id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 15 april 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ORD.14.845 Rolnummer: A. 235459/XIV-38934 Zaak: Cassatiebeschikking 14845 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 15/04/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-04-20 Raadplegingen: 75 - laatst gezien 2026-06-17 14:19 Fiche Beschikking nr 14.845 van 15 april 2022 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 14.845 van 15 april 2022 in de zaak A. 235.459/XIV-38.934 In zake :
- XXXXX
- XXXXX
- XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pierre Robert kantoor houdend te 1000 Brussel Saint-Quentinstraat 3/3 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de staatssecretaris voor Asiel en Migratie ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 14 januari 2022, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 265.131 van 9 december 2021 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 26 januari 2022 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- Ontvankelijkheid van het cassatieberoep in hoofde van derde verzoekster XIV-38.934-1/5
- Wat de ontvankelijkheid van het cassatieberoep in hoofde van derde verzoekster betreft, dient te worden opgemerkt dat degene die een cassatieberoep bij de Raad van State wil instellen niet enkel een belang moet laten blijken maar ook moet partij geweest zijn in het door het cassatieberoep bestreden arrest. Te dezen was verzoeksters tweede minderjarige dochter geen partij in het geding voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zodat het cassatieberoep in haren hoofde kennelijk niet- ontvankelijk is. Eerste middel
- De verzoeksters hebben voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen tegen de beslissing van de verwerende partij van 19 april 2021 houdende bevel om het grondgebied te verlaten (hierna: de aanvankelijk bestreden beslissing) aangevoerd dat deze beslissing zou moeten worden vernietigd indien de Raad van State het arrest van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen nr. 224.315 van 26 juli 2019 zou vernietigen waarmee het beroep tot nietigverklaring tegen de in hoofde van eerste en tweede verzoekster genomen beslissing tot weigering van verblijf zonder bevel om het grondgebied te verlaten van 29 januari 2019 werd afgewezen. De verwerende partij had in de aanvankelijk bestreden beslissing overwogen dat het cassatieberoep tegen het arrest van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen nr. 224.315 van 26 juli 2019 geen schorsende werking heeft. De verzoeksters hebben geen belang bij dit onderdeel van het cassatiemiddel nu het cassatieberoep tegen het arrest van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen nr. 224.315 van 26 juli 2019 is verworpen met ’s Raads arrest nr. 253.373 van 28 maart
- Daarenboven is de vaststelling in het bestreden arrest dat de kritiek van de verzoeksters “betrekking [heeft] op de gevolgen van de voorziening in cassatie” niet in strijd met de bewoordingen van het verzoekschrift tot nietigverklaring in die zaak. Waar de verzoeksters thans zelf stellen dat zij niet hebben willen aanvoeren dat het cassatieberoep geen schorsende werking heeft, hebben zij ook geen belang bij hun kritiek tegen de overweging in het bestreden arrest waarmee de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen die schorsende werking niet heeft aanvaard. De verzoeksters betwisten de juistheid van de gegeven motieven doch tonen daarmee geen schending aan van de in artikel 39/65 van de wet van 15 december XIV-38.934-2/5 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet) vervatte jurisdictionele motiveringsplicht. De verzoeksters geven niet aan op welke wijze artikel 7 van de vreemdelingenwet met de voornoemde motieven zou zijn geschonden. Het eerste onderdeel van het eerste middel is kennelijk niet- ontvankelijk, minstens kennelijk ongegrond.
- Het rechtszekerheidsbeginsel is als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur niet van toepassing op jurisdictionele beslissingen zoals het bestreden arrest. De verwijzing naar artikel 15 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State is niet dienstig nu de Raad van State het door verzoeksters bedoelde cassatieberoep heeft verworpen met het arrest nr. 253.373 van 28 maart
- Het tweede onderdeel van het eerste middel is kennelijk niet- ontvankelijk.
- De verzoeksters hebben in hun eerste middel voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen enkel uiteengezet dat, in het geval van cassatie van het arrest van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen nr. 224.315 van 26 juli 2019, “verzoekster en haar dochter terug in wettig verblijf zullen zijn waardoor het artikel 7 van de wet van 15.12.1980 geen wettelijke basis meer kan zijn voor de bestreden beslissing”. Met verwijzing naar de motieven van de aanvankelijk bestreden beslissing overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dat het cassatieberoep tegen het arrest van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen nr. 224.315 van 26 juli 2019 geen schorsende werking heeft. Zoals reeds vastgesteld bij de behandeling van het eerste middelonderdeel, hebben de verzoeksters geen belang meer bij hun kritiek tegen die beoordeling vermits het cassatieberoep tegen het arrest van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen nr. 224.315 van 26 juli 2019 inmiddels is verworpen. Bovendien houdt het voormelde motief in het bestreden arrest duidelijk in dat de aanvankelijk bestreden beslissing haar grond kan vinden in de beslissing tot weigering van verblijf zonder bevel om XIV-38.934-3/5 het grondgebied te verlaten van 29 januari 2019, ondanks het (op dat ogenblik) lopende cassatieberoep tegen het voornoemde arrest nr. 224.
- Anders dan de verzoeksters thans voorhouden, is deze beoordeling in het bestreden arrest niet beperkt tot hetgeen de verzoeksters noemen “de modaliteiten van de [aanvankelijk] bestreden beslissing, te weten de afwezigheid van een termijn om het grondgebied te verlaten”. Het derde onderdeel van het eerste middel is kennelijk niet- ontvankelijk, minstens kennelijk ongegrond. Tweede middel
- In de beide onderdelen van het tweede middel gaan de verzoeksters ervan uit dat hun cassatieberoep tegen het arrest van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen nr. 224.315 van 26 juli 2019, waarmee het beroep tot nietigverklaring tegen de beslissing tot weigering van verblijf zonder bevel om het grondgebied te verlaten van 19 januari 2019 wordt verworpen, nog hangende is. Zoals supra reeds aangegeven, is dat cassatieberoep verworpen met ’s Raad arrest nr. 253.373 van 28 maart
- Derhalve hebben de verzoeksters geen belang meer bij hun kritiek als zouden zij hun belang bij het cassatieberoep tegen het arrest van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen nr. 224.315 van 26 juli 2019 verliezen indien zij de aanvankelijk bestreden beslissing in de huidige zaak moeten uitvoeren en als zouden zij daardoor geen schending van artikel 8 van het EVRM meer kunnen laten gelden in dat cassatieberoep
- Het tweede middel is kennelijk niet-ontvankelijk. BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
- Eerste en tweede verzoekster worden verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 400 euro, ieder voor de helft. XIV-38.934-4/5 Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op vijftien april tweeduizend tweeëntwintig, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.934-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ORD.14.845 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.