← België

Cassatiebeschikking 14946 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 30/06/2022

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 30 juni 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ORD.14.946 Rolnummer: A. 236508/VII-41440 Zaak: Cassatiebeschikking 14946 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 30/06/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-07-01 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-06-10 07:12 Fiche Beschikking nr 14.946 van 30 juni 2022 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 14.946 van 30 juni 2022 in de zaak A. 236.508/XIV-41.440 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Alexander Loobuyck kantoor houdend te 8000 Brugge Langestraat 46/1 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 27 mei 2022, strekt tot de cassatie van arrest nr. 271.657 van 22 april 2022 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 15 juni 2022 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. Volgens verzoekster maakt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest “hier echter ten onrechte toepassing van artikel 57/6, § 3, 6° VW, gezien het fundamentele verschil tussen de verzoekende partij en haar moeder er zich in bevindt dat haar moeder internationale bescherming geniet in Cyprus en de verzoekende partij niet”. VII-41.440-1/4 Naar luid van artikel 57/6, § 3, eerste lid, 6°, van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet) kan de commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen een verzoek om internationale bescherming niet-ontvankelijk verklaren wanneer “de minderjarige vreemdeling geen eigen feiten aanhaalt die een apart verzoek rechtvaardigen, nadat er eerder namens hem een verzoek om internationale bescherming werd ingediend overeenkomstig artikel 57/1, § 1, eerste lid, waarover een definitieve beslissing werd genomen”. Het volstaat derhalve niet dat “eigen feiten” worden ingeroepen, ze moeten ook “een apart onderzoek rechtvaardigen”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, die te dezen uitspraak heeft gedaan met hervormingsbevoegdheid, geeft in het bestreden arrest duidelijk aan waarom het in verzoeksters geval niet gaat om eigen feiten die een apart onderzoek rechtvaardigen. Hij overweegt dienaangaande dat verzoeksters moeder zelf reeds een verzoek om internationale bescherming in België heeft ingediend dat niet-ontvankelijk werd verklaard omdat verzoeksters moeder niet aannemelijk kon maken dat zij bij terugkeer naar Cyprus een ernstig risico zou lopen op onmenselijke of vernederende behandeling zoals bepaald in artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en artikel 3 van het EVRM, hetgeen door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen werd bevestigd met arrest nr. 230.926 van 8 januari
  2. Waar verzoeksters moeder aanhaalt dat verzoekster lijdt aan bepaalde allergieën en een crème moet gebruiken om jeuk te voorkomen doch in Cyprus geen toegang heeft tot gezondheidszorg, volgt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de stelling uit de voor hem bestreden beslissing dat verzoekster niet concreet aantoont hoe die gezondheidszorg werd beperkt en dat verzoeksters moeder voordien heeft verklaard dat zij wel degelijk toegang tot een ziekenhuis had om medicatie te verkrijgen. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vervolgt dat verzoekster nalaat aan te tonen hoe zij in concreto zou terechtkomen in een situatie van extreme armoede en dat “uit eerdere verklaringen van het verzoek van de moeder van verzoekster al [werd] vastgesteld dat ze zich allerminst bevond in een situatie van zeer verregaande materiële deprivatie, hetgeen uiteraard weerslag heeft op de situatie van verzoekster daar beide situaties onlosmakelijk verbonden zijn”. Tot slot besluit de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen “dat verzoekster in het kader van haar verzoek om internationale bescherming geen feiten aanhaalt die een apart verzoek rechtvaardigen, nadat er eerder namens haar een verzoek om internationale bescherming werd ingediend overeenkomstig artikel 57/1, § 1, eerste lid, van VII-41.440-2/4 de Vreemdelingenwet waarover een definitieve beslissing werd genomen”. Derhalve blijkt wat dat betreft geen schending van artikel 57/6, § 3, eerste lid, 6°, van de vreemdelingenwet. Wat specifiek de situatie betreft dat verzoeksters moeder internationale bescherming geniet in Cyprus en verzoekster zelf niet, blijkt uit de niet betwiste gegevens van de zaak dat verzoekster drie jaar oud was bij de uitspraak van het bestreden arrest. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zet met verwijzing naar het belang van het kind en de eenheid van het gezin overeenkomstig de supranationale regelgeving omstandig uiteen dat en waarom het “niet denkbaar [is] dat verzoekster in Cyprus zou worden gescheiden van haar moeder en repatriëring zou riskeren terwijl haar moeder er de internationale bescherming geniet, aangezien ze er werd erkend als vluchteling”. Hij wijst er onder meer op “dat de moeder van verzoekster internationale bescherming werd toegekend in Cyprus, dat als EU-lidstaat gebonden is aan het EU-acquis dat voorziet in (minimum)normen inzake rechten en voordelen die verbonden zijn aan haar status en waarvan haar moeder gebruik kan maken” en dat verzoekster zich kan beroepen op artikel 23 van richtlijn 2011/95/EU van 13 december 2011 ‘inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming’, naar luid waarvan de lidstaten ervoor zorgen dat het gezin in stand kan worden gehouden en de lidstaten waarborgen dat gezinsleden van de persoon die internationale bescherming geniet doch die zelf niet in aanmerking komen voor dergelijke bescherming aanspraak kunnen maken op de in de artikelen 24 tot en met 35 van die richtlijn genoemde voordelen, overeenkomstig de nationale procedures en voor zover verenigbaar met de persoonlijke juridische status van het gezinslid. Noch deze bepalingen noch een internrechtelijke bepaling verplichten België er echter toe een gezinslid internationale bescherming toe te kennen, louter omdat een ander lid van dat gezin die bescherming geniet. Verzoekster kan er zich dan ook niet op beroepen dat zij actueel in Cyprus geen internationale bescherming geniet doch er slechts zou kunnen verblijven. Ook in dat opzicht blijkt geen schending van artikel 57/6, § 3, eerste lid, 6°, van de vreemdelingenwet. Tot slot toont verzoekster geen schending aan van de artikelen 48/3 en 48 van de vreemdelingenwet, net omdat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen oordeelt dat verzoekster niet aannemelijk maakt dat haar moeder niet langer internationale bescherming zou genieten in Cyprus en dat geen gevaar dreigt voor verwijdering van Cyprus VII-41.440-3/4 naar Somalië. Verzoekster stelt deze beoordeling weliswaar in vraag, doch daarmee vraagt zij in wezen een beoordeling van de zaak zelf, waarvoor de Raad van State als administratieve cassatierechter niet bevoegd is. Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
  3. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  4. Verzoekster wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op dertig juni tweeduizend tweeëntwintig, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Carlo Adams VII-41.440-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ORD.14.946 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.