzoekers nieuwe beweringen over de etnische afkomst van zijn ouders niet verzoenbaar zijn met zijn eerder gegeven versie van de feiten en de brief van verzoekers advocaat nog een derde afwijkende beschrijving van verzoekers familiale geschiedenis bevat; - verzoeker blijft vasthouden aan de bewering dat zijn moeder vanuit Saoedi-Arabië naar Soedan werd gedeporteerd toen verzoeker 8 à 9 jaar oud was en hijzelf vanuit Saoedi-Arabië naar Soedan werd uitgewezen toen hij 2 jaar oud was. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen acht deze voorgehouden gang van zaken ongeloofwaardig indien verzoeker en zijn moeder niet de Soedanese nationaliteit zouden hebben en hij motiveert nader waarom hij verzoekers argumentatie dienaangaande niet aanvaardt; - de door verzoeker bijgebrachte fotokopie van het Tsjadisch paspoort van zijn grootmoeder en van haar Saoedische verblijfskaart kunnen verzoekers voorgehouden staatloosheid niet aantonen. XIV-38.960-2/5 De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft dus terdege een onderzoek verricht en op concreet gemotiveerde wijze geoordeeld dat verzoekers verklaringen over zijn voorgehouden staatloosheid ongeloofwaardig zijn. Het gaat hierbij zeker niet alleen om het verschil met verzoekers vroegere verklaringen doch om een toetsing aan een aantal concrete elementen. Als administratieve cassatierechter vermag de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet in de beoordeling van de zaak zelf te treden. Verzoeker toont geen schending aan van artikel 57/6/2 van de vreemdelingenwet.
- Uit punt 1 supra blijkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wel degelijk een grondig onderzoek heeft uitgevoerd van verzoekers verklaringen doch ze ongeloofwaardig heeft bevonden. Louter met de stelling van het tegendeel maakt verzoeker geen schending aannemelijk van de artikelen 48/3 en 48/4 van de vreemdelingenwet of van de artikelen 3 en 13 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend te Rome op 4 juni 1950 (hierna: het EVRM).
- Het eerste middel is in zijn beide onderdelen, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. Tweede middel
- In drie onderdelen voert verzoeker telkens aan dat geen rekening is gehouden met de impact van zijn psychische problemen op zijn verklaringen in het kader van zijn eerste verzoek om internationale bescherming. In het bestreden arrest wordt gemotiveerd dat het psychologisch attest van 17 juli 2020 is gesteund op verzoekers eigen verklaringen en in het licht van het gehele dossier de geloofwaardigheid van het asielrelaas niet kan herstellen, dat verzoeker de vragenlijst “bijzondere procedurele noden” op 28 augustus heeft 2020 ingevuld, dus na het opstarten van zijn psychologische begeleiding en zelfs nadat hij over het voornoemde attest beschikte, dat hij in die vragenlijst nog negatief heeft geantwoord op de uitdrukkelijke vraag naar bepaalde elementen of omstandigheden die het vertellen van zijn verhaal of zijn deelname aan de procedure konden bemoeilijken, dat uit het verslag van verzoekers “verklaring volgend verzoek” bovendien duidelijk blijkt dat aan verzoeker eenvoudige en duidelijke vragen werden gesteld, dat uit tegenstrijdige verklaringen ten opzichte van de XIV-38.960-3/5 eerste asielprocedure niet kan worden afgeleid dat verzoeker toen leed aan psychische problemen, dat anders elke beoordeling van de eensluidende aard van verklaringen zinloos zou zijn, dat verzoeker of zijn advocaat op geen enkel moment te kennen hebben gegeven dat verzoeker omwille van zijn psychologische toestand niet in staat zou zijn deel te nemen aan de lopende procedure en dat “het door verzoeker neergelegde attest geen melding [maakt] van enige cognitieve problemen of te verwachten moeilijkheden bij het deelnemen aan de asielprocedure” doch dat “integendeel, het psychologisch attest van 17 juli 2020 […] aan[dringt] op een vooruitgang van verzoekers asielprocedure, wat zijn mentale gezondheid ten goede zou komen”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft dus terdege de voorgehouden impact van verzoekers psychologische toestand op zijn verklaringen onderzocht, onder meer aan de hand van het psychologische attest van 17 juli 2020 en de voormelde concrete omstandigheden van de zaak. Verzoeker toont wat dat betreft geen schending aan van de in artikel 149 van de Grondwet en artikel 39/65 van de vreemdelingenwet vervatte jurisdictionele motiveringsplicht. De beoordeling van de bewijswaarde van het voornoemde attest van 17 juli 2020 en de voorgehouden impact van verzoekers psychologische toestand behoort tot de soevereine beoordelingsbevoegdheid van de feitenrechter. De Raad van State treedt als administratieve cassatierechter niet in de beoordeling van de zaak zelf. Daargelaten de vaststelling dat het bestreden arrest geen verwijderingsmaatregel ten opzichte van verzoeker inhoudt, oordeelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in dat arrest dat verzoeker geen elementen aanbrengt waaruit een ernstig en reëel risico op foltering of mensonterende behandeling bij terugkeer naar het land van herkomst kan blijken. Dit oordeel is gesteund op een grondig onderzoek van verzoekers nieuwe verklaringen in vergelijking met de verklaringen tijdens zijn eerste verzoek om internationale bescherming, waarin ook verzoekers voorgehouden psychologische toestand werd betrokken. Derhalve maakt verzoeker ook geen schending aannemelijk van de artikelen 3 en 13 van het EVRM.
- Het tweede middel is in zijn drie onderdelen kennelijk ongegrond. XIV-38.960-4/5 BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op zeven april tweeduizend tweeëntwintig, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Carlo Adams XIV-38.960-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ORD.14.836 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div