id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 31 mei 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ORD.14.909 Rolnummer: A. 236280/XIV-39024 Zaak: Cassatiebeschikking 14909 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 31/05/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-06-02 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-10 06:59 Fiche Beschikking nr 14.909 van 31 mei 2022 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 14.909 van 31 mei 2022 in de zaak A. 236.280/XIV-39.024 In zake :
- XXXXX
- XXXXX
- XXXXX
- XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jonathan Waldmann kantoor houdend te 4020 Luik rue Jondry 2A bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 2 mei 2022, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 270.708 van 30 maart 2022 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 11 mei 2022 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- Wat de ontvankelijkheid van het cassatieberoep in hoofde van derde en vierde verzoeker betreft, dient te worden opgemerkt dat degene die een cassatieberoep bij de Raad van State wil instellen niet enkel een belang moet laten blijken maar ook moet partij geweest zijn in het door het cassatieberoep bestreden arrest. Te dezen waren derde en vierde XIV-39.024-1/4 verzoeker geen partij in het geding voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, zodat het cassatieberoep in hunnen hoofde kennelijk niet-ontvankelijk is.
- De verzoekers hebben het beroep dat heeft geleid tot het bestreden arrest ingesteld tegen twee beslissingen van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 27 mei 2021 (hierna: de aanvankelijk bestreden beslissingen) waarmee hun volgend verzoek om internationale bescherming niet-ontvankelijk werd verklaard omdat er geen nieuwe elementen of feiten blijken die de kans aanzienlijk groter maken dat zij voor erkenning als vluchteling of voor subsidiaire bescherming in aanmerking komen, dit overeenkomstig artikel 57/6/2, § 1, van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet). Artikel 57/6, § 3, eerste lid, 5°, van deze wet voorziet dat dergelijke verzoeken om internationale bescherming niet-ontvankelijk kunnen worden verklaard indien “er geen nieuwe elementen of bevindingen aan de orde zijn gekomen of door de verzoeker werden voorgelegd overeenkomstig artikel 57/6/2”. Naar luid van artikel 39/57, § 1, tweede lid, 3°, eerste zin, van de vreemdelingenwet wordt het in artikel 39/2 van deze wet bedoelde beroep ingediend bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen “binnen tien dagen na de kennisgeving van de beslissing waartegen het is gericht” indien het beroep is gericht tegen een in artikel 57/6, § 3, eerste lid van de vreemdelingenwet bedoelde beslissing van niet-ontvankelijkheid. Artikel 39/57, § 2, van de vreemdelingenwet bepaalt de wijze waarop de termijn moet worden berekend.
- De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, die, na te hebben gewezen op de voormelde beroepstermijn en de berekening ervan, heeft vastgesteld dat de aanvankelijk bestreden beslissingen op (donderdag) 27 mei 2021 werden overhandigd aan de postdiensten, dat moet worden aangenomen dat de kennisgeving ervan op (dinsdag) 1 juni 2021 is gebeurd, dat de uiterste datum voor het indienen van het beroep bijgevolg 10 juni 2021 was en dat het op 11 juni 2021 aangetekend verzonden verzoekschrift tot beroep bijgevolg buiten de wettelijke termijn werd ingediend, heeft daarmee artikel 39/57 van de vreemdelingenwet niet geschonden. De kritiek van de verzoekers dat de in artikel 39/57, § 2, eerste lid, 2°, van de vreemdelingenwet bedoelde “derde werkdag die volgt op die waarop de brief aan de postdiensten overhandigd werd” in dat geval op “woensdag 2 mei 2020” zou XIV-39.024-2/4 vallen is kennelijk ongegrond, ook indien zou worden aangenomen dat de verzoekers daarmee woensdag 2 juni 2021 bedoelen.
- De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt in het bestreden arrest: “Ter terechtzitting repliceren verzoekende partijen dat indien de verwerende partij meent dat een verkorte beroepstermijn van toepassing is, er ook voor haar een verkorte termijn geldt om de bestreden beslissingen te nemen en dat zij deze eveneens moet respecteren om de wapengelijkheid niet in het gedrang te brengen. Zo niet is er een schending van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, aldus verzoekende partijen. Verzoekende partijen kunnen in dit betoog niet worden gevolgd. De wet verbindt geen sanctie aan het gegeven dat de commissaris-generaal bij het nemen van de bestreden beslissingen op grond van artikel 57/6/2 van de Vreemdelingenwet juncto artikel 57/6, § 3, eerste lid, 5° van dezelfde wet, de in artikel 57/6, § 3, vierde lid gestelde termijn van tien werkdagen niet heeft gerespecteerd. Ook al heeft de commissaris-generaal de bestreden beslissingen in casu genomen buiten de voorziene termijn van 10 werkdagen, de beroepstermijn is steeds 10 dagen waarop geen uitzondering bestaat, behoudens wanneer overmacht wordt aangetoond. Dit staat ook zo vermeld op de kennisgeving van de bestreden beslissingen en wordt tevens door verzoekende partijen in hun verzoekschrift herhaald. Dat verzoekende partijen door de verwerende partij op het verkeerde been zouden zijn gezet, is niet ernstig. Nu geen overmacht is aangetoond, kan de Raad niet anders dan besluiten dat het beroep laattijdig is en om die reden onontvankelijk.” In het licht van de voormelde redengeving, tonen de verzoekers geen schending aan van de jurisdictionele motiveringsplicht in de mate dat hun kritiek niet zou zijn beantwoord met betrekking tot het gelden van een beroepstermijn van 30 dagen in plaats van 10 dagen.
- Omdat de verwerende partij de aanvankelijk bestreden beslissingen niet binnen een termijn van 10 dagen heeft genomen, menen de verzoekers dat hun eigen beroepstermijn moet worden verlengd tot 30 dagen, dit naar analogie met de in artikel 57/6/1, § 1, van de vreemdelingenwet bedoelde gevallen indien de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen geen beslissing heeft genomen binnen de termijn van 15 dagen. Die kritiek faalt naar recht. Er geldt geen sanctie bij het overschrijden van de te dezen geldende beslissingstermijn van 10 dagen voor de verwerende partij. Anders dan artikel 57/6/1, § 1, van de vreemdelingenwet voorziet overigens noch artikel 57/6, § 3, eerste lid, 5°, noch artikel 57/6/2, § 1, van de vreemdelingenwet een XIV-39.024-3/4 mogelijkheid voor de verwerende partij om al dan niet voor een verkorte procedure te kiezen.
- De verzoekers zetten niet uiteen op welke wijze de overige in het opschrift van het middel aangehaalde bepalingen zouden zijn geschonden met het bestreden arrest.
- Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
- Eerste en tweede verzoeker worden verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 400 euro, elk voor de helft. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op eenendertig mei tweeduizend tweeëntwintig, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-39.024-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ORD.14.909 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.