id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 08 april 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ORD.14.839 Rolnummer: A. 235847/XIV-38984 Zaak: Cassatiebeschikking 14839 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 08/04/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-04-12 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-06-10 06:40 Fiche Beschikking nr 14.839 van 8 april 2022 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 14.839 van 8 april 2022 in de zaak A. 235.847/XIV-38.984 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Charles Buytaert kantoor houdend te 1170 Brussel Terhulpsesteenweg 187 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 4 maart 2022, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 268.159 van 11 februari 2022 van de Raad voor Vreemdelingen- betwistingen. Het dossier van de zaak is op 16 maart 2022 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- XIV-38.984-1/5 Eerste middel
- De materiëlemotiveringsplicht is als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur niet van toepassing op jurisdictionele beslissingen zoals het bestreden arrest.
- Verzoeker werpt de schending op van artikel 149 van de Grondwet omdat in het bestreden arrest niet zou zijn geantwoord “op alle duidelijke en omstandige verweermiddelen van verzoeker”. Met dergelijke algemene en niet gefundeerde stelling geeft verzoeker niet aan op welke wijze de jurisdictionele motiveringsplicht zou zijn geschonden, laat staan dat hij een daadwerkelijke tekortkoming in de motivering aantoont. In de mate dat verzoeker artikel 149 van de Grondwet verder geschonden acht doordat in het bestreden arrest de “terugkeergevolgen” voor hem niet zijn onderzocht, geeft hij evenmin aan op welk elementen uit het verzoekschrift tot beroep niet zou zijn geantwoord.
- Het eerste middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. Tweede middel
- Verzoeker geeft uitgebreid kritiek op de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen en hij herhaalt zijn argumentatie over zijn voorgehouden bekering. In die mate is het middel niet gericht tegen het bestreden arrest. Daarenboven treedt de Raad van State als administratieve cassatierechter niet in de beoordeling van de zaak zelf en vermag hij dus niet de door de eerste rechter gemaakte beoordeling ten gronde over te doen wat verzoekers voorgehouden bekering betreft. Verzoeker verwijst naar en citeert uit landeninformatie met betrekking tot de situatie voor bekeerden tot het christendom, waaraan volgens hem “het nodige gewicht [moet] worden gegeven nu zij van toepassing zijn op verzoekers geval” terwijl deze informatie te dezen “niet, minstens verkeerdelijk [wordt] toegepast op verzoeker”. In het bestreden arrest wordt verzoekers voorgehouden bekering tot het christendom echter ongeloofwaardig bevonden en verzoeker toont de onwettigheid van deze XIV-38.984-2/5 beoordeling niet aan. Bijgevolg kon de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op wettige wijze overwegen dat “de algemene informatie aangaande de situatie voor christelijke bekeerlingen in Iran waarnaar verzoeker in het verzoekschrift verwijst, […] verder niet dienstig in rekening [kan] worden gebracht ter staving van verzoekers vrees voor vervolging, nu verzoeker geen oprechte bekering aannemelijk maakt en deze aldus niet aan de algemene informatie kan verbinden”.
- Het tweede middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. Derde middel
- De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen is een administratief rechtscollege dat jurisdictionele beslissingen uitspreekt, te dezen met hervormings- bevoegdheid, waarop “het recht op behoorlijk bestuur zoals vervat in art. 41 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en art. 8 lid 2 Richtlijn 2005/85/EG van de Raad van 1 december 2005” niet van toepassing is. Verzoeker kan zich bovendien in een cassatieberoep tegen een arrest van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet dienstig beroepen op een schending van artikel 27 van het koninklijk besluit van 11 juli 2003 ‘tot regeling van de werking van en de rechtspleging voor het commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen’. Het derde middel is in die mate kennelijk niet-ontvankelijk.
- Verzoeker voert ook nog de schending aan van artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend te Rome op 4 juni 1950 (hierna: het EVRM), doordat in het bestreden arrest geen rekening wordt gehouden met het lot van terugkerende asielzoekers naar Iran. Verzoeker argumenteert dat “de bestreden beslissing [zich] beperkt […] tot het bevestigen van de beslissing van het CGVS, zonder echter vast te stellen naar welk land hij dan ingevolge de negatieve asielbeslissing zou moeten worden verwezen”, zodat geen onderzoek zou zijn gedaan naar een risico op schending van artikel 3 van het EVRM bij een terugkeer naar verzoekers land van herkomst. Wat de voorgehouden schending van artikel 3 van het EVRM betreft, merkt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen terecht op dat de beslissing van de commissaris-generaal geen verwijderingsmaatregel inhoudt en dat wel een onderzoek wordt gevoerd naar de nood aan internationale bescherming in de zin van de artikelen 48/3 en 48/4 XIV-38.984-3/5 van de vreemdelingenwet. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft het risico in geval van terugkeer naar het land van herkomst onderzocht in het licht van de in artikel 48/4 van de vreemdelingenwet bedoelde subsidiaire beschermingsstatus. Verzoeker zet niet uiteen in welke mate en toont derhalve ook niet aan in welke mate het voormelde onderzoek zou tekortschieten. De verwijzing naar een ander land dan het land van herkomst in geval van terugkeer is dan ook niet aan de orde.
- Het derde middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. Vierde middel
- Daargelaten de vraag of verzoeker zich rechtstreeks kan beroepen op Richtlijn 2011/95/EU van 13 december 2011 van het Europees Parlement en de Raad ‘inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming’, beperkt hij zich in het vierde middel tot de loutere bewering dat “niet alle elementen die voorlagen of voor konden liggen bij de beoordeling van de asielaanvraag [werden] betrokken” daar “de asielmotieven en terugkeermogelijkheden niet deugdelijk [werden] onderzocht”, zonder op enige wijze nader uiteen te zetten met welke concrete elementen de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geen rekening zou hebben gehouden of welke concrete elementen niet deugdelijk zouden zijn onderzocht.
- Het vierde middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een begroot op een rolrecht van 200 euro. XIV-38.984-4/5 Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op acht april tweeduizend tweeëntwintig, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Carlo Adams XIV-38.984-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ORD.14.839 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div