id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 13 juni 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ORD.14.930 Rolnummer: A. 236293/XIV-39027 Zaak: Cassatiebeschikking 14930 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 13/06/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-06-15 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-06-10 07:03 Fiche Beschikking nr 14.930 van 13 juni 2022 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 14.930 van 13 juni 2022 in de zaak A. 236.293/XIV-39.027 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Rahim Aktepe kantoor houdend te 2000 Antwerpen Amerikalei 95 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de staatssecretaris voor Asiel en Migratie ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 3 mei 2022, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 270.573 van 28 maart 2022 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 25 mei 2022 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- De door verzoeker aangehaalde algemene beginselen van behoorlijk bestuur zijn, net als artikel 62 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet) en de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’, niet van toepassing op jurisdictionele beslissingen zoals het bestreden arrest. Al kan de Raad van State als administratieve cassatierechter het middel onderzoeken waarin wordt opgeworpen dat de Raad voor XIV-39.027-1/4 Vreemdelingenbetwistingen als annulatierechter bij de beoordeling van de aanvankelijk bestreden beslissing de inhoud van die beginselen of bepalingen zou hebben geschonden, de Raad van State kan zich daarbij niet in de plaats van de annulatierechter stellen om zelf te oordelen of de voornoemde beginselen of bepalingen waren geschonden met de aanvankelijk bestreden beslissing of niet. Verzoeker kan derhalve in de graad van administratieve cassatie niet op ontvankelijke wijze aanvoeren dat de voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aangevochten beslissing op onzorgvuldige wijze was genomen, onredelijk was of niet afdoende was gemotiveerd en dat het bestreden arrest dit had moeten vaststellen.
- Verzoeker voert een schending aan van “het eigen justitiële motiveringsbeginsel en de eigen rechtspraak” door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Uit de uiteenzetting van het middel blijkt dat verzoeker de motieven van het bestreden arrest kent doch ze inhoudelijk betwist. Een eventuele onjuistheid van de gegeven motieven houdt echter geen schending in van de jurisdictionele motiveringsplicht als vormvereiste. Het Belgische recht kent geen bindende precedentenwerking zodat verzoeker zich niet kan beroepen op andersluidende rechtspraak van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen om tot een onwettigheid in het bestreden arrest te besluiten.
- Artikel 42quater, § 1, 4° van de vreemdelingenwet luidt: “§
- In de volgende gevallen kan er door de minister of zijn gemachtigde binnen vijf jaar na de erkenning van hun recht op verblijf een einde gesteld worden aan het verblijfsrecht van de familieleden van een burger van de Unie die zelf geen burger van de Unie zijn en die verblijven in de hoedanigheid van familielid van de burger van de Unie : […] 4° het huwelijk met de burger van de Unie die zij begeleid of vervoegd hebben, wordt ontbonden, het geregistreerd partnerschap dat aangegaan werd, zoals bedoeld in artikel 40bis, § 2, eerste lid, 1° of 2°, wordt beëindigd, of er is geen gezamenlijke vestiging meer;” Uit het bestreden arrest blijkt dat met de beslissing van de verwerende partij (hierna: de aanvankelijk bestreden beslissing) die tot dat arrest heeft geleid een einde werd gesteld aan verzoekers verblijfsrecht dat was erkend op basis van het huwelijk met zijn Belgische echtgenote die niet haar recht van vrij verkeer en verblijf op het XIV-39.027-2/4 grondgebied van de lidstaten van de Europese Unie heeft uitgeoefend. Het betreft dus een zuiver interne situatie, waarop het Unierecht niet van toepassing is. Het is juist dat een richtlijnconforme interpretatie van een nationale bepaling aan de orde is, onder meer in gevallen waarin de feiten van het hoofdgeding weliswaar niet binnen de directe werkingssfeer van het Unierecht vallen, maar de bepalingen van dat recht van toepassing zijn op grond van de nationale wettelijke regeling waarin ten aanzien van situaties waarvan alle aspecten zich binnen één lidstaat afspelen, is gekozen voor dezelfde aanpak als in het Unierecht. De aanvankelijk bestreden beslissing is gesteund op artikel 42quater van de vreemdelingenwet. Het blijkt geenszins dat bij de wijziging van artikel 40 en volgende van de vreemdelingenwet met de wet van 8 juli 2011 ‘tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ werd gekozen voor dezelfde aanpak voor gezinshereniging van een derdelander met een zogenaamde “statische” Belg als met een andere Unieburger. Integendeel, er is uitdrukkelijk voor gekozen dat die “Belgen op voet van gelijkheid [worden] geplaatst met de vreemdelingen uit derde landen” en dat “de wet bijgevolg strenger zal worden toegepast ten aanzien van de Belgen dan ten aanzien van de burgers die de nationaliteit hebben van een lidstaat van de Europese Unie” (Parl. Stukken Kamer, nr. 53/0443-14, 150). De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft op wettige wijze geoordeeld dat verzoeker bij gebrek aan aanknoping met de bepalingen van het Unierecht niet dienstig kan verwijzen naar de interpretatie van richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 ‘betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van de Richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG’ en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie.
- De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen leidt uit de duidelijke bewoordingen van artikel 42quater, § 1, 4°, van de vreemdelingenwet af dat, binnen de vijf jaar na de erkenning van het verblijfsrecht van het familielid van de burger van de Unie, een einde kan worden gesteld aan dat verblijfsrecht wanneer er geen gezamenlijke vestiging XIV-39.027-3/4 meer is. Het verlies van het verblijfsrecht is niet beperkt tot het geval van ontbinding van het huwelijk. In die mate blijkt derhalve geen schending van het voornoemde artikel 42quater, § 1, 4°.
- In de mate dat verzoeker erop wijst dat hij inmiddels terug samenwoont met zijn echtgenote en daarvoor bepaalde stukken overlegt, vraagt hij een nieuwe beoordeling van de zaak zelf, waarvoor de Raad van State als administratieve cassatierechter niet bevoegd is. Hetzelfde geldt voor verzoekers in ondergeschikte orde geformuleerde kritiek waarin hij aanvoert dat hij werkzaam is en voldoende bestaansmiddelen geniet.
- Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 22 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op dertien juni tweeduizend tweeëntwintig, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-39.027-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ORD.14.930 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div