← België

Cassatiebeschikking 14890 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 09/05/2022

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 09 mei 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ORD.14.890 Rolnummer: A. 236056/XIV-39000 Zaak: Cassatiebeschikking 14890 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 09/05/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-05-12 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-10 06:49 Fiche Beschikking nr 14.890 van 9 mei 2022 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 14.890 van 9 mei 2022 in de zaak A. 236.056/XIV-39.000 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat François Haenecour kantoor houdend te 7070 Le Roeulx rue Sainte-Gertrude 1 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de staatssecretaris voor Asiel en Migratie ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 5 april 2022, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 269.336 van 3 maart 2022 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 20 april 2022 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ en artikel 62 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ zijn niet van toepassing op jurisdictionele beslissingen zoals het bestreden arrest. Verzoeker kan er dan ook geen schending uit afleiden waar hij aanvoert dat “de eerste rechter […] dient te antwoorden op de door rekwirant aangevoerde middelen, hetgeen niet het geval lijkt te zijn, aangezien de rechter een conclusie heeft XIV-39.000-1/3 getrokken die duidelijk in strijd is met het administratieve dossier en niet verder gaat dan dat, met name wat betreft de belangenafweging die de Belgische staat dient te maken”. Hoe dan ook houdt de juistheid van de gegeven motieven geen verband met de jurisdictionele motiveringsplicht waaraan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dient te voldoen.
  2. Verzoeker voert aan dat “in het bestreden arrest wordt verklaard dat verzoeker geen rechtmatig belang heeft om te stellen dat zijn privé- en gezinsleven onevenredig worden aangetast door de afwijzing van zijn op grond van artikel 9bis van de [vreemdelingenwet] ingediende verblijfsaanvraag”. Hiermee gaat verzoeker voorbij aan het onderzoek in het bestreden arrest met verwijzing naar de motieven van de door hem voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aangevochten beslissing van de verwerende partij en aan het besluit in het bestreden arrest dat een schending van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend te Rome op 4 juni 1950, niet wordt aangetoond.
  3. In de mate dat verzoeker verwijst naar de situatie van zijn gezinsleden en hemzelf, vraagt hij een nieuwe beoordeling ten gronde. De Raad van State treedt als administratieve cassatierechter echter niet in de beoordeling van de zaak zelf. Om die reden mag de Raad van State zich ook niet in de plaats stellen van de eerste rechter door zelf de beoordeling van de formele motivering van de aangevochten beslissing van de verwerende partij over te doen.
  4. Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
  5. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  6. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. XIV-39.000-2/3 Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op negen mei tweeduizend tweeëntwintig, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-39.000-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ORD.14.890 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.