id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 31 mei 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ORD.14.908 Rolnummer: A. 235943/XIV-38988 Zaak: Cassatiebeschikking 14908 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 31/05/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-06-02 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-10 06:59 Fiche Beschikking nr 14.908 van 31 mei 2022 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 14.908 van 31 mei 2022 in de zaak A. 235.943/XIV-38.988 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Amber Simons kantoor houdend te 2000 Antwerpen Stijfselrui 48/101 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 23 maart 2022, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 268.346 van 15 februari 2022 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 20 april 2022 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- Eerste onderdeel van het eerste middel
- De door artikel 149 van de Grondwet aan de rechter en door artikel 39/65 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet) specifiek aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen opgelegde XIV-38.988-1/16 verplichting om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren heeft het karakter van een vormvereiste. Een uitspraak is gemotiveerd in de zin van de voornoemde bepalingen wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet die hem ertoe brengen die beslissing te nemen. Om te voldoen aan de jurisdictionele motiveringsplicht is het niet relevant of die motieven in rechte of in feite juist zijn. Wel moet de rechter expliciet of impliciet antwoorden op elke vraag, elke exceptie, elk middel en elk verweer van de partijen.
- In punt 2.2.8 van het bestreden arrest beoordeelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verzoeksters argumentatie dat de aanval door haar broer een daad van vervolging betreft, minstens dat hieruit een reëel risico op ernstige schade blijkt, als volgt: “2.2.
- Waar verzoekende partij in haar verzoekschrift benadrukt dat zij in 2018 door haar broer werd aangevallen en meent dat dit een daad van vervolging betreft, treedt de Raad verwerende partij evenwel bij in de motivering dat op basis van dit eenmalige incident in 2018 geen gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade kan worden afgeleid. Immers worden dienaangaande in de bestreden beslissing volgende pertinente vaststellingen gedaan: ‘U haalde aan dat uw broers uw genderidentiteit, sinds de dood van uw vader in 2002, niet kunnen accepteren (CGVS p. 7, 16). In september 2018 kwam het tot een fysieke confrontatie tussen u en uw broer I. (…) op straat, waarbij u een kaakbreuk opliep (CGVS p. 12-13). Uit uw verklaringen blijkt echter dat u doorgaans geen contact heeft met uw broers (CGVS p. 5). Daarenboven is dit het enige concrete incident dat zich voordeed met een van uw broers sinds de relatie met uw broers bekoeld is na de dood van uw vader in
- Luidens uw verklaringen uitte u zich nochtans al van kinds af aan als man en beleefde u ook na de dood van uw vader uw genderidentiteit openlijk (CGVS p. 7). U woont bovendien al jaren samen met uw vriendin, met wie u al sinds 1995 samen bent (CGVS p. 5-6). Op basis van dit eenmalige incident in 2018 kan dan ook geen gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade worden afgeleid. Bovendien blijkt uit uw houding dat uw problemen met uw broer zwaarwichtigheid ontberen. U bleef immers na dit incident nog meer dan anderhalf jaar in Bosnië alvorens Bosnië te verlaten. Gevraagd naar de reden waarom u niet vroeger uw land verliet, stelde u dat u medische zorg nodig had voor uw kaak (CGVS p. 17). Deze verklaring kan evenwel niet worden weerhouden ter rechtvaardiging van uw laattijdig vertrek. Uit de stempels in uw paspoort en uw verklaringen blijkt immers dat u op 20 september 2018, slechts enkele weken na het aanvaren met uw broer I. (…), reeds Bosnië-Herzegovina verliet en naar Duitsland reisde (CGVS p. 17). Bovendien heeft u ook nadien in 2019 nog verschillende malen Bosnië verlaten om naar Duitsland of België te reizen, alwaar u geen verzoek om internationale bescherming indiende en keerde u telkens op vrijwillige basis terug naar uw land van herkomst. Gevraagd om welke reden u niet eerder in Duitsland of België bleef, antwoordde u dat u moest werken om schulden af te betalen en dat u hoopte dat de situatie zou verbeteren (ibidem). Uw herhaaldelijke terugkeer naar uw land van herkomst zet de ernst van uw vrees echter danig op de helling. Van een persoon die daadwerkelijk een risico op vervolging en/of ernstige schade in zijn land van herkomst loopt kan immers redelijkerwijze worden verwacht dat hij of zij, na aankomst in landen die de Conventie van Genève hebben ondertekend en die de beschermingsmodaliteiten die erin voorzien XIV-38.988-2/16 zijn toepassen, zo snel mogelijk informatie vergaart over en een beroep doet op deze beschermingsmogelijkheden, quod non in casu.’