id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 10 juni 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ORD.14.927 Rolnummer: A. 236249/XIV-39018 Zaak: Cassatiebeschikking 14927 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 10/06/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-06-14 Raadplegingen: 71 - laatst gezien 2026-06-10 07:02 Fiche Beschikking nr 14.927 van 10 juni 2022 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 14.927 van 10 juni 2022 in de zaak A. 236.249/XIV-39.018 In zake :
- XXXXX
- XXXXX
- XXXXX
- XXXXX
- XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Marie Doutrepont kantoor houdend te 1210 Brussel Haachtsesteenweg 55 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 27 april 2022, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 271.048 van 8 april 2022 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is aangekomen ter griffie op 11 mei
- Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- Ontvankelijkheid van het cassatieberoep in hoofde van derde en vierde verzoekers
- Wat de ontvankelijkheid van het cassatieberoep in hoofde van derde XIV-39.018-1/11 en vierde verzoekers betreft, dient te worden opgemerkt dat degene die een cassatieberoep bij de Raad van State wil instellen niet enkel een belang moet laten blijken maar ook moet partij geweest zijn in het door het cassatieberoep bestreden arrest. Te dezen waren derde en vierde verzoekers geen partij in het geding voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, zodat het cassatieberoep in hunnen hoofde kennelijk niet-ontvankelijk is. Eerste middel
- De verzoekers werpen een schending op van de artikelen 3 en 13 van het EVRM, waarbij zij uiteenzetten dat “deze middelen […] niet [werden] ingeroepen voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen omdat de uiteengezette elementen zich hebben voorgedaan nadat de zaak was in beraad genomen”, dat de “verzoekers […] overigens van hetgeen voorafgaat pas heel recentelijk [zijn] geïnformeerd geweest door Mevr. [J.B.] en […] hier dan ook niet voordien de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen over [hadden] kunnen informeren. Zij vervolgen dat “het in het middel ingeroepen risico op schending van art. 3 EVRM […] uiteraard betrekking [heeft] tot het risico dat zou worden opgelopen door de verzoekers in geval van een terugkeer naar El Salvador”, dat “dit risico […] dus reeds sinds de aankomst van de verzoekende partijen op het Belgisch grondgebied [bestaat], in 2018”, dat “dit risico […] aldus proprio motu onderzocht moeten zijn geweest door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, gezien dit een middel van openbare orde betreft”, dat “door dit niet te doen […] het bestreden arrest de middelen geviseerd in het middel [heeft] geschonden” en dat het aldus past voor de eerste keer voor de Raad van State “om een risico op schending van art. 3 en 13 EVRM in geval van terugkeer van verzoekende partijen naar El Salvador, te onderzoeken”.
- De verzoekers hebben voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wel degelijk een schending ingeroepen van artikel 3 van het EVRM, waarvan in het bestreden arrest wordt geoordeeld dat de bevoegdheid van de verwerende partij te dezen is beperkt tot het onderzoek naar de nood aan internationale bescherming in de zin van de artikelen 48/3 en 48/4 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet). De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen merkt ook op dat de voor hem bestreden beslissingen van de verwerende partij (hierna: de aanvankelijk bestreden beslissingen) geen verwijderingsmaatregel inhouden. De verzoekers bekritiseren deze motieven niet, noch zetten zij uiteen in welke mate de in het bestreden XIV-39.018-2/11 arrest gemaakte beoordeling op grond van artikel 48/4, § 2, van de vreemdelingenwet, in de mate dat de bewoordingen hiervan overeenstemmen met die van artikel 3 van het EVRM, niet zouden volstaan in het licht van deze laatste verdragsbepaling. De Raad van State treedt als administratieve cassatierechter niet in de beoordeling van de zaak zelf. De verzoekers kunnen zich derhalve niet beroepen op omstandigheden of elementen die dateren van na het bestreden arrest om bij de Raad van State alsnog een onderzoek naar een risico op een schending van artikel 3 van het EVRM te vragen. Desgewenst kunnen zij immers een volgend verzoek om internationale bescherming indienen.
