id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 09 mei 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ORD.14.889 Rolnummer: A. 235969/XIV-38990 Zaak: Cassatiebeschikking 14889 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 09/05/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-05-12 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-10 06:49 Fiche Beschikking nr 14.889 van 9 mei 2022 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 14.889 van 9 mei 2022 in de zaak A. 235.969/XIV-38.990 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pierre Robert kantoor houdend te 1000 Brussel Sint-Quentinstraat 3/3 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de staatssecretaris voor Asiel en Migratie ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 25 maart 2022, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 268.770 van 22 februari 2022 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 20 april 2022 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- Met een beslissing van de verwerende partij van 27 september 2021 die tot het bestreden arrest heeft geleid (hierna: de aanvankelijk bestreden beslissing) is verzoekers tweede aanvraag om machtiging tot verblijf met toepassing van artikel 9bis, § 1, van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet) niet- ontvankelijk verklaard omdat de door verzoeker aangehaalde elementen geen buitengewone XIV-38.990-1/6 omstandigheid vormen waarom hij de aanvraag tot verblijf niet kan indienen via de gewone procedure, namelijk via de diplomatieke of consulaire post bevoegd voor de verblijfplaats of de plaats van oponthoud in het buitenland. Het behoort tot de soevereine beoordelingsbevoegheid van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen om vast te stellen of de verwerende partij al dan niet op redelijke wijze heeft besloten tot het niet aangetoond van zijn van de in artikel 9bis, § 1, van de vreemdelingenwet bedoelde buitengewone omstandigheden, ook wanneer deze omstandigheden een ingeroepen algemene humanitaire situatie betreffen. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft de voornoemde bepaling niet geschonden door het “niet kennelijk onredelijk noch in strijd met artikel 9bis van de vreemdelingenwet [te beschouwen] om wanneer een algemene situatie die velen treft wordt aangevoerd om aan te tonen dat men niet terug kan naar een land, te verwachten dat aannemelijk wordt gemaakt dat men, net zoals velen, geraakt zal worden door deze situatie”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft hierbij overigens in acht genomen dat uit de aanvankelijk bestreden beslissing “niet [blijkt] dat een bepaalde situatie niet kan beschouwd worden als een buitengewone omstandigheid om de enkele reden dat deze situatie meerdere personen treft”. Het komt enkel de feitenrechter toe te oordelen of de ingeroepen situatie in redelijkheid al dan niet als een buitengewone omstandigheid in hoofde van de betrokkene kan worden beschouwd. Verzoeker betwist de juistheid van de door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen gegeven motieven doch dit houdt geen verband met de in artikel 39/65 vervatte jurisdictionele motiveringsplicht die het karakter heeft van een vormvereiste met beperkte draagwijdte. De interpretatie van een wetsbepaling, te dezen van het begrip buitengewone omstandigheden in artikel 9bis van de vreemdelingenwet, houdt geen verband met de door verzoeker ingeroepen bewijskracht van akten als bedoeld in de artikelen 8.3 en 8.6 van het Burgerlijk Wetboek. Het eerste middelonderdeel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. XIV-38.990-2/6
- Volgens verzoeker wordt in het bestreden arrest niet geantwoord op zijn kritiek dat in de aanvankelijk bestreden beslissing de door hem ingeroepen richtlijnen van de Hoge Commissaris voor de Vluchtelingen bij de Verenigde Naties en de aanbevelingen van het Europees Parlement niet worden geciteerd en dat deze aanbevelingen geen individuele toepassing van de algemene situatie vereisen. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt in het bestreden arrest dat verzoeker voorbijgaat aan de overige motieven van de aanvankelijk bestreden beslissing waar gesteld wordt dat verzoeker niet aantoont dat hij zich in buitengewone omstandigheden bevindt en waar omtrent de algemene situatie in Venezuela en “enkele algemene rapporten” wordt gemotiveerd wat volgt: “[Verzoeker] ondersteunt deze verklaring door enkele algemene rapporten die de situatie met betrekking tot de humanitaire crisis, de gezondheidszorg en de veiligheidssituatie in zijn land van herkomst beschrijven. Betrokkene blijft bij deze algemene verklaring. Hij past deze niet toe op zijn persoonlijke situatie. Hij legt geen bewijs voor met betrekking tot zijn eigen specifieke situatie. Het is niet onredelijk om van betrokkene te eisen dat hij op zijn minst een begin van persoonlijk bewijs dient te leveren. Het louter inroepen van rapporten die op algemene wijze melding maken van de schending van mensenrechten in een land of van een schrijnende toestand in dat land, volstaat niet. De loutere vermelding dat de politieke, economische en humanitaire situatie in het land waarvan hij de nationaliteit draagt ernstig en zorgwekkend is, volstaat niet om als buitengewone omstandigheid aanvaard te worden.” Met die overweging en dat citaat geeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aan dat het louter inroepen van algemene rapporten volgens hem niet volstaat en dat dit ook blijkt uit de motieven van de aanvankelijk bestreden beslissing. Hij geeft hiermee minstens impliciet aan dat hij verzoekers standpunt, afgeleid uit de richtlijnen van de Hoge Commissaris voor de Vluchtelingen bij de Verenigde Naties en de aanbevelingen van het Europees Parlement, niet aanvaardt. Daarmee heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen voldaan aan de op hem rustende jurisdictionele motiveringsplicht. Verder treedt de Raad van State als administratieve cassatierechter niet in de beoordeling van de zaak zelf en komt het hem derhalve niet toe de door de eerste rechter gemaakte beoordeling van de formele motivering van de aanvankelijk bestreden beslissing over te doen. XIV-38.990-3/6 Het tweede middelonderdeel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond.
- Dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest een ander standpunt inneemt over een “algemene situatie” als buitengewone omstandigheid in de zin van artikel 9bis van de vreemdelingenwet dan het standpunt dat volgens verzoeker wordt ingenomen in de richtlijnen van de Hoge Commissaris voor de Vluchtelingen bij de Verenigde Naties en de aanbevelingen van het Europees Parlement, houdt geen verband met de bewijskracht van een akte. Het derde middelonderdeel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond.
- Artikel 9bis van de vreemdelingenwet is een bepaling van zuiver intern recht waarop het Unierecht niet van toepassing is. Het vierde middelonderdeel is kennelijk niet-ontvankelijk.
- Uit de overweging in het bestreden arrest dat verzoeker de sluiting van het Belgische consulaat in Caracas niet heeft aangehaald als buitengewone omstandigheid in zijn aanvraag om machtiging tot verblijf zodat de verwerende partij er ook niet over kon of moest motiveren, blijkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen impliciet doch zeker de dienaangaande voorgehouden schending van de zorgvuldigheidsplicht verwerpt. Het vijfde middelonderdeel is kennelijk ongegrond. BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. XIV-38.990-4/6 XIV-38.990-5/6 Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op negen mei tweeduizend tweeëntwintig, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.990-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ORD.14.889 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div