. Door louter opnieuw te verwijzen naar dit incident en de ernst ervan te onderstrepen, doet verzoekende partij op geen enkele manier in concreto afbreuk aan bovenstaande vaststellingen. Wat betreft het feit dat zij na de aanval door haar broer in 2018 nog meer dan anderhalf jaar in Bosnië-Herzegovina bleef en bovendien nog verschillende keren naar het buitenland reisde en vervolgens terugkeerde naar Bosnië-Herzegovina, stelt de Raad vast dat verzoekende partij niet verder komt dan het louter herhalen van de uitleg die zij reeds gaf op het Commissariaat-generaal, met name dat zij haar land niet onmiddellijk kon verlaten omdat zij medische verzorging nodig had en dat de reizen in deze periode nodig waren om in haar levensonderhoud te voorzien. De Raad bemerkt evenwel dat het niet ernstig is dat zij enerzijds voorhoudt dat zij het land niet eerder kon verlaten omdat zij medische verzorging nodig had, doch vervolgens uit haar verklaringen blijkt dat zij reeds op 20 september 2018, slechts enkele weken na het aanvaren met haar broer I. reeds naar Duitsland reisde en zij ook in 2019 nog verschillende malen Bosnië verliet om naar Duitsland of België te reizen. De Raad onderstreept in navolging van de commissaris-generaal dat van een persoon die daadwerkelijk een risico op vervolging en/of ernstige schade in zijn land van herkomst loopt redelijkerwijze kan worden verwacht dat hij of zij, na aankomst in landen die de Conventie van Genève hebben ondertekend en die de beschermingsmodaliteiten die erin voorzien zijn toepassen, zo snel mogelijk informatie vergaart over en een beroep doet op deze beschermingsmogelijkheden, quod non in casu. De vaststelling dat verzoekende partij herhaaldelijk terugkeerde naar Bosnië-Herzegovina ondergraaft op ernstige wijze de ernst van de door haar voorgehouden vrees.” Verzoekster voert aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geen rekening heeft gehouden met haar argumentatie dat de overweging in de aanvankelijk bestreden beslissing dat zij geen contact meer heeft met haar broers irrelevant is omdat zij op straat werd aangevallen. Die stelling kan niet worden bijgevallen. Uit het voormelde punt 2.2.8 van het bestreden arrest blijkt immers dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen er oog voor heeft gehad dat de “fysieke confrontatie tussen [verzoekster] en [haar] broer […] op straat [plaatsvond]”, maar het gegeven dat uit verzoeksters verklaringen blijkt “dat [zij] doorgaans geen contact heeft met [haar] broers” wel een relevant element acht bij de beoordeling dat uit het eenmalig incident in 2018 geen gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade kan worden afgeleid aangezien hij dit bestempelt als een pertinente vaststelling uit de aanvankelijk bestreden beslissing. Evenmin kan verzoekster worden bijgevallen dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen met betrekking tot de door haar aangevoerde redenen waarom zij na de aanval door haar broer in 2018 nog meer dan anderhalf jaar in Bosnië-Herzegovina bleef en verschillende reizen naar het buitenland ondernam om dan telkens naar haar land terug te keren, enkel rekening heeft gehouden met haar argumentatie inzake medische verzorging en het voorzien in haar levensonderhoud en niet met haar argumentatie dat zij XIV-38.988-3/16 zich niet onmiddellijk bewust was van het feit dat haar individuele situatie recht zou kunnen geven op internationale bescherming, dat het niet evident is om alles en iedereen achter te laten en dat er ook op financieel vlak maatregelen moeten worden getroffen. In het voormelde punt 2.2.8 van het bestreden arrest overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen immers “in navolging van de commissaris-generaal dat van een persoon die daadwerkelijk een risico op vervolging en/of ernstige schade in zijn land van herkomst loopt redelijkerwijze kan worden verwacht dat hij of zij, na aankomst in landen die de Conventie van Genève hebben ondertekend en die de beschermingsmodaliteiten die erin voorzien zijn toepassen, zo snel mogelijk informatie vergaart over en een beroep doet op deze beschermingsmogelijkheden, quod non in casu”. Daarmee geeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen er blijk van rekening te hebben gehouden met verzoeksters argumentatie dat zij zich niet onmiddellijk bewust was van het feit dat haar individuele situatie recht zou kunnen geven op internationale bescherming, dat het niet evident is om alles en iedereen achter te laten en dat er ook op financieel vlak maatregelen moeten worden getroffen. Met die overweging heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen die argumentatie ook afdoende beantwoord en aldus, wat dat punt betreft, voldaan aan de op hem rustende jurisdictionele motiveringsplicht. In de mate dat verzoekster aanvoert dat “[i]n het bestreden arrest […] geheel onterecht [wordt] gesteld dat er louter opnieuw zou worden verwezen naar het incident van 2018, hetgeen effectief tot gevolg heeft dat de overige argumenten van de verzoekende partij niet werden beoordeeld”, betwist zij de juistheid van de beoordeling door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. De Raad van State vermag als administratieve cassatierechter echter niet die beoordeling over te doen. Voorts maakt verzoekster niet aannemelijk dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen bepaalde van haar argumenten, wat dit punt betreft, onbeantwoord zou hebben gelaten.