- De schending van artikel 13 van het EVRM betreffende het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel kan niet op zichzelf worden ingeroepen, maar moet steeds samen met de schending van andere door het verdrag beschermde rechten en vrijheden worden opgeworpen. Te dezen koppelen de verzoekers de schending van artikel 13 van het EVRM enkel aan de schending van artikel 3 van het EVRM. Het middel is wat deze laatste verdragsbepaling betreft verworpen. Vermits de schending van een ander door het EVRM beschermd recht of vrijheid dus niet aan de orde is, is het enige middel niet-ontvankelijk wat de voorgehouden schending van artikel 13 van het EVRM betreft.
- Het eerste middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. Tweede middel
- De verzoekers wijzen op het absolute karakter van de artikelen 3 en 13 van het EVRM. Zij verwijzen naar een andere zaak die volgens hen “intiem is gelinkt” met hun eigen zaak en waarin het Europees Hof voor de Rechten van de Mens vragen zou hebben gesteld aan de verwerende partij. Volgens de verzoekers mocht derhalve “een voorzichtige houding worden verwacht van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen waar er een zulk geloofwaardig risico op schending van deze bepalingen voor hem werd ingeroepen” en “mocht aldus minstens van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen worden verwacht dat het de bestreden beslissingen zou vernietigen voor nader onderzoek wat betreft dit specifiek aspect van de zaak”. XIV-39.018-3/11
- Zoals reeds aangegeven, treedt de Raad van State als administratieve cassatierechter niet in de beoordeling van de zaak zelf. Hij is derhalve niet bevoegd om te oordelen of de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen te dezen al dan niet “een voorzichtige houding” heeft aangenomen of moest aannemen. De verzoekers gaan bovendien volledig voorbij aan de omstandige motivering in het bestreden arrest waar onder meer wordt ingegaan op de andere door de verzoekers aangehaalde zaak en de in die zaak door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens gestelde vragen.
- Het tweede middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. Derde middel
- In een eerste middelonderdeel verwijzen de verzoekers naar een stuk uit het administratief dossier. Volgens hen kon de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen “gelet op dit element […] niet vereisen van verzoekers dat zij concreter dan dit zouden aantonen dat zij inderdaad vervolgd worden indien zij tegen één van de machtigste mara- leiders van het land een klacht zouden gaan indienen” en mag men “van verzoekers niet verwachten dat zij zich willens en wetens in doodsgevaar brengen door een klacht in te dienen om aan te tonen dat zij geen bescherming zouden kunnen genieten van hun nationale overheid, gelet op de beschikbare informatie hierover en gezien het bijzonder profiel van de vervolgde actoren, die niet wordt betwist door het CGVS noch de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen”.
- De verzoekers herhalen in wezen hun standpunt met verwijzing naar één passage uit een stuk betreffende de algemene situatie in El Salvador. Zij gaan hiermee volledig voorbij aan de omstandige motivering in het bestreden arrest met betrekking tot hun concrete situatie, waarin onder meer wordt gesteld: “Door in hun verzoekschriften eenvoudigweg te verwijzen naar hun eerder afgelegde verklaringen over de reden waarom zij bij de Salvadoraanse autoriteiten geen klacht hebben ingediend naar aanleiding van het door hen voorgehouden incident van 16 januari 2020 weerleggen verzoekende partijen de hierboven aangehaalde pertinente vaststellingen daarover niet. Waar zij opmerken dat verzoeker reeds twee incidenten beleefde toen hij nog jong was ‘waarbij de Salvadoraanse autoriteiten volledig passief bij bleven’, dient te worden benadrukt dat uit niets blijkt dat deze losstaande incidenten verband houden met het vermeende incident op 16 januari 2020 en dat uit verzoekers verklaringen blijkt dat de politie in beide gevallen wel degelijk is opgetreden. Dat één van verzoekers belagers tijdens het eerste incident werd vrijgelaten wegens een gebrek aan bewijzen en de politie de zaak in verband met het XIV-39.018-4/11 tweede incident heeft afgesloten op vraag van verzoeker