← België

Cassatiebeschikking 14916 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 01/06/2022

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 01 juni 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ORD.14.916 Rolnummer: A. 236263/XIV-39023 Zaak: Cassatiebeschikking 14916 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 01/06/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-06-07 Raadplegingen: 72 - laatst gezien 2026-06-10 06:59 Fiche Beschikking nr 14.916 van 1 juni 2022 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 14.916 van 1 juni 2022 in de zaak A. 236.263/XIV-39.023 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Dominique Andrien en Joséphine Paquot kantoor houdend te 4000 Luik Mont Saint Martin 22 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 29 april 2022, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 270.481 van 25 maart 2022 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 11 mei 2022 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. Verzoekster acht het recht van verdediging, het effectiviteitsbeginsel en een aantal nationale en supranationale bepalingen geschonden omdat, anders dan in het bestreden arrest wordt geoordeeld, “in casu […] op basis van de aangevoerde gronden niet [kan] worden geconcludeerd dat daadwerkelijk toegang is verleend tot het dossier op basis waarvan verweerder zijn besluit heeft genomen”. XIV-39.023-1/3 Verzoekster geeft niet aan van welk concreet element uit het administratief dossier zij geen kennis zou hebben kunnen nemen. Zij gaat er verder aan voorbij dat, indien zij in de loop van de procedure van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen kennis zou hebben gekregen van elementen uit het administratief dossier die zij voorheen niet kon kennen, zij alsnog een nieuw middel zou kunnen opwerpen. Het eerste middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond.
  2. De beoordeling in het bestreden arrest “dat verzoekster zelf meent dat er in Somalië geen zwaarwegende gronden voorhanden zijn die erop wijzen dat zij bij een terugkeer naar dit land een reëel risico zou lopen op ernstige schade in de zin van artikel 48/4, § 2, c), van de vreemdelingenwet” vormt wel degelijk mede een antwoord op verzoeksters argumentatie dat er rekening mee moet worden gehouden dat zij nooit in Somalië heeft gewoond en “dat haar terugkeer naar een gevaarlijk land in oorlog waar zij niemand kent, geen onderdak heeft om op een fatsoenlijke manier te leven, haar blootstelt aan ernstige schade in de zin van artikel 48/4, § 2, c)”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen stelt in het bestreden arrest immers vast dat verzoeksters kennis over de Somalische afkomst van haar familie en de achtergrond van haar vader lacunair is, dat het feit dat verzoekster nooit in Somalië heeft gewoond hiervoor geen afdoende verklaring biedt, dat redelijkerwijs kan worden verwacht dat verzoeksters moeder haar zou hebben ingelicht over essentiële elementen met betrekking tot haar leven in Somalië zoals de redenen voor hun vertrek, hun herkomst in Somalië en de aanwezigheid van familieleden aldaar, dat verzoekster minstens in staat is om hierover meer informatie te krijgen van haar moeder, temeer daar geen geloof kan worden gehecht aan verzoeksters verklaringen als zou zij geen contact meer hebben met hen, dat van verzoekster kan worden verwacht dat zij ernstige pogingen onderneemt om zich te informeren over de voor haar verzoek om internationale bescherming relevante elementen waarvan zij geen kennis heeft, temeer gelet op het belang van deze informatie voor de inschatting van haar nood aan internationale bescherming bij een terugkeer naar Somalië en dat verzoekster dus geen zicht wil bieden op haar regio van herkomst en de aanwezigheid van een netwerk in geval van een terugkeer naar Somalië. XIV-39.023-2/3 Verzoekster maakt wat dat betreft dan ook geen schending aannemelijk van de jurisdictionele motiveringsplicht noch van artikel 48/4 van de vreemdelingenwet. Het tweede middel is kennelijk ongegrond. BESLUIT:
  3. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  4. Verzoekster wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op een juni tweeduizend tweeëntwintig, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-39.023-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ORD.14.916 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.