← België

Cassatiebeschikking 15026 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 19/09/2022

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 19 september 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ORD.15.026 Rolnummer: A. 236609/VII-41525 Zaak: Cassatiebeschikking 15026 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 19/09/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-09-21 Raadplegingen: 80 - laatst gezien 2026-06-10 07:28 Fiche Beschikking nr 15.026 van 19 september 2022 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 15.026 van 19 september 2022 in de zaak A. 236.609/VII-41.525 In zake : 1. XXXXX 2. XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Tristan Wibault kantoor houdend te 1060 Brussel Henri Jasparlaan 128 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 13 juni 2022, strekt tot de cassatie van arrest nr. 270.479 van 25 maart 2022 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 29 juni 2022 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. De jurisdictionele motiveringsplicht 1. De verzoekers werpen een schending op van artikel 149 van de Grondwet, van artikel 39/65 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: VII-41.525 -1/7 vreemdelingenwet) en van “de motiveringsplicht”. Zij houden voor dat de motivering van het bestreden arrest betreffende de bij hun beroepschrift en hun aanvullende nota gevoegde stukken met betrekking tot hun geloofsbeleving in België “voorbij[gaat] aan de inhoud van de neergelegde documenten” terwijl “verscheidene van de bij het verzoekschrift gevoegde attesten uitdrukkelijk in[gaan] op de geuite twijfel aan de oprechtheid van de bekering van verzoekster”. Bij gebrek aan “enige uitleg over de redenen waarom dergelijke standpunten moeten verworpen zijn”, achten de verzoekers “de motiveringsplicht” geschonden. 2. De door artikel 149 van de Grondwet aan de rechter en door artikel 39/65 van de vreemdelingenwet specifiek aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen opgelegde verplichting om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren heeft het karakter van een vormvereiste. Een uitspraak is gemotiveerd in de zin van de voornoemde bepalingen wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet die hem ertoe brengen die beslissing te nemen. Om te voldoen aan de jurisdictionele motiveringsplicht is het bijgevolg niet relevant of die motieven in rechte of in feite juist zijn. Alleen een gemis aan motivering of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals tegenstrijdigheid in de motieven, maken een schending uit van de jurisdictionele motiveringsplicht. De jurisdictionele motiveringsplicht houdt evenwel niet in dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen moet antwoorden op elk argument dat is aangevoerd tot staving of weerlegging van een middel doch dat geen afzonderlijk middel of afzonderlijke weerlegging vormt. 3. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt in het bestreden arrest eerst dat de verzoekers hebben nagelaten in Italië een verzoek om internationale bescherming in te dienen, dat zij bij hun aankomst in België op 4 januari 2020 initieel ook niet van plan waren dergelijk verzoek in te dienen, dat zij dat op 7 januari 2020 toch hebben gedaan omdat zij hier betrapt waren met een vals paspoort, dat hun doel was om naar Engeland te reizen en dat hieruit kan worden afgeleid dat zij een nood aan internationale bescherming niet dringend noodzakelijk achtten, hetgeen hun algemene geloofwaardigheid ondermijnt. Vervolgens onderzoekt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de geloofwaardigheid van de verklaringen van de verzoekers over hun gestelde godsdienstige bekering. Op omstandig gemotiveerde wijze treedt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de beslissing van de verwerende partij bij “in de motivering dat een vrijwillige en overtuigde bekering van de islam naar het christendom, zeker in een VII-41.525 -2/7 islamitisch land als Iran, een zeer ingrijpende en fundamentele gebeurtenis is