- Anders dan verzoekster stelt heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zowel de geweldpleging door haar broer uit 2018 als de “dagdagelijkse gedragingen en bedreigingen in haar omgeving” betrokken in het kader van zijn onderzoek of verzoekster aannemelijk maakt dat er sprake is van een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade. Na in het hiervoor geciteerde punt 2.2.8 te hebben onderzocht of uit de geweldpleging door haar broer een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade kan worden afgeleid, overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in punt 2.2.10 van het bestreden arrest immers: XIV-38.988-4/16 “2.2.
- Daar waar verzoekende partij nog wijst op de problemen met haar buren en onderstreept dat zij ook reeds fysiek werd aangevallen nu er ook met stenen werd gegooid, duidt de Raad erop dat in de bestreden beslissing, in tegenstelling tot wat verzoekende partij lijkt voor te houden, wel degelijk ook rekening gehouden werd met haar verklaring dat er soms ook met stenen naar haar werd gegooid. Evenwel wordt in verband met de door verzoekende partij aangehaalde pesterijen vanwege haar buren terecht het volgende gemotiveerd: ‘Verder stelde u dagelijks slachtoffer te zijn van bedreigingen (CGVS p. 16) en vreest vermoord te worden op straat (CGVS p. 18). Er dient evenwel geconcludeerd te worden dat u met deze bedreigingen slechts het verbale geweld bedoelt dat de mensen in uw omgeving tegen u gebruiken. U wordt regelmatig uitgescholden, bespuugd en soms wordt er met stenen naar u gegooid, wanneer u samen met uw partner op straat loopt (CGVS p.16-17 ). Ofschoon dergelijk gedrag van uw medeburgers uitermate laakbaar is, dient in alle redelijkheid te worden gesteld dat dit onvoldoende zwaarwichtig is om te kunnen gewagen van vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie of van ernstige schade zoals bepaald in de definitie van subsidiaire bescherming. Uw vrees om vermoord te worden kan op basis van deze krenkingen dan ook niet worden weerhouden.’.” Uit de voormelde overweging blijkt ook dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet enkel rekening heeft gehouden met het feit dat er met stenen naar verzoekster werd gegooid, maar ook met wat verzoekster in het verzoekschrift omschrijft als “de doodsbedreigingen, het spugen, het bekogelen met voorwerpen en dergelijke meer”. Dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen inzake die elementen verwijst naar de beoordeling ervan in de aanvankelijk bestreden beslissing, doet aan die vaststelling geen afbreuk. Uit de overweging dat in de oorspronkelijk bestreden beslissing “in verband met de door verzoekende partij aangehaalde pesterijen vanwege haar buren terecht het volgende [wordt] gemotiveerd”, blijkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen met die elementen rekening heeft gehouden en de beoordeling ervan door de commissaris-generaal bijvalt. Ten slotte kan uit de voormelde overweging ook duidelijk worden afgeleid dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de feiten die door verzoekster worden gekwalificeerd als “geestelijk geweld” niet beschouwt als een daad van vervolging in de zin van artikel 48/3 van de vreemdelingenwet. Ook dat argument is dus onderzocht en beantwoord.
- Verzoekster beweert ten onrechte dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet heeft geantwoord op haar argumentatie dat de bewijslast overeenkomstig artikel 48/7 van de vreemdelingenwet moet worden omgekeerd. In punt XIV-38.988-5/16 2.2.13 van het bestreden arrest overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen daaromtrent: “2.2.
- Waar verzoekende partij nog de schending aanhaalt van artikel 48/7 van de Vreemdelingenwet, dient te worden opgemerkt dat voormeld artikel bepaalt dat het feit dat een asielzoeker reeds werd vervolgd of ernstige schade heeft ondergaan, of reeds rechtstreeks bedreigd is met dergelijke vervolging of met dergelijke schade, een duidelijke aanwijzing vormt voor een gegronde vrees voor vervolging/een reëel risico op het lijden van ernstige schade, tenzij er goede redenen zijn om aan te nemen dat die vervolging of ernstige schade zich niet opnieuw zal voordoen. De Raad wijst er evenwel op dat verzoekende partij geenszins aannemelijk maakt dat zij reeds werd vervolgd in de zin van 48/7 van de Vreemdelingenwet. Verzoekende partij kan zich dan ook niet dienstig op de schending van voormeld artikel beroepen.” De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen blijkt aldus van oordeel dat verzoekster niet aannemelijk maakt dat zij in het verleden reeds werd vervolgd in de zin van artikel 48/7 van de vreemdelingenwet zodat zij zich niet dienstig kan beroepen op een schending van dat artikel. Anders dan verzoekster lijkt aan te voeren, is de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op grond van de op hem rustende jurisdictionele motiveringsplicht er niet toe gehouden in het bestreden arrest hieromtrent nog een nadere motivering op te nemen of “[e]nige motivering inzake de combinatie van het gewelddadig misdrijf en de (doods)bedreigingen als zijnde vervolging in de zin van artikel 48/7 van de vreemdelingenwet”.