en zijn moeder, nadat een onbekende jongen hen kwam zeggen dat zij geen klacht mochten indienen (adm. doss. verzoeker en eerste verzoekster, stuk 6, map met ‘Bijkomende informatie’, notities van het persoonlijk onderhoud van verzoeker, p. 9-10 en 12), doet geen afbreuk aan de vaststelling dat de politie wel degelijk bereid was om verzoeker bescherming te bieden tegen zijn belagers. Verzoekende partijen houden voor met reden te hebben aangegeven dat de gerechtelijke stappen die in hun dossier werden ondernomen onvoldoende zijn om hun gezin gerust te stellen, doch blijven in gebreke te verduidelijken welke gerechtelijke stappen zij naar aanleiding van het voorgehouden incident van 16 januari 2020 juist hebben ondernomen. Uit hun verklaringen blijkt niet dat zij ooit een klacht hebben ingediend. Waar verzoekende partijen in hun verzoekschriften stellen dat zij een klacht indienden maar vervolgens met de dood werden bedreigd en dat er zodanig veel druk op hen werd gelegd om de klacht terug in te trekken dat zij zich niet meer aanboden bij de politie, waaromtrent zij ook een ‘testigo criteriado’ neerleggen die een soortgelijke situatie illustreert, beperken zij zich tot een loutere bewering die niet in concreto wordt gestaafd of onderbouwd met enig begin van bewijs. Allicht betreft het een materiële vergissing daar hierover niets kan worden gelezen in de rechtsplegingsdossiers en een dergelijk stuk niet wordt neergelegd. Met hun verwijzing naar algemene informatie en rechtspraak van de Raad over het optreden van de lokale autoriteiten in El Salvador tegen bendegeweld en de straffeloosheid en corruptie waarmee dit gepaard gaat, blijven verzoekende partijen verder in gebreke in concreto aan te tonen dat, in hun individuele omstandigheden, de Salvadoraanse autoriteiten niet in staat of bereid zouden zijn om hen te beschermen mochten zij concrete en reële bedreigingen ontvangen van El Barney of zijn handlangers. De Raad benadrukt dat in casu noch de familieband van verzoekende partijen met J. B. D. M. noch het bestaan van El Barney en het gevaar dat hij mogelijks kan betekenen ter discussie staan, doch dat een loutere verwijzing naar deze elementen niet kan volstaan om aan te tonen dat verzoekende partijen in hun land van herkomst werkelijk worden bedreigd en vervolgd of dat er wat hen betreft een reëel risico op lijden van ernstige schade zoals bepaald in artikel 48/4 van de Vreemdelingenwet bestaat. Deze vrees voor vervolging of dit reëel risico op ernstige schade dient in concreto te worden aangetoond en verzoekende partijen blijven daartoe in gebreke.” Hiermee geeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geen betekenis aan het door de verzoekers bijgebrachte stuk die in strijd is met de bewoordingen of de inhoud ervan. Verder vragen de verzoekers met hun argumentatie andermaal een beoordeling van de zaak zelf, waarvoor de Raad van State als administratieve cassatierechter niet bevoegd is.
- Het eerste onderdeel van het derde middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond.
- In een tweede middelonderdeel voeren de verzoekers aan dat “het bestreden arrest stelt dat verzoekers geen nood aan internationale bescherming hebben, daar zij niet aantonen dat hun nationale overheden hen niet zouden kunnen beschermen tegen vervolging”, dat “zodoende […] de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen een foutieve XIV-39.018-5/11 analyse [maakt] van het begrip ‘bescherming’ in de zin van art. 48/5, § 2 vreemdelingenwet, door het optreden van de Salvadoraanse overheid ten opzichte van de familieleden van verzoekster verkeerdelijk gelijk te stellen met een bescherming in de zin van de voornoemde bepaling”, dat deze bescherming “effectief en niet-tijdelijk van aard” evenals “toegankelijk” dient te zijn en dat “de loutere gerechtelijke vervolging en bestraffing achteraf van daden van vervolging de vereisten van de effectiviteit van de bescherming in de zin van de bepalingen geciteerd in het middel niet tegemoetkomt” want dat “deze bepalingen dienen gepaard te gaan met ‘redelijke maatregelen’ om zulke feiten te voorkomen en om het risico dat zij zich verder zouden voordoen, te verminderen”. Subsidiair stellen de verzoekers wat dat betreft voor een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.
