id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 01 juni 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ORD.14.915 Rolnummer: A. 236207/XIV-39014 Zaak: Cassatiebeschikking 14915 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 01/06/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-06-07 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-06-10 06:59 Fiche Beschikking nr 14.915 van 1 juni 2022 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 14.915 van 1 juni 2022 in de zaak A. 236.207/XIV-39.014 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Julien Hardy kantoor houdend te 1348 Louvain-la-Neuve rue de la Draisine 2/004 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de staatssecretaris voor Asiel en Migratie ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 21 april 2022, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 270.300 van 23 maart 2022 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het administratief dossier is op 11 mei 2022 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- Artikel 39/57, § 2, 2°, van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet) bepaalt dat de in § 1 van dit artikel bepaalde beroepstermijnen beginnen te lopen “wanneer de kennisgeving is gebeurd bij aangetekende brief of bij gewone brief, vanaf de derde werkdag die volgt op die waarop de brief aan de postdiensten overhandigd werd, tenzij de geadresseerde het tegendeel bewijst”. XIV-39.014-1/3 De voormelde bepaling verplicht de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen er niet toe uitdrukkelijk vast te stellen dat de postbode bij de aanbieding van de aangetekende brief een bericht in de brievenbus heeft achtergelaten. In die mate faalt verzoeksters kritiek naar recht. Na te hebben vastgesteld dat de verwerende partij niet ten onrechte, op onredelijke of onzorgvuldige wijze het adres van het opvangcentrum te Jodoigne heeft beschouwd als verzoeksters gekozen woonplaats, overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest dat de beslissing van de verwerende partij van 8 oktober 2021 rechtsgeldig ter kennis werd gebracht op 3 november 2021, dat de beroepstermijn is beginnen lopen vanaf 8 november 2021 en dat het op 3 januari 2022 ingestelde beroep tot nietigverklaring laattijdig is. De Raad van State treedt als administratieve cassatierechter niet in de beoordeling van de zaak zelf en onderzoekt dus niet in de plaats van de eerste rechter wanneer de kennisgeving van de beslissing van de verwerende partij is gebeurd, noch of verzoekster al dan niet het in artikel 39/57, § 2, 2°, van de vreemdelingenwet bedoelde tegenbewijs heeft geleverd. Overigens beperkt verzoekster zich tot de kritiek dat in het bestreden arrest niet uitdrukkelijk melding wordt gemaakt van een in de brievenbus achtergelaten bericht, zonder zelf echter enig tegenbewijs aan te voeren.
- Artikel 27 van verordening nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 ‘tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend’ heeft geen betrekking op het berekenen van de beroepstermijn betreffende een beslissing zoals de te dezen voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aangevochten beslissing van de verwerende partij. Hoe dan ook heeft de door verzoekster voorgestelde prejudiciële vraag, ook wat artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie betreft, betrekking op de grond van de zaak terwijl de Raad van State als administratieve cassatierechter niet bevoegd is om zich daarover uit te spreken nadat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft vastgesteld dat de kennisgeving aan verzoekster rechtsgeldig is gebeurd. De voorgestelde prejudiciële vraag is dan ook niet dienstig voor de oplossing van het geschil.
- Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. XIV-39.014-2/3 BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
- Verzoekster wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op een juni tweeduizend tweeëntwintig, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-39.014-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ORD.14.915 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div