- Voorts voert verzoekster aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen haar argumentatie – met verwijzing naar meerdere rapporten en citaten – dat de commissaris-generaal in de aanvankelijk bestreden beslissing niet kon concluderen dat er (voldoende) positieve signalen voor de LGBTIQ-gemeenschap in Bosnië- Herzegovina zijn, niet heeft beantwoord. Verzoekster heeft in dat verband aangevoerd dat uit het verslag Annual Report on the State of Human Rights of LGBTI Persons in Bosnia and Herzegovina blijkt dat er verschillende aanvallen zijn geweest in de publieke ruimte waarvan er geen enkele werd vervolgd als een haatmisdrijf, dat uit het werkdocument van de Europese Commissie eveneens een verwaarloosbare toepassing blijkt, dat het recht op privé/familieleven niet wordt erkend in het juridisch systeem zodat er sprake is van blijvende discriminatie, dat uit de COI Focus ‘Bosnië Algemene situatie’ blijkt dat de media en politici denigrerende taal gebruiken en intolerant zijn en een parlementslid heeft opgeroepen tot segregatie van LGBTIQ-leden, dat Human Rights Watch in het World Report 2020: Bosnia and Herzegovina vaststelt dat er weinig verbetering is in de bescherming van mensenrechten in 2019 en dat LGBTIQ-leden blijvend discriminatie en geweld moeten ondergaan en dat uit XIV-38.988-6/16 de COI Focus ‘Bosnië Algemene situatie’ blijkt dat er algemeen een wettelijk en institutioneel kader bestaat voor de naleving van de mensenrechten, maar dat er een aantal probleemgroepen blijven, waaronder LGBT-personen. Evenmin zou, aldus verzoekster, de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen hebben geantwoord op haar argumentatie dat de commissaris-generaal geen melding maakt van de talrijke bronnen die verwijzen naar de problemen in het Bosnische handhavings- en rechtssysteem, minstens deze bronnen selectief gebruikt en de enkele positieve evoluties uitlicht. Die argumentatie kan niet worden bijgevallen. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt immers in punt 2.2.7 van het bestreden arrest: “2.2.
- Vooreerst wijst de Raad erop dat verzoekende partij allerminst kan volstaan met een loutere verwijzing naar de algemene situatie van de LGBTIQ-gemeenschap in Bosnië-Herzegovina teneinde een gegronde vrees voor vervolging dan wel een reëel risico voor ernstige schade aannemelijk te maken. Immers wordt dienaangaande in de bestreden beslissing reeds opgemerkt dat op basis van de beschikbare informatie niet a priori kan worden aangenomen dat iedere transseksueel in Bosnië het risico loopt om het slachtoffer te worden van vervolging. Er dient te worden vastgesteld dat verzoekende partij geen andersluidende informatie bijbrengt waaruit blijkt dat de informatie waarop verwerende partij zich dienaangaande baseert niet (langer) correct is. Immers brengt zij desbetreffend louter dezelfde informatie aan als deze waarop verwerende partij zich steunt en die reeds aan het administratief dossier werd toegevoegd (bijlage 8 van het verzoekschrift; administratief dossier, stuk 6, map landeninformatie). Waar zij duidt op de tegenmarsen die werden georganiseerd op de dag van de Pride, en desbetreffend als bijlage bij haar verzoekschrift screenshots van een video op Facebook over dergelijke tegenmars voegt (bijlage 7 van het verzoekschrift), bemerkt de Raad dat ook op basis hiervan niet a priori kan worden aangenomen dat iedere transseksueel in Bosnië het risico loopt om het slachtoffer te worden van vervolging. Verzoekende partij dient dan ook haar vrees voor vervolging in concreto aan te tonen, alwaar zij evenwel, zo blijkt uit wat volgt, in gebreke blijft.” De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen is aldus van oordeel dat verzoekster in haar argumenten louter verwijst “naar de algemene situatie van de LGBTIQ- gemeenschap in Bosnië-Herzegovina teneinde een gegronde vrees voor vervolging dan wel een reëel risico voor ernstige schade aannemelijk te maken”, hetgeen “allerminst kan volstaan” aangezien “op basis van de beschikbare informatie niet a priori kan worden aangenomen dat iedere transseksueel in Bosnië het risico loopt om het slachtoffer te worden van vervolging” en hij stelt vervolgens vast dat verzoekster “geen andersluidende informatie bijbrengt waaruit blijkt dat de informatie waarop verwerende partij zich dienaangaande baseert niet (langer) correct is”. Hiermee heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verzoeksters argumentatie dat Bosnië-Herzegovina voor haar als lid van de LGBTIQ- gemeenschap niet als veilig land van herkomst kan worden beschouwd afdoende beantwoord XIV-38.988-7/16 en aldus voldaan aan de op hem rustende jurisdictionele motiveringsplicht wat dit punt betreft. Voorts betwist verzoekster ook de juistheid van de voormelde beoordeling door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, maar daarmee nodigt zij de Raad van State uit de appreciatie door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen over te doen. De Raad van State is als administratieve cassatierechter daartoe evenwel niet bevoegd.
