← België

Cassatiebeschikking 14949 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 30/06/2022

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 30 juni 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ORD.14.949 Rolnummer: A. 236477/VII-41426 Zaak: Cassatiebeschikking 14949 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 30/06/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-07-01 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-06-10 07:12 Fiche Beschikking nr 14.949 van 30 juni 2022 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 14.949 van 30 juni 2022 in de zaak A. 236.477/VII-41.426 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Tristan Wibault kantoor houdend te 1060 Brussel Henri Jasparlaan 128 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 25 mei 2022, strekt tot de cassatie van arrest nr. 271.667 van 22 april 2022 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 15 juni 2022 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. Eerste middel
  2. Verzoekster voert aan dat zij “verschillende stukken [heeft] neergelegd die een zware psychologische opvolging aantonen zowel als het bestaan van ernstige posttraumatische stoornissen als van suïcidale gedachten”, dat “dergelijke toestand kan uitleggen dat verzoekster moeilijkheden heeft gekend om haar traumatische ervaringen VII-41.426 -1/4 in Griekenland te vertellen”, dat zij “verklaart verkracht te zijn geweest en […] hospitalisatie en psychiatrische rapporten neer[legt] waar staat dat zij aan ernstige posttraumatische stoornissen lijdt, die tot uiting komen in de vorm van hardnekkige slapeloosheid, angst, zelfbevrediging en depressie, alsmede in steeds sterkere mate suïcidale gedachten” en dat “in tegenstrijdigheid tot wat is gesteld in het bestreden arrest, […] het administratief dossier wel elementen in[houdt] om te kunnen vaststellen dat verzoekster kwetsbaar is in de zin van artikel 1, 12° van de Vreemdelingenwet”. Volgens verzoekster “moest de administratie bij een tweede asielaanvraag wel beseffen dat verzoekster een kwetsbare persoon was, wat een specifieke behandeling vereist, zoals bepaal[d] in artikel 48/9 van de Vreemdelingenwet”. Verzoekster had in het tweede onderdeel van het tweede middel voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aangevoerd dat zij “een kwetsbaar profiel [heeft], hetgeen impliceert dat procedurele waarborgen werden ingesteld” en zij had daartoe aangehaald dat zij “verschillende stukken [heeft] neergelegd die zowel een zware psychologische opvolging aantonen als het bestaan van ernstige posttraumatische stoornissen als van suïcidale gedachten” en dat “dergelijke toestand [kan] uitleggen dat verzoekster moeilijkheden om haar traumatische ervaringen in Griekenland te vertellen heeft gekend”. In het bestreden arrest overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dienaangaande dat de verwerende partij “terecht [kon] besluiten dat er in hoofde van verzoekster geen sprake is van bijzondere procedurele noden”, dat “het […] aan verzoekster [is] om aan te geven dat zij mogelijk problemen zou kennen gedurende de procedure”, dat “de vragenlijst ‘bijzondere procedurele noden’, ingevuld door verzoekster op 3 juni 2021, […] geen elementen [bevat] waaruit kan blijken dat zij eventuele bijzondere procedure noden kenbaar maakte”, dat “de asielinstanties […] uit verzoeksters profiel en verklaringen, noch uit de elementen in het administratief dossier geen dergelijke conclusies [konden] afleiden” en dat “verzoekster […] bovendien na[laat] om in haar verzoekschrift uit te werken welke maatregelen dan wel genomen hadden moeten of kunnen worden om haar rechten in het kader van de procedure te doen respecteren of om aan haar verplichtingen te voldoen”. Met de voormelde motivering antwoordt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen duidelijk op verzoeksters zeer algemene kritiek. Waar verzoekster thans in wezen haar kritiek herhaalt, toont zij geen schending aan van artikel 1, 12°, of artikel 48/9 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het VII-41.426 -2/4 grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’. In de mate dat verzoekster met die algemene kritiek het bestaan van bijzondere procedurele noden herhaalt, vraagt zij in wezen een nieuwe beoordeling van de zaak zelf, waarvoor de Raad van State als administratieve cassatierechter niet bevoegd is.
  3. Verzoekster zet niet uiteen op welke wijze de overige in het opschrift van het middel aangehaalde bepalingen zouden zijn geschonden met het bestreden arrest.
  4. Het eerste middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. Tweede middel
  5. Verzoekster voert aan dat “de medische vaststelling van haar zware trauma een ander begrip van haar verklaringen [brengt], wat op zich een nieuw element vormt”, dat “[het] trauma van verzoekster [onbekend] was bij het onderzoek van haar eerste asielaanvraag” en dat “de vaststellingen van Psychiater [D.] een grondig onderzoek [moesten] krijgen als nieuw element”. Met het voorgaande bevestigt verzoekster slechts op algemene wijze haar eigen standpunt ten gronde en vraagt zij opnieuw een beoordeling van de zaak zelf. Bovendien citeert zij enkel de laatste alinea van punt 8 van het bestreden arrest, doch gaat zij volledig voorbij aan de omstandige motivering in punt 10 van dat arrest, waarin concreet wordt ingegaan op de door verzoekster bijgebrachte stukken betreffende haar psychische toestand, met inbegrip van het meest recente psychiatrisch voortgangsrapport van psychiater D. van 22 maart
  6. Hieruit blijkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wel degelijk rekening heeft gehouden met de argumenten en stukken betreffende verzoeksters toestand.
  7. Het tweede middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. VII-41.426 -3/4 BESLUIT:
  8. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  9. Verzoekster wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op dertig juni tweeduizend tweeëntwintig, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Carlo Adams VII-41.426 -4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ORD.14.949 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.