waarbij men zou verwachten dat er aan deze bekering een ruime mate aan reflectie en studie vooraf is gegaan” en stelt dat “[u]it de verklaringen van verzoekster blijkt dat hier in casu geen sprake van is” zodat verzoekster “dan ook niet aannemelijk [maakt] dat zij in Iran werkelijk vanuit een oprechte en diepgaande overtuiging naar het christendom bekeerd is”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen oordeelt dat “in de bestreden beslissingen terecht werd geoordeeld dat verzoeksters verklaringen inzake de omstandigheden van haar bekering tot het christendom en de problemen die zij ondervond hierdoor, ongeloofwaardig zijn” en dat “[d]e vaststelling dat verzoekers ongeloofwaardige en incoherente verklaringen afleggen over de omstandigheden waarin verzoeksters beweerde bekering tot het christendom is geschiedt, […] aldus wel degelijk afbreuk [doet] aan de geloofwaardigheid van de door hen ingeroepen vermeende bekering van verzoekster tot het christendom”. Volgens de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen is in de voor hem bestreden beslissingen “bovendien terecht [geoordeeld] dat de ongeloofwaardigheid van verzoekers’ geloofsactiviteiten en problemen in Iran reeds een negatieve indicatie vormt voor de geloofwaardigheid van hun beweerde (voortgezette) religieuze engagement na hun aankomst in België”. Hij merkt op, “[w]aar verzoekers aanvoeren dat de ‘diepte van het geloof’ van verzoekster niet werkelijk onderzocht is, […] dat dit een loutere bewering betreft”, dat “verzoekster tijdens haar persoonlijk onderhoud wel degelijk uitgebreid [werd] ondervraagd over haar proces van bekering in Iran”, dat zij “tevens uitgebreid [werd] ondervraagd over haar religieuze engagement en activiteiten in België en in tegenstelling tot hetgeen verzoekers beweren in hun verzoekschrift, […] zij ook uitgebreid werd ondervraagd over haar kennis van het christendom […]”, doch dat “[v]erzoeksters kennis van het christendom zoals blijkt uit haar verklaringen tijdens het persoonlijk onderhoud […] evenwel geen afbreuk [doet] aan de vaststellingen in de bestreden beslissingen die bijdragen aan de beoordeling dat verzoeksters bekering tot het christendom en geloofsactiviteiten in België niet is ingegeven door een fundamentele en diepgaande overtuiging doch louter een opportunistisch karakter heeft, zijnde (

  1. i)het snelle karakter van haar doopsel in België en (
  2. ii)het feit dat zij nog nooit naar een kerkviering georganiseerd door haar kerkgemeenschap ging”. Om de geloofwaardigheid van een bekering in het kader van een verzoek om internationale bescherming te beoordelen, dienen volgens de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen te worden beoordeeld (
  3. i)de omstandigheden waarin de godsdienstige overtuiging werd verworven, dit zijn de motieven voor en het proces van bekering, (
  4. ii)de verhouding tot de dogmatische aspecten, rituelen of voorschriften van de VII-41.525 -3/7 godsdienst waartoe verzoekster volgens haar verklaringen behoort, dit is haar kennis van het nieuwe geloof en (iii) de wijze waarop de verzoekster het geloof opvat en beleeft, zoals activiteiten die zij onderneemt binnen de nieuwe geloofsovertuiging en het effect van de veranderingen. Hierbij zet de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen uiteen dat “het dus aan verzoekster [is] om aannemelijk maken dat zij door de christelijke godsdienst is overtuigd en dat de christelijke godsdienst een essentieel onderdeel is geworden van haar identiteit”, dat “[v]an verzoekster kan verwacht worden uiteen te zetten om welke reden en op welke wijze het proces van bekering is geschied, alsook wat de persoonlijke betekenis van de bekering of van de nieuwe geloofsovertuiging inhoudt” en dat “[d]it […] des te meer [geldt] nu verzoekster afkomstig is uit een land waar de bekering tot een andere dan de in het land algemeen gangbare geloofsovertuiging, strafbaar en maatschappelijk niet aanvaardbaar is, daar een bekering in die omstandigheden ingrijpende en verstrekkende gevolgen heeft voor