← België

Cassatiebeschikking 14931 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 13/06/2022

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 13 juni 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ORD.14.931 Rolnummer: A. 236294/XIV-39028 Zaak: Cassatiebeschikking 14931 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 13/06/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-06-15 Raadplegingen: 68 - laatst gezien 2026-06-10 07:03 Fiche Beschikking nr 14.931 van 13 juni 2022 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 14.931 van 13 juni 2022 in de zaak A. 236.294/XIV-39.028 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Johannes Baelde kantoor houdend te 8200 Brugge Koning Albert I-laan 40 bus 00.01 bij wie keuze van woonst wordt gedaan tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de staatssecretaris voor Asiel en Migratie ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 3 mei 2022, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 270.960 van 5 april 2022 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 25 mei 2022 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. Eerste middel
  2. Verzoeker verwijst in de uiteenzetting van het middel naar de materiëlemotiveringsplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel. Deze zijn als algemene beginselen van behoorlijk bestuur niet van toepassing op jurisdictionele beslissingen zoals het bestreden arrest. XIV-39.028-1/5
  3. Naar luid van artikel 40bis, § 2, eerste lid, 3°, van de de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet) worden onder meer als familielid van een burger van de Unie beschouwd “de bloedverwanten in neergaande lijn alsmede die van de echtgenoot of partner als bedoeld onder 1° of 2°, beneden de leeftijd van eenentwintig jaar of die te hunnen laste zijn, die hen begeleiden of zich bij hen voegen […]”. Ingevolge het bepaalde in artikel 40ter, § 2, van die wet, zijn deze bepalingen van toepassing op de familieleden van een Belg die niet zijn recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten heeft uitgeoefend voor zover het onder meer betreft “de familieleden bedoeld in artikel 40bis, § 2, eerste lid, 1° tot 3°, mits zij de Belg die het recht op gezinshereniging opent vergezellen of zich bij hem voegen”. Uit het bestreden arrest blijkt dat verzoeker een verblijfskaart heeft gevraagd als zoon van een Belgische vader die niet zijn recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten van de Europese Unie heeft uitgeoefend. Het betreft dus een zuiver interne situatie, waarop het Unierecht niet van toepassing is. Het is juist dat een richtlijnconforme interpretatie van een nationale bepaling aan de orde is, onder meer in gevallen waarin de feiten van het hoofdgeding weliswaar niet binnen de directe werkingssfeer van het Unierecht vallen, maar de bepalingen van dat recht van toepassing zijn op grond van de nationale wettelijke regeling waarin ten aanzien van situaties waarvan alle aspecten zich binnen één lidstaat afspelen, is gekozen voor dezelfde aanpak als in het Unierecht. Verzoekers aanvraag, die tot de beslissing van de verwerende partij van 5 oktober 2021 en vervolgens tot het bestreden arrest heeft geleid, is gesteund op artikel 40ter van de vreemdelingenwet. Het blijkt geenszins dat bij de wijziging van artikel 40 en volgende van de vreemdelingenwet met de wet van 8 juli 2011 ‘tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ werd gekozen voor dezelfde aanpak voor gezinshereniging van een derdelander met een zogenaamde “statische” Belg als met een andere Unieburger. Integendeel, er is uitdrukkelijk voor gekozen dat die “Belgen op voet van gelijkheid [worden] geplaatst met de vreemdelingen uit derde landen” en dat “de wet bijgevolg strenger zal worden toegepast ten aanzien van de Belgen dan ten aanzien van de burgers die de nationaliteit hebben van een lidstaat van de Europese Unie” (Parl. Stukken Kamer, nr. 53/0443-14, 150). XIV-39.028-2/5 Bij gebrek aan aanknoping met de bepalingen van het Unierecht kan verzoeker niet dienstig verwijzen naar de interpretatie van richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 ‘betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van de Richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG’ en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie. Om dezelfde reden is de voorgestelde prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie niet dienstig voor de oplossing van het geschil.
  4. Verzoeker zet niet uiteen op welke wijze artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend te Rome op 4 juni 1950, (hierna: het EVRM) zou zijn geschonden met het bestreden arrest.
  5. Het eerste middel is in de aangegeven mate niet-ontvankelijk dan wel kennelijk ongegrond. Tweede middel
  6. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft wat de voorwaarde van het ten laste zijn betreft geen voorwaarde toegevoegd aan en het vormt geen schending van artikel 40ter iuncto artikel 40bis, § 2, eerste lid, 3°, van de vreemdelingenwet door te oordelen “dat het niet volstaat dat de aanvrager op het ogenblik van het indienen van de aanvraag ten laste is van de Belgische referentiepersoon”, dat “dit […] ook nog het geval [dient] te zijn op het ogenblik dat over deze aanvraag wordt beslist” en dat “bij het nemen van de beslissing […] dus rekening [kan] worden gehouden met het feit dat de aanvrager beschikt over eigen inkomsten en derhalve niet (meer) ten laste is van de Belgische referentiepersoon”. Verzoekers kritiek faalt in dat opzicht naar recht. Verzoeker heeft voor de eerste rechter geen schending opgeworpen van artikel 42 van de vreemdelingenwet en de daarin bedoelde termijn om het verblijfsrecht te erkennen “ten laatste zes maanden volgend op de datum van de aanvraag”. Derhalve vermag hij zich niet voor het eerst hierop te beroepen in de graad van administratieve cassatie. XIV-39.028-3/5
  7. Uit de motivering van het bestreden arrest blijkt duidelijk dat en waarom de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen van oordeel is dat bij de beoordeling van de voorwaarde van het ten laste zijn ook rekening dient te worden gehouden met de situatie op het ogenblik van het nemen van de beslissing over de aanvraag. Een schending van de in artikel 149 van de Grondwet en artikel 39/65 van de vreemdelingenwet bedoelde jurisdictionele motiveringsplicht wordt niet aangetoond.
  8. Verzoeker merkt terecht op dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen te dezen een annulatiebevoegdheid ex tunc heeft en dus “moet oordelen over de situatie op datum van de beslissing door de DVZ”. De beslissing waarop het bestreden arrest betrekking heeft is echter genomen op 5 oktober 2021en bijgevolg vermocht de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen met deze datum rekening te houden en niet met 9 april 2019, zoals verzoeker voorhoudt.
  9. Met de algemene opmerking dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen door de (volgens verzoeker) foutieve lezing van de wet “op disproportionele wijze het recht op gezins- en familieleven in[perkt]”, toont verzoeker geen schending aan van artikel 8 van het EVRM.
  10. Het tweede middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
  11. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  12. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. XIV-39.028-4/5 Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op dertien juni tweeduizend tweeëntwintig door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-39.028-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ORD.14.931 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.