← België

Cassatiebeschikking 14840 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 08/04/2022

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 08 april 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ORD.14.840 Rolnummer: A. 235455/XIV-38933 Zaak: Cassatiebeschikking 14840 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 08/04/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-04-12 Raadplegingen: 75 - laatst gezien 2026-06-17 14:51 Fiche Beschikking nr 14.840 van 8 april 2022 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 14.840 van 8 april 2022 in de zaak A. 235.455/XIV-38.933 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Luc Denys kantoor houdend te 1030 Brussel Adolphe Lacomblélaan 59-61 bus 5 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de staatssecretaris voor Asiel en Migratie ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 13 januari 2022, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 265.504 van 14 december 2021 van de Raad voor Vreemdelingen- betwistingen. Het dossier van de zaak is op 9 februari 2022 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. Eerste middel
  2. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen stelt in het bestreden arrest niet op algemene wijze dat artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend te Rome op 4 juni 1950, (hierna: het EVRM) niet van toepassing is op de beslissing van de verwerende partij van XIV-38.933-1/8 10 augustus 2021 (hierna: de aanvankelijk bestreden beslissing). Hij stelt wel dat de aanvankelijk bestreden beslissing geen verwijderingsmaatregel bevat en niet inhoudt dat verzoeker moet terugkeren naar Turkije, dat wel een bevel om het grondgebied te verlaten werd gegeven aan verzoeker op 18 augustus 2021, dat verzoeker daartegen een annulatieberoep heeft ingesteld bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen waarin hij een schending van artikel 3 van het EVRM heeft opgeworpen en dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in die zaak de aangehaalde schending van artikel 3 van het EVRM zal moeten behandelen. Vervolgens stelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dat, “waar de verzoekende partij de schending van artikel 3 van het EVRM aanhaalt, […] zij niet [overtuigt] dat de huidige bestreden beslissing ertoe leidt dat zij bij een terugkeer naar het herkomstland moet vrezen voor een behandeling, strijdig met voormeld artikel” vermits die beslissing geen verwijderingsmaatregel bevat en ze bovendien werd getroffen in navolging van de afwijzing van verzoekers verzoek om internationale bescherming. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen merkt hierbij op dat artikel 3 van het EVRM inhoudelijk overeenstemt met artikel 48/4, § 2, b), van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet), dat dus “werd getoetst of in hoofde van verzoekende partij een reëel risico op ernstige schade, bestaande uit foltering of onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing, voorhanden is”, dat het desbetreffende arrest van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen nr. 253 298 van 2 april 2021 inmiddels kracht van gewijsde heeft en dat daarin “werd geoordeeld dat de vrees voor vervolging, gesteund op beschuldigingen van het lidmaatschap van verzoeker aan de Turkse Hezbollah, niet gegrond is”. Verder overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen “dat verzoeker deel uitmaakt van de Hezbollah, volgens de gegevens in het administratief dossier” en “dat de houding van de Turkse overheid ten opzichte van leden van die organisatie is veranderd en geen vervolging meer moet gevreesd worden, ook al zou verzoeker op een lijst van gezichte personen door de Turkse overheid staan, wat blijkt uit het arrest nr. 253 398”, dat uit artikel 3 van het EVRM hoe dan ook geen verplichting kan worden afgeleid om zonder meer een verblijfstitel toe te staan aan een vreemdeling en dat de aanvankelijk bestreden beslissing een antwoord is op een vraag om machtiging tot verblijf. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vervolgt dat verzoeker geen beroep heeft aangetekend tegen het voornoemde arrest nr. 253.298, dat hij door de vaststellingen uit dat arrest te bekritiseren geen schending van artikel 3 van het EVRM in de huidige zaak XIV-38.933-2/8 aannemelijk maakt, dat “het loutere gegeven dat verzoeker thans een screenshot voorlegt van 3 augustus 2021, waaruit blijkt dat hij nog steeds gezocht wordt, […] in het licht van het voorgaande voor de beoordeling van de bestreden beslissing niet relevant [is], dat verzoeker “in het licht van voormeld arrest geen nieuwe elementen aan[voert]” en dat “het gestelde over de screenshot […] slechts een bevestiging [is] van wet (sic.) verzoeker verklaarde en waarop het arrest nr. 253 298 ingaat”. Uit het voorgaande blijkt duidelijk dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen ook onderzoekt of de aanvankelijk bestreden beslissing is aangetast door een schending van artikel 3 van het EVRM doch tot het besluit komt dat dit niet het geval is. Verzoekers kritiek dat artikel 3 van het EVRM volgens het bestreden arrest niet van toepassing zou zijn op de aanvankelijk bestreden beslissing berust op een verkeerde lezing van het bestreden arrest, waarin wel degelijk een toetsing aan die verdragsbepaling is gebeurd.