- Inzake verzoeksters argumentatie dat zij op 15 april 2021 in Antwerpen werd aangevallen, overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in punt 2.2.11 van het bestreden arrest: “2.2.
- Daar waar verzoekende partij nog stelt dat zij op 15 april 2021 in Antwerpen werd aangevallen, en desbetreffend als bijlage bij haar verzoekschrift een proces- verbaal ‘Opzettelijke slagen en/of verwondingen’ d.d. 15 april 2021 voegt (bijlage 4 van het verzoekschrift), wijst de Raad erop dat dit incident waarbij verzoekende partij in een winkel het slachtoffer werd van transfoob geweld plaatsvond in België en dat hieruit geenszins een gegronde vrees voor vervolging dan wel een reëel risico op ernstige schade bij terugkeer naar Bosnië-Herzegovina kan worden afgeleid. Dit geldt des te meer nu in het proces-verbaal werd genoteerd dat verzoekende partij geen vermoedens had nopens de daders en geen beschrijving kon geven (zie bijlage 4 van het verzoekschrift). Uit niets blijkt dan ook dat haar belagers net als haar afkomstig zijn uit Bosnië-Herzegovina.” Uit niets blijkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen bij deze beoordeling geen acht zou hebben geslagen op stuk 5f – een medisch verslag van 19 juni 2021 waaruit blijkt dat verzoekster verklaart in april 2021 te zijn aangevallen door twee Albanese mannen – en stuk 5g – een medisch verslag van 25 augustus 2021 waaruit blijkt dat die aanval plaatsvond in een supermarkt met Balkanproducten in Antwerpen. Dat in het bestreden arrest hieromtrent enkel wordt verwezen naar het proces-verbaal van 15 april 2021 doet daaraan geen afbreuk. Zoals hierna uit de beoordeling van het tweede onderdeel van het eerste middel zal blijken, is de beoordeling van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen hieromtrent alvast niet in strijd met de bewoordingen en de inhoud van de stukken 5f en 5g. Verzoekster betwist ook de juistheid van de beoordeling door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dat uit niets blijkt dat haar belagers net als haar afkomstig zijn uit Bosnië-Herzegovina, doch dit houdt geen verband met de jurisdictionele motiveringsplicht als vormvereiste. Bovendien vraagt zij daarmee een nieuwe feitelijke XIV-38.988-8/16 beoordeling, terwijl de Raad van State als administratieve cassatierechter niet in de beoordeling van de zaak zelf treedt.
- Verzoekster somt vervolgens tal van argumenten op die zij heeft aangevoerd ter verklaring van het feit dat zij geen officiële klacht heeft ingediend tegen haar broer bij de politie. Volgens verzoekster heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geen (concreet) antwoord gegeven op haar uitgebreide argumentatie inzake onder meer de corruptie. Verzoeksters standpunt kan echter niet worden bijgevallen. In punt 2.2.9 van het bestreden arrest overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen omtrent de door verzoekster aangevoerde argumenten waarom zij geen officiële klacht heeft ingediend tegen haar broer bij de politie in Bosnië: “2.2.
