id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 23 juni 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ORD.14.938 Rolnummer: A. 236243/VII-41425 Zaak: Cassatiebeschikking 14938 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 23/06/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-06-27 Raadplegingen: 66 - laatst gezien 2026-06-10 07:08 Fiche Beschikking nr 14.938 van 23 juni 2022 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 14.938 van 23 juni 2022 in de zaak A. 236.243/VII-41.425 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Rahim Aktepe kantoor houdend te 2000 Antwerpen Amerikalei 95 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Asiel en Migratie ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 25 april 2022, strekt tot de cassatie van arrest nr. 270.375 van 24 maart 2022 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 25 mei 2022 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- De door verzoeker aangehaalde algemene beginselen van behoorlijk bestuur zijn, net als artikel 62 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet) en de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’, niet van toepassing op jurisdictionele beslissingen zoals het bestreden arrest. Al kan de Raad van State als administratieve cassatierechter het middel onderzoeken waarin wordt opgeworpen dat de Raad voor VII-41.425-1/4 Vreemdelingenbetwistingen als annulatierechter bij de beoordeling van de aanvankelijk bestreden beslissing de inhoud van die beginselen of bepalingen zou hebben geschonden, de Raad van State kan zich daarbij niet in de plaats van de annulatierechter stellen om zelf te oordelen of de voornoemde beginselen of bepalingen waren geschonden met de aanvankelijk bestreden beslissing of niet. Verzoeker kan derhalve in de graad van administratieve cassatie niet op ontvankelijke wijze aanvoeren dat de beslissing van de verwerende partij van 10 december 2021 onredelijk was of niet afdoende was gemotiveerd en dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dit had moeten vaststellen.
- Uit het bestreden arrest blijkt dat verzoeker, van Turkse nationaliteit, de stiefzoon is van een Nederlandse vrouw met wettelijk verblijf in België. Naar luid van artikel 40bis, § 2, eerste lid, 3°, van de vreemdelingenwet worden als familielid van de burger van de Unie beschouwd “de bloedverwanten in neergaande lijn alsmede die van de echtgenoot of partner als bedoeld onder 1° of 2°, beneden de leeftijd van 21 jaar of die te hunnen laste zijn, die hen begeleiden of zich bij hen voegen […]”.
- Verzoekers kritiek dat als criterium voor “de leeftijd van 21 jaar” in de voormelde bepaling de datum van binnenkomst in België geldt, faalt naar recht. Er dient rekening te worden gehouden met de datum van de aanvraag die heeft geleid tot de voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aangevochten beslissing van de verwerende partij van 10 december
- Uit het bestreden arrest blijkt, hetgeen niet wordt betwist, dat die aanvraag is ingediend op 11 juni 2021 en dat verzoeker op 27 februari 2000 geboren is. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft derhalve zonder schending van artikel 40bis van de vreemdelingenwet geoordeeld: “[Verzoekers] standpunt omtrent het tijdstip waarop de door de wetgever gestelde leeftijdsvoorwaarde in aanmerking dient te worden genomen vindt evenwel geen steun in de bewoordingen van artikel 40bis van de Vreemdelingenwet of in de bepalingen van de richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van Richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en VII-41.425-2/4 93/96/EEG. In artikel 10 van voormelde richtlijn is wel voorzien dat het verblijfsrecht van de familieleden van een burger van de Unie die niet de nationaliteit van een lidstaat bezitten wordt vastgesteld binnen zes maanden ‘na de datum van indiening van een aanvraag terzake’. Hieruit blijkt veeleer dat de datum van indiening van de verblijfsaanvraag als startpunt moet worden genomen. Ook uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof van Justitie) kan worden afgeleid dat het, specifiek wat betreft een leeftijdsvereiste, de datum is waarop het verzoek tot toegang en verblijf met het oog op gezinshereniging wordt ingediend die als uitgangspunt moet worden genomen (cf. mutatis mutandis HvJ 16 juli 2020, C- 133/19, C-136/19 en C-137/19, § 47). Een andere datum dat de datum van indiening van een verzoek tot gezinshereniging als uitgangspunt nemen, om te beoordelen of een leeftijdsvoorwaarde is vervuld, is bovendien moeilijk verenigbaar met de beginselen van gelijke behandeling en rechtszekerheid (cf. HvJ 17 juli 2014, nr. C-338/2013, § 17). De datum van de binnenkomst in het Rijk kan trouwens niet als startdatum worden genomen voor personen die een gezinsherenigingsaanvraag vanuit het buitenland indienen. Het Hof van Justitie heeft ook reeds geoordeeld dat voor de beoordeling van andere voorwaarden de situatie van het familielid van een burger van de Unie in aanmerking moet worden genomen ‘op het moment dat hij verzoekt zich bij die burger te mogen voegen’ (cf. HvJ 16 januari 2014, C- 423/12, § 22). Verzoeker kan dan ook niet worden gevolgd in zijn betoog dat zijn leeftijd op de datum van zijn aankomst in België als uitgangspunt diende te worden genomen. Het gegeven dat verzoeker in het verleden een aanvraag tot afgifte van de verblijfskaart van een familielid van een burger van de Europese Unie indiende die werd afgewezen, impliceert ook niet dat verweerder bij de indiening van een nieuwe verblijfsaanvraag zou dienen uit te gaan van de leeftijd die verzoeker had bij het indienen van de eerdere, definitief afgewezen, aanvraag. Deze argumentatie vindt geen steun in enige wetsbepaling. Uit het voorgaande blijkt dat de leeftijd op het ogenblik van de aanvraag waarover dient te worden beslist geldt.”
- Dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in andere arresten een ander standpunt zou hebben ingenomen, houdt geen schending in van de jurisdictionele motiveringsplicht, daargelaten het gegeven dat die arresten geen precedentenwerking hebben.
- Uit het voorgaande volgt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen eveneens op wettige wijze heeft geoordeeld dat verzoeker het ten laste zijn in de zin van artikel 40bis van de vreemdelingenwet diende te bewijzen. Verzoeker voert wat dit laatste betreft enkel aan dat hij wel degelijk heeft aangetoond dat de referentiepersoon en haar echtgenoot over voldoende bestaansmiddelen beschikken om hem ten laste te nemen. Daargelaten de vaststelling dat deze kritiek de beoordeling van de zaak zelf betreft, waarvoor de Raad van State als administratieve cassatierechter niet bevoegd is, ontkracht verzoeker daarmee niet het motief in het bestreden arrest dat verzoeker “hiermee niet aan[toont] dat verweerder onterecht motiveerde dat hij geen stuk heeft overgelegd dat aantoont dat hij van in het land van VII-41.425-3/4 herkomst of origine en voorafgaand aan zijn aanvraag gezinshereniging ten laste was van zijn stiefmoeder”.
- Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, ongegrond. BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 22 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op 23 juni 2022, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Carlo Adams VII-41.425-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ORD.14.938 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div