id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 30 juni 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ORD.14.948 Rolnummer: A. 236491/VII-41431 Zaak: Cassatiebeschikking 14948 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 30/06/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-07-01 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-10 07:12 Fiche Beschikking nr 14.948 van 30 juni 2022 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 14.948 van 30 juni 2022 in de zaak A. 236.491/XIV-41.431 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Oriane Todts kantoor houdend te 1060 Brussel Henri Jasparlaan 128 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 27 mei 2022, strekt tot de cassatie van arrest nr. 271.781 van 25 april 2022 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 15 juni 2022 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- Algemeen
- Verzoeker werpt in het opschrift van het enige middel de schending op van een hele reeks bepalingen. In de uiteenzetting van de beide onderdelen van het middel gaat hij slechts in op enkele van deze bepalingen. Verzoekers kritiek wordt hierna in die mate behandeld. De schending van de overige bepalingen wordt op kennelijk niet- ontvankelijke wijze opgeworpen. VII-41.431-1/4 Eerste middelonderdeel: “miskenning van de draagwijdte van het inleidend verzoekschrift van 17 augustus 2021”
- Verzoeker voert aan dat hij zich volgens het bestreden arrest zou vergissen tussen artikel 57/6, § 3, eerste lid, 3°, van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet), dat betrekking heeft op een beslissing waarmee een verzoek tot internationale bescherming niet-ontvankelijk wordt verklaard, en artikel 57/6/1, § 1, eerste lid van die wet, dat betrekking heeft op de versnelde procedure. Verzoeker heeft er voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wel op gewezen dat artikel 57/6, § 3, eerste lid, 3°, van de vreemdelingenwet ook een versnelde procedure voorziet maar hij heeft nooit beweerd het voorwerp uit te maken van een versnelde procedure in de zin van het voornoemde artikel 57/6/1, § 1, eerste lid. Wat de vraag betreft of het in beide voornoemde gevallen gaat om een versnelde procedure en of in beide gevallen het overschrijden van de behandelingstermijn door de verwerende partij dezelfde gevolgen heeft, overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest: “De Raad licht voorts toe en verduidelijkt dat voor voormelde situaties/toepassingen de Vreemdelingenwet op een verschillende wijze, in aparte/afzonderlijke bepalingen, de beroepstermijn regelt. Immers, indien het een beroep betreft dat gericht is tegen een beslissing als bedoeld in artikel 57/6/1, § 1, tweede en derde lid van de Vreemdelingenwet, met name wanneer de commissaris-generaal het verzoek om internationale bescherming volgens een versnelde procedure heeft behandeld (en binnen de wettelijk voorziene termijn van 15 werkdagen een beslissing neemt inzake het verzoek), dan is artikel 39/57, § 1, tweede lid, puntje 2° van de Vreemdelingenwet van toepassing. Gaat het daarentegen om een beroep gericht tegen de in artikel 57/6, § 3, eerste lid van de Vreemdelingenwet bedoelde beslissing van niet-ontvankelijkheid, zoals in casu het geval is, dan is artikel 39/57, § 1, tweede lid, puntje 3° van toepassing. Ofschoon beide voormelde bepalingen een beroepstermijn van 10 dagen voorzien, gaat het dus om verschillende, van elkaar te onderscheiden gevallen. Verzoekende partij (haar raadsman) lijkt hier evenwel aan voorbij te gaan/dit uit het oog te verliezen.” De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen bevestigt dus dat te dezen artikel 57/6, § 3, eerste lid, van de vreemdelingenwet van toepassing is en hij maakt enkel een vergelijking met de in artikel 57/6/1, § 1 bedoelde situatie. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft derhalve geen inhoud of betekenis gegeven aan verzoekers beroepschrift die strijdig is met de bewoordingen ervan. VII-41.431-2/4 Het eerste middelonderdeel is kennelijk ongegrond. Tweede middelonderdeel: “schending van de artikelen 39/57 en 57/6, § 3 van de vreemdelingenwet”
- Naar luid van artikel 57/6, § 3, eerste lid, 3°, van de vreemdelingenwet kan de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen een verzoek om internationale bescherming niet-ontvankelijk verklaren wanneer de betrokkene reeds internationale bescherming geniet in een andere lidstaat van de Europese Unie. Artikel 57/6, § 3, derde lid, van dezelfde wet bepaalt dat de beslissing wordt getroffen “binnen een termijn van vijftien werkdagen na ontvangst van het verzoek om internationale bescherming dat door de minister of zijn gemachtigde werd overgezonden”. Artikel 39/57, § 1, tweede lid, 3°, van de vreemdelingenwet voorziet dat de beroepstermijn 10 dagen bedraagt “indien het beroep gericht is tegen de in artikel 57/6, § 3, eerste lid, bedoelde beslissing van niet-ontvankelijkheid”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft de voornoemde bepalingen niet geschonden door in het bestreden arrest te stellen dat een beroepstermijn van 10 dagen geldt, ook indien de beslissing met toepassing van het voormelde artikel 57/6, § 3, eerste lid, 3°, is genomen buiten de termijn van 15 werkdagen. Het gaat om een termijn van orde en bij een gebeurlijke overschrijding van die termijn gaat het nog steeds om een beslissing van niet-ontvankelijkheid. Aan het voorgaande wordt geen afbreuk gedaan doordat artikel 57/6/1, § 1, tweede en derde lid, van de vreemdelingenwet ook een behandelingstermijn van 15 werkdagen voorziet indien de commissaris-generaal heeft gekozen voor de versnelde procedure en doordat bij overschrijding van die termijn de gewone beroepstermijn van 30 dagen geldt in plaats van de in artikel 39/57, § 1, tweede lid, 2°, van de vreemdelingenwet voorziene beroepstermijn van 10 dagen. Het gaat om afzonderlijke bepalingen en het nemen van een beslissing van niet-ontvankelijkheid omdat de betrokkene reeds beschikt over internationale bescherming in een andere lidstaat kan niet worden gelijkgesteld met de keuzemogelijkheid voor de commissaris-generaal om in andere zaken toepassing te maken van een versnelde procedure. VII-41.431-3/4 Het tweede middelonderdeel is kennelijk ongegrond. BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op dertig juni tweeduizend tweeëntwintig, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Carlo Adams VII-41.431-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ORD.14.948 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div