- Wat betreft de bemerking van verzoekende partij dat zij geen officiële klacht heeft ingediend tegen haar broer bij de politie in Bosnië, omdat ‘de politie tegen mensen zoals haar is’, omwille van de corruptie in het land en uit vrees voor haar broer, onderstreept de Raad dat in de bestreden beslissing omstandig wordt vastgesteld dat verzoekende partij de nalatigheid van de Bosnische politie niet heeft kunnen hardmaken. Meer bepaald wijst verwerende partij desbetreffend op het volgende: ‘Aangaande uw verklaring dat de Bosnische autoriteiten, met wie u overigens aanvankelijk stelde nooit problemen te hebben gehad (CGVS p. 8), in de nasleep van uw aanvaren met uw broer I. (…) in 2018 niet correct zouden hebben opgetreden, dient te worden opgemerkt dat u de nalatigheid van de Bosnische politie niet heeft kunnen hardmaken. U beweerde dat uw broer beschermd wordt door de politie omdat de politie tegen mensen zoals u is (CGVS p. 13). Nochtans blijkt uit uw verklaringen en de door u neergelegde documenten dat de politie na het incident wel degelijk op de hoogte gebracht was en naar het ziekenhuis gekomen is (document 4 in uw administratieve dossier). Zowel u als uw partner werden ondervraagd over de feiten en de politie maakte een verslag op van deze verklaringen (CGVS p. 14). U heeft bovendien nadien geen enkele officiële stap ondernomen tegen uw broer. Zo diende u geen officiële klacht tegen hem in, omdat hij dreigde u te vermoorden indien u dat zou doen (CGVS p. 13-15). Dit kan uw nalaten ter zake echter niet rechtvaardigen. De bedoeling van het indienen van een klacht, bestaat er immers net in bescherming te krijgen en verdere escalatie van het conflict te vermijden. Indien u de autoriteiten niet vraagt op te treden, kan u hen vanzelfsprekend niet verwijten dit niet te doen. Uw verklaringen omtrent het gebrekkige optreden van de politie zijn bovendien geenszins eenduidig. Waar u immers aanvankelijk nog stelde dat u na het bezoek van de agenten aan het ziekenhuis geen contact meer opnam met de politie (CGVS p. 14), beweerde u verder tijdens het onderhoud dat u belde naar de politie maar dat u gezegd werd dat het een familiale kwestie betrof waar zij zich niet in zou mengen. Hiermee geconfronteerd, kwam u niet verder dan te herhalen dat u nadien nog naar de politie gebeld had (CGVS p. 15). Ook uw verklaring dat de politie de documenten van uw zaak zou verscheurd hebben (CGVS p. 15), raakt kant noch wal. U kon immers niet concretiseren om welke documenten dit zou gaan. Zo beweerde u aanvankelijke dat het om een klacht ging die u had ingediend. Geconfronteerd met uw eerdere stelling XIV-38.988-9/16 geen klacht te hebben ingediend, paste u uw verklaringen aan door te beweren dat zij de opgemaakte documenten na de getuigenis van uw partner verscheurden in het ziekenhuis (CGVS p. 14-15). Deze verklaringen zijn dan ook geenszins overtuigend. U stelde verder dat de politie betaald werd om deze documenten te verscheuren, maar ook dergelijke corruptieve praktijken kan u niet onderschrijven met objectieve elementen. Zo heeft u geen concrete indicaties dat de politie naar aanleiding van het door u ondergane geweldincident geld gekregen zou hebben om de zaak te laten rusten. Gevraagd om uw vermoedens te concretiseren, kwam u niet verder dan een louter herhalen dat u weet dat de situatie in Bosnië zo is. U maakte evenwel zelf nooit dergelijke ervaring met de politie mee, noch kon een ander concreet geval waar u zelf niet bij betrokken was, vermelden (CGVS p. 15-16).’. Door louter te herhalen dat de politie tegen mensen zoals haar is en opnieuw te verwijzen naar de corruptie in het land, stelt verzoekende partij voormelde motivering op geen enkele wijze in concreto in een ander daglicht.” De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen blijkt aldus van oordeel te zijn dat verzoekster in haar argumenten niets anders doet dan “louter te herhalen dat de politie tegen mensen zoals haar is en opnieuw [verwijst] naar de corruptie in het land” en daarmee de “motivering [van de aanvankelijk bestreden beslissing] op geen enkele wijze in concreto in een ander daglicht [stelt]”. Met dat antwoord heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen voldaan aan de op hem rustende jurisdictionele motiveringsplicht. Een nadere motivering wordt niet vereist en evenmin moet, gelet op die beoordeling, nog een specifiek en afzonderlijk antwoord worden geboden op de door verzoekster opgesomde concrete argumenten. Voor zover verzoekster aanvoert dat “[d]e Raad voor Vreemdelingenbetwistingen […] volledig onterecht [stelt] dat zou worden herhaald dat de politie tegen mensen zoals haar is en dat er opnieuw zou worden verwezen naar corruptie in het land”, vraagt zij hiermee opnieuw een beoordeling van de zaak zelf. Zoals reeds is aangegeven, is de Raad van State als administratieve cassatierechter daarvoor niet bevoegd.
