← België

Cassatiebeschikking 14838 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 08/04/2022

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 08 april 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ORD.14.838 Rolnummer: A. 235680/XIV-38963 Zaak: Cassatiebeschikking 14838 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 08/04/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-04-12 Raadplegingen: 67 - laatst gezien 2026-06-10 06:40 Fiche Beschikking nr 14.838 van 8 april 2022 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 14.838 van 8 april 2022 in de zaak A. 235.680/XIV-38.963 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Venceslas Woronoff kantoor houdend te 1030 Brussel Roodebeeklaan 144 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 14 februari 2022, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 266.477 van 11 januari 2022 van de Raad voor Vreemdelingen- betwistingen. Het dossier van de zaak is op 16 maart 2022 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. Eerste middel
  2. De door artikel 149 van de Grondwet aan de rechter en door artikel 39/65 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet) specifiek aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen opgelegde XIV-38.963-1/3 verplichting om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren heeft het karakter van een vormvereiste. Een uitspraak is gemotiveerd in de zin van de voornoemde bepalingen wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet die hem ertoe brengen die beslissing te nemen. Om te voldoen aan de jurisdictionele motiveringsplicht is het niet relevant of die motieven in rechte of in feite juist zijn. Wel moet de rechter expliciet of impliciet antwoorden op elke vraag, elke exceptie, elk middel en elk verweer van de partijen. Verzoeker acht artikel 48/5, § 3, van de vreemdelingenwet geschonden “daar geen analyse van de situatie wordt gemaakt terwijl er nog doden zijn ten gevolge van deze bloedwraak”. Verzoeker gaat echter voorbij aan de uitgebreide motivering in het bestreden arrest over zijn voorgehouden situatie. Hij geeft niet aan op welke argumentatie ten onrechte niet zou zijn geantwoord. Verzoeker “betwist nog de juistheid van de vaststellingen van de Raad”, doch dit houdt geen verband met de jurisdictionele motiveringsplicht als vormvereiste. Bovendien vraagt hij daarmee een nieuwe feitelijke beoordeling, terwijl de Raad van State als administratieve cassatierechter niet in de beoordeling van de zaak zelf treedt. Dit laatste geldt ook voor verzoekers argumentatie over de situatie in Albanië en zijn stelling dat hij wel vrees koestert voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade in vluchtelingenrechtelijke zin. De arresten van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen hebben geen bindende precedentwaarde. Dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in de door verzoeker geciteerde arresten – waarvan het recentste dateert uit 2014 en het oudste uit 2008 – een ander standpunt zou hebben ingenomen met betrekking tot bescherming door de Albanese autoriteiten, betekent niet dat het bestreden arrest “niet goed gemotiveerd” zou zijn, zoals verzoeker thans voorhoudt. Zoals reeds aangegeven, gaat verzoeker niet in op de motieven van het bestreden arrest zelf.
  3. Het eerste middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. Tweede middel
  4. De artikelen 1319, 1320 en 1322 van het oud Burgerlijk Wetboek zijn opgeheven met ingang van 1 november 2020 terwijl het bestreden arrest dateert van 11 januari
  5. Bovendien specificeert verzoeker niet in het minst in welke zin de Raad XIV-38.963-2/3 voor Vreemdelingenbetwistingen “geen verenigbaar uitlegging” zou hebben gegeven aan zijn op 23 februari 2021 verstuurde aanvullende nota.
  6. Het tweede middel is kennelijk niet-ontvankelijk. BESLUIT:
  7. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  8. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 22 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op acht april tweeduizend tweeëntwintig, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Carlo Adams XIV-38.963-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ORD.14.838 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.