  3. Het eerste middel is in zijn beide onderdelen kennelijk ongegrond. Tweede middel
  4. Verzoeker acht het gewijsde van het meergenoemde arrest van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen nr. 253.298 geschonden omdat in dat arrest enkel zou worden verwezen naar oude bronnen en niet naar het document (screenshot) van 3 augustus
  5. Het kwestieuze arrest nr. 253.298 dateert van 21 april
  6. Er is uitspraak mee gedaan met hervormingsbevoegdheid en ex nunc, minder dan acht maanden vóór het bestreden arrest. In dat arrest nr. 253.298 wordt onder meer overwogen: “S’agissant de l’absence d’une ‘instruction complète et minutieuse du dossier’, elles [dit zijn de verzoekende partijen in die zaak, nl. huidige verzoeker en zijn echtgenote] se limitent à rappeler que le requérant figure sur une liste de personnes recherchées en Turquie, et que la politique des autorités turques en la matière peut changer. Ce faisant, elles n’avancent aucun argument concret et précis de nature à contredire utilement les informations faisant état, depuis le début des années 2010, de la libération de nombreux membres du Hezbollah turc - en ce compris des détenus précédemment condamnés à perpétuité -, ce au motif de condamnations prononcées abusivement, dans l’attente de nouveaux procès à organiser devant des juridictions impartiales, et sur fond de bienveillance évidente du pouvoir en place envers ce mouvement. Dans une telle perspective, le seul fait que le requérant figure XIV-38.933-3/8 toujours sur une liste de personnes recherchées, ne signifie pas qu’il ne pourrait pas, à l’instar de ses comparses réels ou supposés, bénéficier de la mansuétude dont le régime turc témoigne à l’égard des membres du Hezbollah turc depuis
  7. Les parties requérantes n’avancent pas davantage d’informations amenant à penser que cette complaisance serait sur le point de cesser, a fortiori à un moment où le régime turc mobilise ses ressources et ses alliances pour intensifier significativement sa lutte contre le PKK. Pour le surplus, la partie défenderesse a entendu les parties requérantes à plusieurs reprises sur leurs motifs de crainte, elle a minutieusement analysé les nombreuses pièces produites par le requérant pour les étayer, elle a collecté de sa propre initiative diverses informations pour apprécier leur fondement et leur actualité, de même que pour évaluer la situation sécuritaire actuelle en Turquie, et elle en a tiré plusieurs constats qui ne sont pas autrement contestés en termes de recours.” In het voornoemde arrest wordt dus uitdrukkelijk rekening gehouden met het feit dat verzoeker op dat ogenblik nog steeds voorkomt op een lijst van gezochte personen wegens lidmaatschap van de Turkse Hezbollah. Anders dan verzoeker voorhoudt wordt het gewijsde van het bestreden arrest wat dat betreft dus niet geschonden met het bestreden arrest.
  8. Anders dan verzoeker voorhoudt, heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest wel degelijk de screenshot van 3 augustus 2021 in zijn beoordeling betrokken, namelijk door, na te hebben verwezen naar het meergenoemde arrest nr. 253.298, te overwegen dat “het loutere gegeven dat verzoeker thans een screenshot voorlegt van 3 augustus 2021, waaruit blijkt dat hij nog steeds gezocht wordt, […] in het licht van het voorgaande voor de beoordeling van de bestreden beslissing niet relevant [is]”, dat verzoeker “in het licht van voormeld arrest geen nieuwe elementen aan[voert]” en dat “het gestelde over de screenshot […] slechts een bevestiging [is] van wet (sic.) verzoeker verklaarde en waarop het arrest nr. 253 298 ingaat”. Uit het feit dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen van oordeel is dat de screenshot slechts een bevestiging is van wat verzoeker voorheen reeds verklaarde en wat beoordeeld is in dat arrest, blijkt geen gebrek aan een nauwgezet en minutieus onderzoek nu het tijdsverloop tussen beide arresten beperkt is en er geen sprake is geweest van andere bijkomende elementen of gewijzigde omstandigheden. Dat de screenshot van 3 augustus 2021 slechts een bevestiging is van hetgeen verzoeker voorheen heeft verklaard, blijkt immers uit de volgende overweging in het voornoemde arrest nr. 253.298: “une capture d’écran du site web terorarananlar.po.tr/de (site recensant l’identité de personnes recherchées en Turquie pour appartenance à diverses associations criminelles ou terroristes sur lequel apparait votre nom accompagné de votre photo et de la mention ‘Hizbullah/ILIM TerörÖrgütü (organisation terroriste)’ –, lesquels XIV-38.933-4/8 témoignent de vos antécédents avec la justice turque, ainsi que des recherches menées à votre encontre, ne sont pas de nature à remettre en cause les arguments exposés dans ce qui précède“.