- Ten onrechte voert verzoekster ten slotte aan dat in het bestreden arrest niet wordt ingegaan op haar argumentatie dat zij “medische en psychiatrische problemen ondervindt waardoor zij het persoonlijk onderhoud bij het CGVS als uitermate stresserend ervaarde en haar geheugen heel slecht is”, dat zij te kennen gaf “tijdens het persoonlijk onderhoud een kalmeermiddel te hebben gebruikt” en dat met haar “kwetsbaarheid en/of psychische stoornissen […] rekening moest worden gehouden om [haar] geloofwaardigheid […] te beoordelen”. Inzake verzoeksters argumentatie waarom zij geen eenduidige verklaringen heeft afgelegd over het politieoptreden na de aanval door haar XIV-38.988-10/16 broer in 2018 overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in punt 2.2.9 van het bestreden arrest: “Daar waar zij in verband met de vaststelling dat zij geen eenduidige verklaringen aflegt over het gebrekkig optreden van de politie nog opwerpt dat er eerder sprake lijkt te zijn van interpretatieproblemen, dat zij bovendien ernstige verwondingen aan het hoofd en een kaakletsel had opgelopen tijdens de traumatische aanval, dat deze gebeurtenissen drie jaar geleden plaatsvonden onder zware omstandigheden en dat tevens rekening gehouden moet worden met haar psychische problemen en hartproblemen, waaromtrent zij verschillende medische stukken neerlegt (bijlage 6 van het verzoekschrift), stelt de Raad evenwel vast dat nergens uit de door haar bijgebrachte medische stukken blijkt dat haar cognitief geheugen is aangetast waardoor zij niet in staat zou zijn een coherent en consistent relaas naar voor te brengen. Overigens wordt verzoekende partij in het medisch verslag d.d. 5 september 2018 van het ziekenhuis in Sarajevo waar zij werd opgenomen naar aanleiding van de aanval (bijlage 6b van het verzoekschrift) omschreven als ‘bewust, georiënteerd, communicatief’. Aangezien zij niet aantoont dat zij kampt met geheugenproblemen, mag van verzoekende partij redelijkerwijze worden verwacht dat zij nog zou weten of zij na het bezoek van de politie in het ziekenhuis al dan niet nog contact had opgenomen met de politie om te polsen naar haar zaak en hierover eenduidige verklaringen zou afleggen. Dat zij eerst duidelijk stelt dat zij geen contact meer heeft opgenomen met de politie nadat zij waren langsgekomen in het ziekenhuis (notities CGVS, p.14), maar nadien verklaart dat zij nog gebeld heeft naar de politie om te vragen hoe het staat met haar zaak (notities CGVS, p. 15)- verklaringen die geenszins voor interpretatie vatbaar zijn- doet dan ook afbreuk aan de geloofwaardigheid van haar beweerde gebrekkige optreden van de politie.” Aldus blijkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wel rekening heeft gehouden met de door verzoekster aangevoerde psychische problemen en medicatiegebruik zoals gestaafd met diverse medische verslagen, inzonderheid de fiche ‘contact Dispatching’ van Fedasil, het medisch verslag van 20 september 2021 en het medisch verslag van 19 juni
- De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen oordeelt evenwel dat verzoeksters kwetsbaarheid en psychische problemen geen invloed kunnen hebben op haar verklaringen en geloofwaardigheid en – anders dan verzoekster aanvoert – licht hij dit ook toe door te overwegen dat verzoekster “niet aantoont dat zij kampt met geheugenproblemen” en dat uit de bijgebrachte medische stukken niet blijkt dat “zij niet in staat zou zijn een coherent en consistent relaas naar voor te brengen”. Wat voorafgaat noopt tot het besluit dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wel degelijk alle stukken hieromtrent bij zijn beoordeling heeft betrokken en verzoeksters argumentatie op dit punt afdoende heeft beantwoord. XIV-38.988-11/16 In de mate dat verzoekster ook nog de juistheid van de voormelde beoordeling door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in twijfel trekt, wordt herhaald dat de Raad van State die beoordeling niet opnieuw mag doen.
- Het eerste onderdeel van het eerste middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. Tweede onderdeel van het eerste middel
- De artikelen 1319, 1320 en 1322 van het oud Burgerlijk Wetboek (tzijn opgeheven met ingang van 1 november 2020, terwijl het bestreden arrest dateert van 15 februari
- Anders dan verzoekster aanvoert, oordeelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet op grond van het medisch verslag van 5 september 2018 dat verzoeksters cognitief geheugen niet is aangetast. Wel overweegt hij dat verzoekster “niet aantoont dat zij kampt met geheugenproblemen”, aangezien “nergens uit de door [verzoekster] bijgebrachte medische stukken blijkt dat haar cognitief geheugen is aangetast waardoor zij niet in staat zou zijn een coherent en consistent relaas naar voor te brengen”, waarbij hij louter opmerkt dat verzoekster “[o]verigens […] in het medisch verslag d.d. 5 september 2018” is “omschreven als ‘bewust, georiënteerd, communicatief”.
- Noch uit de fiche ‘contact Dispatching’ van Fedasil, het medisch verslag van 20 september 2021 of het medisch verslag van 19 juni 2021 blijkt onomstotelijk dat verzoeksters cognitief geheugen is aangetast waardoor zij niet in staat zou zijn een coherent en consistent relaas naar voor te brengen. Met het oordeel dat “nergens uit de door [verzoekster] bijgebrachte medische stukken blijkt dat haar cognitief geheugen is aangetast waardoor zij niet in staat zou zijn een coherent en consistent relaas naar voor te brengen” heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dan ook geen betekenis aan die stukken gegeven die in strijd is met de bewoordingen of de inhoud ervan.
