← België

Cassatiebeschikking 14945 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 30/06/2022

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 30 juni 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ORD.14.945 Rolnummer: A. 236511/VII-41441 Zaak: Cassatiebeschikking 14945 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 30/06/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-07-01 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-06-10 07:12 Fiche Beschikking nr 14.945 van 30 juni 2022 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 14.945 van 30 juni 2022 in de zaak A. 236.511/XIV-41.441 In zake :

  1. XXXXX
  2. XXXXX
  3. XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Martine De Raedemaeker kantoor houdend te 2800 Mechelen Augustijnenstraat 10 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de staatssecretaris voor Asiel en Migratie ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 20 mei 2022, strekt tot de cassatie van arrest nr. 271.391 van 19 april 2022 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 15 juni 2022 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. Eerste middel
  5. De wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: de wet van 29 juli 1991) is als dusdanig niet van toepassing op jurisdictionele beslissingen zoals het bestreden arrest. Al kan de Raad van VII-41.441-1/6 State als administratieve cassatierechter het middel onderzoeken waarin wordt opgeworpen dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen als annulatierechter bij de beoordeling van de aanvankelijk bestreden beslissing de inhoud van die wet zou hebben geschonden, hij vermag zich daarbij niet in de plaats van de annulatierechter te stellen om zelf te oordelen of de motivering van die beslissing afdoende is of niet. Te dezen voeren de verzoeksters niet aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest de inhoud van de wet van 29 juli 1991 zou hebben geschonden.
  6. De in artikel 39/65 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet) vervatte jurisdictionele motiveringsplicht heeft het karakter van een vormvereiste. Een uitspraak is gemotiveerd in de zin van deze bepaling wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet die hem ertoe brengen die beslissing te nemen. Om te voldoen aan de jurisdictionele motiveringsplicht is het niet relevant of die motieven in rechte of in feite juist zijn. In de beslissing van de verwerende partij van 14 december 2021 waarmee de met toepassing van artikel 9bis van de vreemdelingenwet ingediende verblijfsaanvraag van de verzoeksters niet-ontvankelijk wordt verklaard, wordt onder meer vastgesteld dat eerste verzoekster “de Belgische overheid bewust heeft misleid door voor te houden dat zij zich wenste te herenigen met haar Belgische partner, terwijl deze kort na haar visumaanvraag overleed, en dit overlijden te verzwijgen tot nadat haar visumaanvraag werd goedgekeurd en zij naar België reisde (RVV arrest nr. 239 883 van 19 augustus 2020, p. 11)”. In het bestreden arrest wordt de argumentatie van de verzoeksters betreffende hun “stuk 10”, gevoegd bij de aanvraag op grond van artikel 9bis van de vreemdelingenwet die tot het bestreden arrest heeft geleid, samengevat als volgt: “Uit stuk 10 gevoegd bij de aanvraag 9bis van de Vreemdelingenwet, zijnde een uittreksel uit de Kruispuntbank op RR 52.00.01-459.21 (cf. identiteitskaart echtgenoot gevoegd onder stuk 8 van de aanvraag), zijnde een stuk waarvan de verzoekende partij pas in het bezit kwam na het instellen van het annulatieberoep, volgt volgens de verzoekende partijen dat ten gevolge van de aangifte van het overlijden van hun vader door de twee zonen, genaamd B. en H., die in België ingeschreven waren op het adres van hun vader, de referentiepersoon gesupprimeerd is geworden in het Rijksregister op 28 december 2019 (stuk 9). Uit dit stuk volgt volgens de verzoekende partijen dat wanneer de verwerende partij het Rijksregister met de nodige zorgvuldigheid had geraadpleegd, zij had moeten vaststellen dat de referentiepersoon gesupprimeerd was ten gevolge van overlijden. Ten onrechte heeft de verwerende partij volgens de verzoekende partijen de fout die er gemaakt is bij de VII-41.441-2/6 onzorgvuldige raadpleging van het Rijksregister, afgewenteld op de verzoekende partijen door te stellen dat zij frauduleus gehandeld hebben. Bovendien heeft de verwerende partij volgens de verzoekende partijen stuk 10 uit de stukkenbundel onrechtmatig buiten beschouwing gelaten. Het begint volgens de verzoekende partijen met een cruciale onzorgvuldigheid bij de raadpleging van het Rijksregister door de verwerende partij bij het nemen van de beslissing tot toekenning van een visum gezinshereniging.” De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verwijst vervolgens naar de vaststellingen in arrest nr. 239.883 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen van 19 augustus 2020, waaruit hij onder meer citeert dat “verzoekster […] wel degelijk de Belgische overheid [heeft] misleid door voor te houden dat zij zich wenste te herenigen met haar Belgische echtgenoot, terwijl deze kort na haar visumaanvraag overleed, en dit overlijden te verzwijgen tot nadat haar visumaanvraag werd goedgekeurd en zij naar België reisde”. Hij overweegt daarna in het bestreden arrest nog: “Het betoog van de verzoekende partijen over het verschil tussen de weergegeven data in de verschillende beslissingen noch de verwijzing naar stuk 10 doen aan het voorgaande iets af. De verzoekende partijen stellen ten aanzien van dit stuk immers dat hieruit volgt dat wanneer de verwerende partij