- Naar luid van artikel 48/5, § 2, tweede lid, van de vreemdelingenwet moet bescherming, in de zin van de artikelen 48/3 en 48/4 van deze wet, doeltreffend en van niet-tijdelijke aard zijn en wordt ze in het algemeen geboden wanneer de bedoelde actoren omschreven in het eerste lid redelijke maatregelen tot voorkoming van vervolging of het lijden van ernstige schade treffen, onder andere door de instelling van een doeltreffend juridisch systeem voor opsporing, gerechtelijke vervolging en bestraffing van handelingen die vervolging of ernstige schade vormen, en wanneer de verzoeker toegang tot een dergelijke bescherming heeft. Wat de mogelijkheid van bescherming in de zin van de voornoemde bepaling betreft, stelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen eerst op concreet gemotiveerde wijze vast “dat geen geloof kan worden gehecht aan de vrees van verzoekende partijen om door [E.B.] of zijn handlangers te worden gedood omdat eerste verzoekster haar ex-schoonzus zou hebben geholpen met de verkoop van haar huis”. Hij stelt vast dat de verzoekers geen ernstige poging ondernemen om de pertinente vaststellingen uit de aanvankelijk bestreden beslissingen te weerleggen of te ontkrachten. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen gaat verder nog in op de verklaringen van eerste verzoekster, waarbij hij opmerkt dat “overigens […] nergens uit haar verklaringen [blijkt] dat de bendeleden eerste verzoekster op enig moment zouden hebben duidelijk gemaakt dat zij het huis van haar ex-schoonzus niet mocht verkopen, zodat niet kan worden ingezien welke eisen van de bende zij zou hebben genegeerd door te verkopen”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen is ook van oordeel dat “er […] verder geen concrete aanwijzingen [zijn] dat de handlangers van [E.B.] naar verzoekende partijen op zoek zijn XIV-39.018-6/11 omwille van het feit dat eerste verzoekster het huis van haar ex-schoonzus heeft verkocht”. Volgens de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen kan de door de verzoekers aangehaalde algemene informatie over het bendegeweld niet volstaan om aan te tonen dat zij in hun land van herkomst daadwerkelijk worden bedreigd en vervolgd of dat er wat hen betreft een reëel risico bestaat op het lijden van ernstige schade in vluchtelingenrechtelijke zin en blijven de verzoekers in gebreke de vrees voor vervolging of het reële risico op ernstige schade in concreto aan te tonen. Hierna sluit de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich aan bij de volgende overwegingen uit de aanvankelijk bestreden beslissingen: “Voorst wordt opgemerkt dat J. (...) in beroep is gegaan tegen haar beslissing van het CGVS. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (hierna: RvV) oordeelde in haar arrest nr. 243705 van 5 november 2020 dat internationale bescherming slechts kan worden toegekend bij gebrek aan nationale bescherming en dat J. (...) en haar gezin niet aannemelijk gemaakt hebben dat zij ‘alle, in hun individuele omstandigheden, redelijke en nuttige beschermingsmogelijkheden vanwege de overheid hebben uitgeput. (…) Uit hun verklaringen en de door hen neergelegde documenten blijkt immers dat verschillende familieleden van verzoekster strafrechtelijk worden vervolgd door de Salvadoraanse justitie. Zo werden verzoeksters vader en broer J.A. in 2018 gearresteerd in de Operatie Nexos-Narcos, waarin ook leden van de politie, voormalige voetballeiders en een voormalige burgemeester werden aangehouden (zie administratief dossier, stuk 3.