verzoekster”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen “beklemtoont dat een bekering een weloverwogen en fundamentele levensbeslissing is zodat het van verzoekster redelijkerwijze verwacht kan worden dat zij een proces van twijfel en verwarring zou hebben doorgemaakt, de tijd zou hebben genomen om zich in haar nieuwe geloof te verdiepen en na te denken over haar beslissing en de eventuele consequenties te overwegen”. Op basis van het voorgaande meent de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen “dat voormelde elementen in casu ontbreken” en dat “[v]erzoekster […] niet [kon] overtuigen omwille van een diepere overtuiging bekeerd te zijn tot het christendom”. Hierna overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen concreet over de persoonlijke situatie van de verzoekers en de door hen bijgebrachte stukken met betrekking tot hun geloofsbeleving in België: “Verzoekers menen dat rekening moet worden gehouden met de context waarin verzoekster gedoopt is, waarbij zij toelichten dat dit plaatsvond gedurende één maand waarin zij gedetineerd waren en mogelijk gerepatrieerd zouden worden. In dergelijke context achten zij het niet vreemd dat zich een intense band ontwikkeld had en een belangrijke beslissing genomen werd. De Raad acht deze toelichting echter niet voldoende om te verklaren waarom verzoekster één maand na haar aankomst in België reeds gedoopt werd, gelet op het feit dat zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij in Iran reeds bekeerd was tot het christendom. De Raad wijst er nogmaals op dat een vrijwillige en overtuigde bekering van de islam naar het christendom een zeer ingrijpende en fundamentele gebeurtenis is waarbij men zou verwachten dat er aan deze bekering een ruime mate van reflectie en studie vooraf is gegaan. Dat verzoekster zich, ook in de beschreven omstandigheden, dermate snel na haar aankomst in België reeds liet dopen, hoewel zij niet aannemelijk maakt reeds in Iran bekeerd te zijn geweest tot het christendom, getuigt dan ook niet van een oprechte en diepgaande bekering in verzoeksters hoofde. VII-41.525 -4/7 Verzoekers herhalen verder hun verklaringen tijdens het persoonlijk onderhoud dat zij geen kerk fysiek bezochten omdat dit enerzijds lange tijd niet mogelijk was door de coronamaatregelen en anderzijds dat zij de sfeer in de Iraanse Protestantse kerk die zij bezochten in Turnhout niet goed vonden, hetgeen nog bevestigd wordt in de door hen neergelegde brief van J.D.V. […]. De Raad wijst erop dat dit verweer geen afbreuk doet aan de vaststelling dat het niet aannemelijk is dat verzoekster volgens haar verklaringen nooit naar een kerkviering georganiseerd door haar kerkgemeenschap Vineyard ging, ondanks het feit dat de kerken ook gedurende een periode open waren (Notities van het persoonlijk onderhoud verzoekster, […]). Gezien verzoekster stelde dat zij heel graag naar haar kerk wou gaan en er later wilde werken als vrijwilliger (Ibid.), kon van haar ook verwacht worden dat zij zodra het was toegelaten het initiatief zou nemen om de kerk te bezoeken. Waar verzoekers nog aanvoeren dat er een taalbarrière bestaat en het dus moeilijk is voor hen om deel te nemen aan vieringen, merkt de Raad op dat dit een loutere post-factum verklaring betreft. Bovendien verklaarde verzoekster dat zij op zondagen online deel heeft genomen aan vieringen die in het Engels plaatsvonden, hoewel zij niet alles begreep (Ibid., […]). Het bestaan van een taalbarrière vormt dus geen afdoende verklaring voor verzoeksters nalatigheid om de kerk van haar kerkgemeenschap te bezoeken. Ook het feit dat uit de thans neergelegde documenten (verzoekschrift, […]; aanvullende nota, […]) blijkt dat verzoekster thans geregeld een kerk bezoekt in Turnhout, doet geen afbreuk aan de vaststelling dat zij de kerk van haar kerkgemeenschap Vineyard niet heeft bezocht. Dat verzoekers slechts vanaf de zomer van 2021, na hun persoonlijke onderhouden die plaatsvonden in april 2021, de moeite zouden nemen om op geregelde basis deel te nemen aan kerkvieringen getuigt