het Rijksregister met de nodige zorgvuldigheid had geraadpleegd, zij had moeten vaststellen dat de referentiepersoon gesupprimeerd was ten gevolge van overlijden. Dit doet niets af aan het feit dat de Raad in voornoemd arrest oordeelde dat “De finaliteit van deze aanvraag erin gelegen (is) dat verzoekster zich kan herenigen met haar echtgenoot. Verzoekster gaat eraan voorbij dat zij niet enkel op het ogenblik van het indienen van haar visumaanvraag, maar ook op het ogenblik dat haar visumaanvraag wordt beoordeeld aan de voorwaarden daartoe dient te voldoen. De verzoekende partij maakt dan ook niet aannemelijk dat de verwerende partij onzorgvuldig gehandeld zou hebben op voormelde punten.” Uit de voormelde vaststellingen in en motivering van het bestreden arrest blijkt duidelijk waarom “stuk 10” van de verzoeksters volgens de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet kan leiden tot de door de verzoeksters voorgehouden schending van het zorgvuldigheidsbeginsel. De verzoeksters tonen wat dat betreft geen schending aan van de jurisdictionele motiveringsplicht.
  7. Verder tonen de verzoeksters met de voormelde kritiek geen schending aan van artikel 9bis van de vreemdelingenwet, daargelaten de vaststelling dat hun kritiek wat deze laatste bepaling betreft betrekking heeft op de beoordeling van de zaak zelf, waarvoor de Raad van State als administratieve cassatierechter niet bevoegd is.
  8. Het eerste middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. VII-41.441-3/6 Tweede middel
  9. Wat de voorgehouden schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 19 juli 1991 betreft, kan worden verwezen naar de behandeling van het eerste middel.
  10. Enkel uit het gebruik in het bestreden arrest van het woord “echtgenoot” om de persoon aan te duiden met wie eerste verzoekster in het huwelijk was getreden doch die overleden is, volgt geen tegenstrijdigheid door er vervolgens op te wijzen dat dit huwelijk niet kan worden aanvaard. Er blijken dan ook geen tegenstrijdige motieven die elkaar opheffen waardoor de in artikel 39/65 van de vreemdelingenwet vervatte jurisdictionele motiveringsplicht zou zijn geschonden.
  11. De verwerende partij heeft over verzoeksters aanvraag om machtiging tot verblijf op grond van artikel 9bis van de vreemdelingenwet beslist dat “de [door eerste verzoekster] aangehaalde elementen […] geen buitengewone omstandigheid [vormen] waarom de betrokkene de aanvraag om machtiging tot verblijf niet kan indienen via de gewone procedure namelijk via de diplomatieke of consulaire post bevoegd voor de verblijfplaats of de plaats van oponthoud in het buitenland”. Door zich voor het beoordelen van de wettigheid, meer bepaald de redelijkheid, van deze laatste beslissing te steunen op de feitelijke gegevens zoals deze voorlagen op het ogenblik van diezelfde beslissing van de verwerende partij en door verder nog vast te stellen dat de verzoeksters geen wijziging van die gegevens aantoonden, heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet artikel 144 van de Grondwet geschonden naar luid waarvan de rechtscolleges van de rechterlijke macht uitsluitend bevoegd zijn voor geschillen over burgerlijke rechten. Waar de verzoeksters zich beroepen op het huwelijk van eerste verzoekster, kon de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich op wettige wijze aansluiten bij het motief uit de voor hem bestreden beslissing dat de aanvraag van eerste verzoekster op grond van artikel 9bis van de vreemdelingenwet bovendien geen soort “hoger beroep” kan vormen tegen de afwijzing van haar aanvraag gezinshereniging nadat zij reeds alle geëigende beroepsmogelijkheden heeft uitgeput.
  12. Het tweede middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. VII-41.441-4/6 Derde middel
  13. Met betrekking tot het verschil in behandeling tussen verzoeksters meerderjarige en minderjarige kinderen voeren de verzoeksters thans aan dat “een verschillende behandeling louter op basis van leeftijd in casu geen steun vindt in de wet, zodat het gelijkheidsbeginsel geschonden is”. Artikel 9bis, § 1, van de vreemdelingenwet voorziet enkel dat “in buitengewone omstandigheden en op voorwaarde dat de vreemdeling over een identiteitsdocument beschikt, […] de machtiging tot verblijf [kan] worden aangevraagd bij de burgemeester van de plaats waar hij verblijft”. De verwerende partij beschikt over een ruime discretionaire bevoegdheid bij de beoordeling van die “buitengewone omstandigheden”. Uit het gegeven dat de wet niets voorziet over leeftijd, volgt geen verbod om rekening te houden met het verschil in leeftijd van de betrokkenen noch een schending van het gelijkheidsbeginsel door rekening te houden met dat leeftijdsverschil. In die mate faalt de kritiek van de verzoeksters naar recht.
  14. Verder gaan de verzoekers voorbij aan de concrete beoordeling die in het bestreden arrest is gemaakt, zowel met betrekking tot de gevolgen voor het gezinsleven met de meerderjarige kinderen als voor de minderjarige kinderen. Zij tonen dan ook niet de onwettigheid van die beoordeling aan.
  15. Het derde middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
  16. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  17. De verzoeksters worden verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 600 euro, ieder voor een derde. VII-41.441-5/6 Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op dertig juni tweeduizend tweeëntwintig, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Carlo Adams VII-41.441-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ORD.14.945 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.