- ‘Vrijlating geweigerd voor broer van [E.B.]’, 9 januari 2019) op beschuldiging van het leiden van een organisatie die actief is in drugshandel. Volgens dit artikel heeft deze organisatie vertakkingen in Colombia, Costa Rica en Guatemala en liep het onderzoek sinds 2016 en verklaarde het openbaar ministerie dat ze getuigenissen hadden van onderzoekers die als klanten waren geïnfiltreerd. Ook de broer van [E.B.], M.A.B.C. (zie stuk verzoekschrift, stuk A. 4, 4Structuur onder leiding van Reyes bewoog miljoenen in illegale operaties: broer van MS-13 leider [E.B.] maakt deel uit van het netwerk’, 10 januari 2020), werd in januari 2020 gearresteerd op beschuldiging van witwassen van gelden, verduistering en fraude. Volgens dit door verzoekers neergelegde artikel maakte M.A.B.C. deel uit van een organisatie rond een voormalig voorzitter van het Parlement, Reyes Morales. Ook [E.B.] wordt nog steeds gezocht, onder meer door de Verenigde Staten en is sinds 2013 voortvluchtig. Daaruit blijkt dat ingeval van verzoeksters familie er wel degelijk gerechtelijke stappen zijn ondernomen en dat belangrijke familieleden zijn opgepakt. Daaruit volgt dat, in tegenstelling tot wat beide partijen ter terechtzitting stellen, ondanks het gebrekkige justitieel en politioneel apparaat, in het geval van verzoekers familie wel degelijk werd opgetreden door justitie. Hoger werd reeds vastgesteld dat verzoekers geen poging hebben ondernomen om bescherming vanwege de overheid te bekomen toen zij zich bedreigd voelden door J.A., noch door [E.B.]. Gezien de gerechtelijke stappen die zijn ondernomen tegen haar broer J.A.; haar vader en M.A.B.C., de broer van El Barney die tot de organisatiestructuur van [E.B.] behoort, kan evenwel aangenomen worden dat de Salvadoraanse justitie bescherming kan en wil bieden aan verzoekers, mochten zij concrete en reële bedreigingen ontvangen van [E.B.] of van verzoeksters broer J.A.. In dit verband moet herhaald worden dat de bescherming door de overheid doeltreffend en van niet tijdelijke aard moet zijn. Evenwel betekent dit niet dat de bescherming door de overheid absoluut moet zijn of bescherming moet bieden tegen alle door niet-overheidsactoren gepleegde feiten en volstaat het dat redelijke maatregelen zijn genomen. De verplichting van de overheid XIV-39.018-7/11 om haar burgers te beschermen houdt geen resultaatsverbintenis in. (…) Aangezien, in hun individuele omstandigheden niet aangetoond is dat er geen overheidsbescherming voorhanden is, kunnen de beweerdelijke bedreigingen door niet-overheidsactoren niet beschouwd worden als vervolging in de zin van artikel 48/3 van de Vreemdelingenwet of ernstige schade in de zin van artikel 48/4, § 2, a) en b) van de Vreemdelingenwet. Aldus kan het beschermingsverzoek niet leiden tot het toekennen van internationale bescherming in de zin van artikel 48/3 en 48/4 § 2 a) en b) van de Vreemdelingenwet. Bijgevolg is een verder onderzoek van het beroep in het licht van artikel 48/3 en 48/4 § 2, a) en b) van de Vreemdelingenwet van voormelde bepalingen van de Vreemdelingenwet niet noodzakelijk wat betreft de beweerdelijke bedreigingen door [E.B.] en verzoeksters broer J.A.” Uit het voorgaande blijkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich niet heeft beperkt tot de loutere vaststelling dat de verzoekers nooit klacht hebben ingediend doch van oordeel is dat de door de verzoekers voorgehouden bedreigingen door E.B. of andere bendeleden niet aannemelijk zijn, dat zij de desbetreffende vaststellingen niet weerleggen met de door hen opgegeven reden waarom zij geen klacht hebben ingediend en dat zij in gebreke blijven “in concreto aan te tonen dat, in hun individuele omstandigheden, de Salvadoraanse autoriteiten niet in staat of bereid zouden zijn om hen te beschermen mochten zij concrete en reële bedreigingen ontvangen van [E.B.] of zijn handlangers”. Verder houdt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wel degelijk rekening met de noodzaak voor de overheid om redelijke maatregelen te nemen waar hij overweegt dat dit “niet [betekent] dat de bescherming door de overheid absoluut moet zijn of bescherming moet bieden tegen alle door niet-overheidsactoren gepleegde feiten en volstaat het dat redelijke maatregelen zijn genomen”. In die mate mist het middel feitelijke grondslag. De in het tweede middelonderdeel opgeworpen kritiek gaat derhalve uit van een foutieve lezing van het bestreden arrest. In het licht van de in het bestreden arrest gemaakte beoordeling is de voorgestelde prejudiciële vraag niet dienstig voor de oplossing van het geschil, vermits de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet ontkent dat een overheid redelijke maatregelen dient te nemen om vervolging of een reëel risico op ernstige schade te voorkomen.