verder van het opportunistische karakter van hun geloofsactiviteiten in België. Verzoekers menen dat de verklaringen van verzoeker dat hij nog niet klaar is voor een bekering en het feit dat zij niet regelmatig naar de Iraanse kerk gaan er net op duidt dat hun geloofsactiviteiten geen opportunistisch karakter heeft. Dit verweer doet geen afbreuk aan de pertinente en correcte vaststellingen in de bestreden beslissingen dat verzoekers er niet in slagen om hun oprechte en diepgaande bekering of hun geloofsbeleving aannemelijk te maken. Waar verzoekers in hun verzoekschrift en bij aanvullende nota nog verschillende stukken neerleggen met betrekking tot hun geloofsbeleving in België (verzoekschrift, […]; aanvullende nota, […]), wijst de Raad erop dat deze stukken verzoekers’ aanwezigheid en engagement tijdens de hierin aangehaalde religieuze activiteiten kunnen staven, doch geenszins uitsluitsel kunnen bieden over de vraag of, en dus niet kunnen aantonen dat deze aanwezigheid en dit engagement zijn ingegeven vanuit een diepgeworteld en oprecht religieus engagement. Ingevolge het volstrekt ongeloofwaardige karakter van verzoekers’ relaas met betrekking tot hun bekering en problemen in Iran en gelet op de voorgaande vaststellingen met betrekking tot hun religieuze activiteiten in België, oordeelt de Raad dat verzoekers’ religieuze activiteiten alhier een kennelijk en louter opportunistisch karakter hebben en er enkel toe strekken om op deze basis een vorm van internationale bescherming of een verblijfsmachtiging te kunnen verwerven.” 3. Uit de voorgaande motivering blijkt duidelijk waarom de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, ondanks de door de verzoekers bijgebrachte attesten over de bekering van verzoekster en haar geloofsovertuiging, van oordeel is dat die voorgehouden bekering slechts een opportunistisch karakter heeft. Die motivering is veel ruimer dan enkel de door de verzoekers geciteerde alinea uit het bestreden arrest. De verzoekers tonen dan ook VII-41.525 -5/7 geen schending aan van de in artikel 149 van de Grondwet en artikel 39/65 van de vreemdelingenwet vervatte jurisdictionele moticeringsplicht. De bewijskracht van akten en de artikelen 8.17 en 8.18 van het Burgerlijk Wetboek 4. De bewijskracht van een akte wordt slechts geschonden indien de rechter een betekenis geeft aan die akte die strijdig is met de bewoordingen of de inhoud ervan. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt in het bestreden arrest dat uit de kwestieuze door de verzoekers overgelegde stukken wel de aanwezigheid en het engagement van de verzoekers tijdens de aangehaalde vieringen kan blijken doch niet de waarachtigheid van een diepgeworteld en oprecht religieus engagement dat tot verzoeksters bekering zou hebben geleid. Hij houdt hierbij rekening met de andere omstandig uiteengezette omstandigheden van de zaak. Met die beoordeling geeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geen betekenis aan de door de verzoekers bedoelde stukken die in strijd is met de bewoordingen of de inhoud ervan. De vraag of uit die stukken al dan niet een oprecht engagement kan worden afgeleid, betreft de bewijswaarde van de stukken, waarover de feitenrechter zich soeverein uitspreekt. De overige aangehaalde bepalingen 5. De verzoekende partijen zetten niet uiteen op welke wijze, anders dan met de voorgaande en niet gegrond bevonden kritiek, de overige in het opschrift van het middel aangehaalde bepalingen zouden zijn geschonden met het bestreden arrest. Conclusie 6. Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. VII-41.525 -6/7 BESLUIT: 1. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar. 2. De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 400 euro, ieder voor de helft. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op negentien september tweeduizend tweeëntwintig, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Carlo Adams VII-41.525 -7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ORD.15.026 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.