id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 23 juni 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ORD.14.939 Rolnummer: A. 236374/VII-41397 Zaak: Cassatiebeschikking 14939 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 23/06/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-06-27 Raadplegingen: 72 - laatst gezien 2026-06-10 07:08 Fiche Beschikking nr 14.939 van 23 juni 2022 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 14.939 van 23 juni 2022 in de zaak A. 236.374/VII-41.397 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Dominique Andrien en France Laurent kantoor houdend te 4000 Luik Mont Saint Martin 22 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de staatssecretaris voor Asiel en Migratie ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 11 mei 2022, strekt tot de cassatie van arrest nr. 271.005 van 7 april 2022 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 25 mei 2022 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- Verzoekster heeft voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geen schending opgeworpen van artikel 5 van richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 ‘over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven’ (hierna: richtlijn 2008/115) noch wordt dit artikel betrokken in het bestreden arrest. Zij kan een eventuele schending van deze bepaling dus niet voor het eerst inroepen in de graad van administratieve cassatie. VII-41.397-1/4 Verzoekster heeft voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wel een schending opgeworpen van artikel 12 van richtlijn 2008/115, doch in het bestreden arrest wordt geoordeeld dat verzoekster “niet uit[legt] hoe de bestreden beslissing, die duidelijk is gemotiveerd in feite en in rechte, deze bepaling schendt, nog daargelaten de vraag of verzoekster zich rechtstreeks op de schending van deze bepaling kan beroepen” en wordt dit onderdeel niet-ontvankelijk bevonden. Verzoekster richt zich thans niet tegen het voormelde motief en ontkracht het a fortiori niet. Zij kan zich derhalve niet op ontvankelijke wijze beroepen op een voorgehouden schending van artikel 12 van richtlijn 2008/
- Nu verzoekster zich om procedurele redenen niet kan beroepen op een schending van de artikelen 5 en 12 van richtlijn 2008/115, is de voorgestelde prejudiciële vraag over deze bepalingen niet dienstig voor de oplossing van het geschil en dient ze bijgevolg niet te worden gesteld.
- Artikel 74/13 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet) bepaalt enkel dat bij het nemen van een beslissing tot verwijdering rekening wordt gehouden met het hoger belang van het kind, het gezins- en familieleven en de gezondheidstoestand van de betrokken onderdaan van een derde land. Anders dan verzoeker voorhoudt, bevat dit artikel geen bijzondere motiveringsplicht zodat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het niet heeft geschonden door te oordelen dat hij zich “dan ook niet [vermag] te beperken tot de eventuele uitdrukkelijke motieven dienaangaande in de bij hem aangevochten beslissing”.
- Artikel 62 van de vreemdelingenwet is niet van toepassing op jurisdictionele beslissingen zoals het bestreden arrest. Wel kan de Raad van State als administratieve cassatierechter het middel onderzoeken waarin wordt opgeworpen dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen als annulatierechter bij de beoordeling van de aanvankelijk bestreden beslissing de inhoud van de voornoemde bepaling zou hebben geschonden, zonder dat de Raad voor State zich daarbij echter in de plaats van de annulatierechter kan stellen om zelf te oordelen of de motivering van die beslissing afdoende is of niet. VII-41.397-2/4 Te dezen merkt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in punt 2.9 van het bestreden arrest op dat hij niet inziet “welke belangenschade verzoekster lijdt doordat de afweging die verweerder maakt over de in artikel 74/13 van de Vreemdelingenwet vereiste elementen is opgenomen in een afzonderlijke evaluatienota” en oordeelt hij in punt 2.11 van het bestreden arrest dat de voor hem aangevochten beslissing van de verwerende partij “duidelijk is gemotiveerd in feite en in rechte”. Deze overwegingen zijn niet in strijd met de inhoud van artikel 62 van de vreemdelingenwet. Zoals reeds aangegeven, is de Raad van State als administratieve cassatierechter niet bevoegd om zich zelf een oordeel te vormen over het afdoende karakter van de in de beslissing van de verwerende partij weergegeven motieven.
- Verzoekster vermeldt in het opschrift van het middel artikel 39/2 van de vreemdelingenwet doch zij zet niet uiteen op welke wijze dit artikel zou zijn geschonden met het bestreden arrest.
- Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
- Verzoekster wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op 23 juni 2022, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter VII-41.397-3/4 Bart Tettelin Carlo Adams VII-41.397-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ORD.14.939 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div