  9. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft zich niet in de plaats gesteld van de verwerende partij voor de beoordeling van de door verzoeker bijgebrachte screenshot doch dit element slechts onderzocht in het kader van de door verzoeker voorgehouden schending van artikel 3 van het EVRM.
  10. Het tweede middel is kennelijk ongegrond. Derde middel
  11. Bij het onderzoek van de door verzoeker voorgehouden schending van artikel 8 van het EVRM in de aanvankelijk bestreden beslissing vermocht de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen als annulatierechter te oordelen welke motieven van die voor hem aangevochten beslissing als draagkrachtig dan wel als overtollig moeten worden beschouwd. Hij heeft daarmee niet ultra petita of in strijd met zijn in artikel 39/2, § 2, van de vreemdelingenwet bepaalde bevoegdheid geoordeeld. Hoe dan ook blijkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest, na weliswaar eerst te hebben vastgesteld dat het niet om de weigering van een voortgezet verblijf zou handelen doch om de weigering van een eerste verzoek om toelating of verblijf, na het onderzoek van de voorgehouden schending van artikel 8 van het EVRM heeft vastgesteld “dat zelfs de elementen van het tweede lid van artikel 8 van het EVRM zijn onderzocht” en dat “de Boultif-criteria zijn afgewogen op een kennelijk redelijke wijze”. Zoals hierna zal blijken, toont verzoeker wat dat betreft geen schending aan van artikel 8 van het EVRM.
  12. Verzoeker richt zich tegen de beoordeling in het bestreden arrest van het al dan niet bestaan van een gezinsleven tussen hemzelf en zijn twee minderjarige kinderen. Verzoekers kritiek is beperkt tot de verwijzing naar twee arresten van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens die volgens hem “veel meer de feiten [benaderen] zoals in deze zaak dan in de door de eerste rechter aangehaalde arresten vermits in de door de eerste rechter vermelde rechtspraak het niet gaat om jonge volwassenen die na het meerderjarig worden bij hun ouders zijn blijven wonen”. XIV-38.933-5/8 Louter met deze vergelijking, die veeleer een andere feitelijke beoordeling inhoudt waarvoor de Raad van State als administratieve cassatierechter niet bevoegd is, blijkt geen schending van artikel 8 van het EVRM door de beoordeling in het bestreden arrest dat verzoeker aanhaalt één van zijn meerderjarige kinderen te werk te stellen, dat niet blijkt dat tewerkstelling niet mogelijk is bij andere werkgevers en dat verzoeker, door louter naar dit element te verwijzen, naar de jongvolwassen leeftijd van de kinderen en naar het feit dat zij nog samenleven met verzoeker, geen bijzondere afhankelijkheid tussen hemzelf en deze kinderen aantoont.
  13. Verzoeker gaat in op de beoordeling van elk van de zogenaamde Boultif-Ünercriteria die in het bestreden arrest is gemaakt bij het onderzoek van de aanvankelijk bestreden beslissing. In wezen acht hij deze beoordeling punt voor punt onvoldoende grondig, waarbij hij overwegend zijn eigen standpunt erover weergeeft en aldus een nieuwe beoordeling van de zaak zelf vraagt. Daarmee maakt verzoeker niet aannemelijk dat het onderzoek door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen naar een mogelijke schending van artikel 8 van het EVRM onvoldoende grondig is gebeurd. Wat de aard en de ernst van de door verzoeker gepleegde misdrijven betreft, beperkt verzoeker zich tot bepaalde vaststellingen zonder enige onwettigheid in het bestreden arrest aan te duiden. Wat de duur van verzoekers verblijf in België betreft, verwijst de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen naar een aantal elementen uit de aanvankelijk bestreden beslissing met betrekking tot dat verblijf en stelt hij vast dat in die beslissing een zwaarder gewicht wordt toegekend aan de bescherming van de openbare orde dan aan verzoekers privébelangen. Hieruit blijkt dat dit element werd betrokken in de belangenafweging. Wat de tijdspanne tussen het plegen van misdrijven en verzoekers gedrag tijdens deze periode betreft, merkt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op dat verzoeker nog steeds lid is van de Turkse Hezbollah, een terroristische organisatie, en leider van de Belgische tak, waarvoor onder meer wordt verwezen naar nota’s van de Veiligheid van de Staat van 27 juli 2021 en 3 november
