← België

Cassatiebeschikking 14846 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 15/04/2022

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 15 april 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ORD.14.846 Rolnummer: A. 235717/VII-41511 Zaak: Cassatiebeschikking 14846 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 15/04/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-04-20 Raadplegingen: 67 - laatst gezien 2026-06-10 06:41 Fiche Beschikking nr 14.846 van 15 april 2022 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 14.846 van 15 april 2022 in de zaak A. 235.717/XIV-38.966 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Julien Wolsey kantoor houdend te 1060 Brussel Verbindingslaan 27 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 18 februari 2022, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 266.963 van 19 januari 2022 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 16 maart 2022 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. Verzoeker betwist in essentie dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zijn verzoek om internationale bescherming had mogen verwerpen omdat verzoeker in Spanje zou kunnen verblijven op grond van de internationale beschermingsstatus en het verblijfsrecht van zijn ouders in Spanje. XIV-38.966-1/4 De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt dienaangaande in het bestreden arrest: “De Raad stelt vast dat uit niets blijkt dat verzoeker op heden in Spanje dezelfde status zou genieten als de status die aan zijn gezinsleden werd verleend. Dit wordt ook bevestigd in de bestreden beslissing. De commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen heeft in hoofde van verzoeker dan ook geen toepassing gemaakt van de niet-ontvankelijkheidsgrond zoals bepaald in artikel 57/6, § 3, eerste lid, 3° van de Vreemdelingenwet. Verzoeker toont, in het licht van de internationale beschermingsstatus en het verblijfsrecht dat zijn ouders genieten in Spanje, echter niet aan dat hij niet in Spanje zou kunnen verblijven in het kader van artikel 23 van de richtlijn 2011/95/EU inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (herschikking), zoals reeds in de bestreden beslissing wordt gesteld: ‘Wat betreft de status of verblijfsregeling in jouw hoofde in geval van terugkeer naar Spanje, moet worden benadrukt dat artikel 23 van de richtlijn 2011/95/EU inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (herschikking), stelt dat de lidstaten ervoor zorgen dat het gezin in stand kan gehouden worden, maar hieruit volgt géénszins dat de gezinsleden van een persoon die internationale bescherming in een EU-lidstaat geniet, eveneens recht hebben op deze beschermingsstatus louter omdat zij familie van de betrokken vluchteling of subsidiair beschermde zijn. Dit betekent dat hoewel de lidstaten enerzijds weliswaar kunnen beslissen om gezinsleden eenzelfde internationale beschermingsstatus te verlenen, zij anderzijds enkel moeten waarborgen dat deze gezinsleden, die zelf niet in aanmerking komen voor dergelijke bescherming, overeenkomstig de nationale procedures en voor zover verenigbaar met de persoonlijke juridische status van het gezinslid, aanspraak kunnen maken op een aantal voordelen zoals het bekomen van een verblijfstitel of de toegang tot diverse basisvoorzieningen. Nog daar gelaten het gegeven dat deze rechten of voordelen die door de respectieve EU-lidstaten aan personen die er internationale bescherming genieten of aan hun gezinsleden worden toegekend, kunnen verschillen en zulks op zich geen vervolging uitmaakt in de zin van artikel 48/3 van de Vreemdelingenwet noch een reëel risico op het lijden van ernstige schade in de zin van artikel 48/4 van de Vreemdelingenwet, dienen jouw ouders zich met betrekking tot de mogelijkheden in hoofde van jou dan ook te beroepen op de geëigende procedures die hen naar Spaans recht ter beschikking staan, of eventuele kritieken die zij hieromtrent hebben aldaar te doen gelden. Wat Spanje betreft, moet overigens worden opgemerkt dat uit de informatie waarover het CGVS beschikt, en waaromtrent bijlage in jouw administratief dossier is gevoegd (zie administratief dossier, blauwe map), duidelijk blijkt dat de uitbreiding van de internationale beschermingsstatus van begunstigden, zoals jouw ouders, in hoofde van afstammelingen, zoals jijzelf, slechts aan één enkele voorwaarde is onderworpen, nl. dat jouw ouders jullie familiale band aantonen.’ Verzoeker kan niet worden gevolgd waar hij meent dat het Commissariaat-generaal het gezag van gewijsde van het eerder gewezen arrest nr. 239 572 van 11 augustus 2020 schendt. De Raad merkt dienaangaande op dat in de vernietigde beslissing van XIV-38.966-2/4 30 januari 2020 verzoekers eventuele nood aan internationale bescherming uitsluitend werd onderzocht en beoordeeld ten aanzien van Spanje en niet ten aanzien van verzoekers land van herkomst Syrië, en dat het administratief dossier geen informatie bevatte waaruit kon blijken dat de internationale bescherming die in Spanje werd verleend in hoofde van de begunstigde, in casu verzoekers ouders, probleemloos kan worden uitgebreid naar een minderjarige afstammeling van eenzelfde nationaliteit. Deze informatie werd thans wel aan het administratief dossier gevoegd en door verzoeker niet met andersluidende informatie ontkracht. Op basis van deze informatie kan de Raad niet anders dan vaststellen dat verzoeker, mits het vervullen van de nodige formaliteiten in Spanje, net zoals zijn gezinsleden van internationale bescherming kan genieten. […] Verzoeker meent dat de overweging in de bestreden beslissing dat zijn terugkeer naar Syrië niet aan de orde en louter hypothetisch is wegens de internationale bescherming die zijn ouders in Spanje genieten in de onderhavige zaak volstrekt irrelevant is, doch brengt met de argumentatie in het verzoekschrift geen concrete aanwijzingen bij waaruit kan blijken dat de Spaanse autoriteiten hun verplichtingen voortvloeiend uit voornoemd artikel 23 niet zouden nakomen en zouden weigeren om hem eenzelfde internationale beschermingsstatus te verlenen als zijn gezinsleden, dan wel om hem, onder andere, een verblijfstitel af te leveren die hem in staat stelt om samen met zijn gezinsleden te verblijven in Spanje. De Raad benadrukt in dit verband dat Spanje als EU-lidstaat gebonden is aan het EU-acquis, dat voorziet in (minimum)normen inzake rechten en voordelen die verbonden zijn aan een internationale beschermingsstatus (in casu van verzoekers ouders). Het initiatief te dezen berust echter bij verzoekers ouders en verzoeker brengt niet het minste begin van bewijs bij waaruit zou kunnen blijken dat zijn ouders ook maar enige concrete poging ondernomen hebben om zich tot de Spaanse instanties te wenden wat betreft de procedures en mogelijkheden die hem, als begeleide minderjarige, ter beschikking staan volgens het Unierecht met het oog op het regulariseren van zijn verblijf aldaar, laat staan dat zulks door omstandigheden buiten hun wil effectief onmogelijk zou zijn. Gelet op het voorgaande en mede in acht genomen dat noch verzoeker, noch zijn ouders een nood aan internationale bescherming ten aanzien van Spanje aannemelijk hebben gemaakt, zoals wordt toegelicht in de bestreden beslissing, besluit de Raad dat er, rekening houdend met de status van zijn gezinsleden in Spanje en de Unierechtelijke bepalingen betreffende de status van gezinsleden van begunstigden van internationale bescherming, geen grote obstakels voorhanden zijn die verzoeker ervan weerhouden om samen met zijn gezin terug te keren naar Spanje en zich daar te vestigen met zijn gezinsleden die er internationale bescherming en een verblijfsrecht genieten en dat niets hem aldus actueel dwingt om terug te keren naar Syrië. Dienvolgens kan in hoofde van verzoeker actueel geen nood aan internationale bescherming wordt vastgesteld.”
  2. Artikel 23 van richtlijn 2011/95/EU van 13 december 2011 ‘inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming’ luidt: “
  3. De lidstaten zorgen ervoor dat het gezin in stand kan worden gehouden. XIV-38.966-3/4
  4. De lidstaten waarborgen dat gezinsleden van de persoon die internationale bescherming geniet die zelf niet in aanmerking komen voor dergelijke bescherming aanspraak kunnen maken op de in de artikelen 24 tot en met 35 genoemde voordelen, overeenkomstig de nationale procedures en voor zover verenigbaar met de persoonlijke juridische status van het gezinslid. […]” Door met deze richtlijnbepaling rekening te houden bij de beoordeling van verzoekers verzoek om internationale bescherming, heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de artikelen 48/3 en 48/4 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ iuncto artikel 1, A), van het internationaal verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951, niet geschonden. Het enige middel is kennelijk ongegrond. BESLUIT:
  5. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  6. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op vijftien april tweeduizend tweeëntwintig, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.966-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ORD.14.846 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.