- Uit het medisch verslag van 19 juni 2021 blijkt dat verzoekster heeft verklaard in april 2021 te zijn aangevallen door twee Albanese mannen. Uit het medisch verslag van 25 augustus 2021 blijkt dat die aanval plaatsvond in een supermarkt met Balkanproducten in Antwerpen. Uit het proces-verbaal van 15 april 2021 blijkt dat XIV-38.988-12/16 verzoekster geen vermoedens heeft nopens de daders en geen beschrijving kan geven. Uit geen van die stukken kan worden afgeleid dat de daders van het incident op 15 april 2021 afkomstig zouden zijn uit Bosnië-Herzegovina. Het is dan ook geenszins in strijd met de bewoordingen en de inhoud van die stukken dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest overweegt dat “[u]it niets blijkt […] dat [verzoeksters] belagers net als haar afkomstig zijn uit Bosnië-Herzegovina”.
- Verzoekster toont niet aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de inhoud van het verzoekschrift en van de medische stukken in het dossier heeft miskend. Derhalve blijkt geen schending van “het beginsel van de bewijskracht van stukken overeenkomstig de artikelen 8.17, 8.18 en 8.1, 2° van het Burgerlijk Wetboek, minstens het principe van de bewijskracht dat geldt voor alle geschreven stukken”, zoals aangevoerd door verzoekster.
- Het tweede onderdeel van het eerste middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. Tweede middel
- De materiëlemotiveringsplicht als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, artikel 62, § 2, eerste lid, van de vreemdelingenwet en de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ zijn niet van toepassing op jurisdictionele beslissingen zoals het bestreden arrest waarmee met hervormingsbevoegdheid uitspraak is gedaan over een beroep tegen een beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen tot weigering van een verzoek om internationale bescherming.
- Omtrent de toepassing van de formele- en de materiëlemotiveringsplicht oordeelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in punt 2.2.3 van het bestreden arrest: “2.2.
- Aan de formele motiveringsplicht, zoals voorgeschreven in artikel 62, § 2, eerste lid van de Vreemdelingenwet en in de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, is voldaan. Deze formele motiveringsplicht heeft tot doel de betrokkene een zodanig inzicht in de motieven van de beslissing te verschaffen, dat hij in staat is te weten of het zin heeft zich tegen die beslissing te verweren met de middelen die het recht hem verschaft (RvS 2 februari 2007, nr. 167.408; RvS 15 februari 2007, nr. 167.852). Uit de XIV-38.988-13/16 bewoordingen van het verzoekschrift blijkt dat verzoekende partij de motieven van de bestreden beslissing volledig kent en inhoudelijk aanvecht. Zij maakt verder niet duidelijk op welk punt deze motivering haar niet in staat stelt te begrijpen op welke juridische en feitelijke gegevens de door haar bestreden beslissing is genomen derwijze dat hierdoor niet zou zijn voldaan aan het hiervoor uiteengezette doel van de formele motiveringsplicht. De materiële motiveringsplicht, de vereiste van deugdelijke motieven, houdt in dat een administratieve rechtshandeling, in casu de bestreden beslissing van de commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, op motieven moet steunen waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte ter verantwoording van de beslissing in aanmerking kunnen genomen worden. Dit onderdeel van het middel zal dan ook vanuit dit oogpunt worden onderzocht.” Hieruit blijkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, anders dan verzoekster aanvoert, de inhoud van de formele- en de materiëlemotiveringsplicht niet heeft miskend of door elkaar gehaald.
- Voor zover verzoekster, met verwijzing naar de overweging in fine van het bestreden arrest dat “de bestreden beslissing is gesteund op pertinente en draagkrachtige motieven die de Raad bevestigt en overneemt”, aanvoert dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geen beoordeling heeft gemaakt van de door haar aangevoerde schending van de materiëlemotiveringsplicht maar enkel van de formelemotiveringsplicht, gaat zij geheel voorbij aan de concrete motieven in de punten 2.2.6 tot 2.2.12 van het bestreden arrest.
- In zoverre verzoekster aanvoert dat de opgeworpen schending van de materiëlemotiveringsplicht minstens niet correct is onderzocht, vraagt zij in wezen aan de Raad van State om die beoordeling over te doen, hetgeen de Raad als administratieve cassatierechter niet vermag.
- Het tweede middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
- Verzoekster wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. XIV-38.988-14/16 XIV-38.988-15/16 Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op eenendertig mei tweeduizend tweeëntwintig, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.988-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ORD.14.908 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div