  14. Dat in het bestreden arrest sprake is van een “moord” in Turkije terwijl verzoeker voorhoudt dat hij enkel wordt “beschuldigd van het plegen van een moord”, doet geen afbreuk aan de voormelde vaststelling. Wat de (Turkse) nationaliteit van de betrokken personen betreft, betwist verzoeker niet dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen daarmee rekening heeft gehouden. Wat de gezinstoestand en het bestaan van een effectief gezinsleven betreft, volstaat de vaststelling dat dit niet wordt betwist in het bestreden arrest en dat de gezinssituatie er zelfs uitdrukkelijk in wordt XIV-38.933-6/8 beschreven. Dit alles wordt omstandig behandeld in punt 2.2.9 van het bestreden arrest, waarbij wordt verwezen naar de situatie voor verzoeker zelf, voor zijn echtgenote en voor zowel de meerderjarige als de minderjarige kinderen indien verzoeker zou moeten terugkeren naar Turkije, met onder meer de mogelijkheid voor verzoekers echtgenote en kinderen om in België te blijven dan wel verzoeker in Turkije te vervoegen. Dit element is dus duidelijk betrokken in de belangenafweging. Wat de vraag betreft of verzoekers echtgenote kennis had van de misdrijven op het ogenblik dat het gezinsleven een aanvang nam, merkt verzoeker op dat hij de hem ten laste gelegde feiten pas na de aanvang van het gezinsleven zou hebben gepleegd. Vermits verzoeker zelf stelt dat de aangevoerde feiten niet konden zijn gepleegd op het ogenblik dat het gezinsleven een aanvang nam, is dit criterium niet van toepassing en hoefde er in het bestreden arrest niet op te worden ingegaan. Wel wordt in het bestreden arrest aangegeven dat verzoekers echtgenote op de hoogte was van verzoekers problemen (beschuldigingen) vermits zij haar asielaanvraag steunde op die van verzoeker. Wat de uit het huwelijk geboren kinderen en hun leeftijd betreft, blijkt uit punt 8 supra dat ook verzoekers meerderjarige kinderen in de toetsing aan artikel 8 van het EVRM werden betrokken, zij het dat verzoeker het niet eens is met de gemaakte beoordeling. Wat de ernst van de moeilijkheden voor verzoekers echtgenote in Turkije betreft, wordt in het bestreden arrest overwogen dat zij tijdelijk verblijf heeft in België en aldus de keuze heeft om in België te verblijven of verzoeker te vervoegen eens hij het land heeft verlaten en dat zowel verzoekers vader als de ouders van zijn echtgenote in Turkije verblijven. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft dit criterium dus in zijn onderzoek naar de door verzoeker voorgehouden schending van artikel 8 van het EVRM betrokken, hetgeen – anders dan verzoeker voorhoudt – niet betekent dat hij zijn bevoegdheid te buiten is gegaan en zich in de plaats van de verwerende partij heeft gesteld. Hierbij moet erop worden gewezen dat artikel 8 van het EVRM geen bijzondere motiveringsplicht inhoudt en dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich dus niet hoeft te beperken tot de formele motieven uit de aanvankelijk bestreden beslissing. Wat het belang en het welzijn van de kinderen in Turkije betreft, wordt in het bestreden arrest gewezen op de mogelijkheid voor de ouders om te kiezen wat zij het belangrijkste vinden: de Turkse cultuur eigen maken met de grootouders en desgevallend het ganse kerngezin bij de hand in Turkije dan wel in België te verblijven. Er wordt ook op gewezen dat verzoeker niet de vaststelling weerlegt dat hij in staat is zijn eigen inkomsten te verwerven in Turkije en dat verzoeker geen moeilijkheden aangeeft voor de kinderen bij een eventueel leven in Turkije, waarna nogmaals erop wordt gewezen dat het de ouders toekomt te beslissen welk gezinsleven het hoger belang van de kinderen dient. Verzoeker heeft alle mogelijkheden gehad om eventuele problemen voor de kinderen in XIV-38.933-7/8 Turkije aan te geven. Hij geeft niet aan welke concrete elementen ten onrechte buiten beschouwing zouden zijn gelaten terwijl de verwerende partij ze kende of kon kennen. Wat de hechtheid van de sociale, culturele en familiale banden met Turkije en België betreft, blijkt onder meer uit de door verzoeker zelf geciteerde vaststellingen uit het bestreden arrest dat de eerste rechter dit criterium heeft betrokken in zijn beoordeling van een eventuele schending van artikel 8 van het EVRM. Het was daartoe niet vereist dat de eerste rechter dit (of een ander) criterium afzonderlijk afwoog tegen de belangen van de staat, maar enkel of de eigen belangen van verzoeker in hun geheel konden primeren boven de belangen van de staat. Verzoeker toont niet aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen bij zijn onderzoek naar de afweging van die belangen bepaalde elementen buiten beschouwing heeft gelaten in strijd met artikel 8 van het EVRM, zodat dit onderzoek niet grondig en nauwgezet zou zijn.
  15. Het derde middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
  16. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  17. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 22 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op acht april tweeduizend tweeëntwintig, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Johan pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan pas Carlo Adams XIV-38.933-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ORD.14.840 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.