- Het tweede onderdeel van het derde middel is kennelijk ongegrond. XIV-39.018-8/11 Vierde middel
- De verzoekers wijzen op “het beginsel van de gedeelde bewijslast in asielzaken” en stellen dat noch de verwerende partij noch de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen “het bewijs [heeft] geleverd dat verzoekers in geval van terugkeer effectief over een bescherming tegen daden van vervolging vanwege de MS-13 zouden genieten”. Zij voeren aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen nergens heeft onderzocht op basis van het administratief dossier of de verzoekers ingeval van terugkeer mochten rekenen op een effectieve bescherming door de Salvadoraanse overheid, doch dat “het bestreden arrest de bewijslast naar de objectieve mogelijkheid om een effectieve bescherming te genieten tegen vervolgingsdaden uitgaande van maras in El Salvador, volledig naar verzoekers toe[schuift]”. In ondergeschikte orde stellen de verzoekers een prejudiciële vraag voor aan het Hof van Justitie van de Europese Unie om te weten of een rechter in asielzaken mag oordelen dat een asielzoeker de objectieve situatie in zijn land van herkomst niet heeft aangetoond, zonder dat de bevoegde asielinstanties daar zelf onderzoek naar hebben gedaan.
- De verzoekers hebben voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geen schending opgeworpen van artikel 48/7 van de vreemdelingenwet noch wordt toepassing gemaakt van deze bepaling in het bestreden arrest. De verzoekers kunnen thans dan ook niet op ontvankelijke wijze een schending opwerpen van dit artikel.
- Er is de Raad van State geen “beginsel van de gedeelde bewijslast in asielzaken” bekend, waarop de verzoekers zich steunen. In artikel 48/6, § 1, eerste lid, van de vreemdelingenwet is enkel sprake van een samenwerkingsplicht, die er niet aan in de weg staat dat de bewijslast in de eerste plaats op de verzoeker om internationale bescherming rust die zelf alle essentiële elementen voor de beoordeling van zijn asielaanvraag dient aan te brengen. De samenwerkingsplicht houdt in dat met verzoeker moet worden samengewerkt om alle elementen te verzamelen die het verzoek kunnen staven “indien de door verzoeker aangevoerde elementen om welke reden dan ook niet volledig, actueel of relevant zijn”. Te dezen is er echter geen sprake van elementen die niet volledig, actueel of relevant zijn. Uit punt 13 supra blijkt reeds dat, anders dan de verzoekers thans voorhouden, hun verzoek om internationale bescherming niet wordt verworpen, louter op XIV-39.018-9/11 basis van het feit dat zij de objectieve situatie niet hebben aangetoond wat het bestaan van overheidsbescherming in hun land van herkomst betreft. De verzoekers beperken zich tot het citeren van een algemene conclusie uit het bestreden arrest, doch zij gaan voorbij aan de individuele beoordeling van hun verklaringen en aan de concrete redenen waarom de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aanneemt dat niet blijkt dat de overheid geen bescherming zou kunnen of willen bieden tegen de voorgehouden bedreigingen. Hierbij geldt in de eerste plaats de beoordeling dat “er […] verder geen concrete aanwijzingen [zijn] dat de handlangers van [E.B.] naar verzoekende partijen op zoek zijn omwille van het feit dat eerste verzoekster het huis van haar ex-schoonzus heeft verkocht” en verder dat E.B. en andere bendeleden wel degelijk werden vervolgd door de Salvadoraanse politie en justitie. Aldus faalt de kritiek van de verzoekers ten dele naar recht en is hij voor het overige gesteund op een onjuiste lezing van het bestreden arrest. Om die redenen is ook de door de verzoekers voorgestelde prejudiciële vraag niet dienstig voor de oplossing van het geschil. Zoals uit het bovenstaande blijkt, gaan de verzoekers immers ten onrechte ervan uit dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen hun verzoek om internationale bescherming verwerpt omdat zij de objectieve situatie in hun land van herkomst niet zouden hebben aangetoond, zonder dat hij daar zelf onderzoek naar heeft gedaan, terwijl het bestreden arrest net is gesteund op een individueel onderzoek van de concrete verklaringen van de verzoekers.
- Het vierde middel is kennelijk ongegrond. BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
- Eerste, tweede en vijfde verzoekers worden verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 600 euro, ieder voor een derde. XIV-39.018-10/11 Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op tien juni tweeduizend tweeëntwintig, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-39.018-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ORD.14.927 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.