← België

Cassatiebeschikking 15050 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 11/10/2022

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 11 oktober 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ORD.15.050 Rolnummer: A. 236769/VII-41579 Zaak: Cassatiebeschikking 15050 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 11/10/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-10-18 Raadplegingen: 75 - laatst gezien 2026-06-10 07:36 Fiche Beschikking nr 15.050 van 11 oktober 2022 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 15.050 van 11 oktober 2022 in de zaak A. 236.769/VII-41.579 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Julien Wolsey kantoor houdend te 1060 Brussel Verbindingslaan 27 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 8 juli 2022, strekt tot de cassatie van arrest nr. 274.081 van 15 juni 2022 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 20 juli 2022 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. Eerste middel
  2. Naar luid van artikel 57/6/2, § 1, van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ onderzoekt de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen in het geval van een volgend verzoek om internationale bescherming “bij voorrang of er nieuwe elementen of feiten aan de orde zijn, of door de verzoeker zijn voorgelegd, die de kans aanzienlijk groter maken dat de verzoeker voor erkenning als vluchteling in de zin van VII-41.579-1/6 artikel 48/3 of voor subsidiaire bescherming in de zin van artikel 48/4 in aanmerking komt”. Bij gebrek aan dergelijke feiten of elementen verklaart hij het verzoek niet-ontvankelijk. Het volstaat dus niet dat het gaat om “nieuwe elementen” op zich, deze moeten ook “de kans aanzienlijk groter maken” dat de betrokkene in aanmerking komt voor internationale bescherming.
  3. Volgens verzoekster is een onderzoek ten gronde van haar volgend (derde) verzoek om internationale bescherming “eenvoudigweg onvermijdelijk” omdat “niet ernstig wordt betwist, en evenmin wordt betwist, dat verzoekster niet langer een dergelijke bescherming geniet (om welke reden ook)” ingevolge de herroeping dan wel intrekking van haar internationale bescherming in Duitsland.
  4. Met de stelling dat het “onvermijdelijk” gaat om een nieuw element in de zin van artikel 57/6/2, § 1, van de vreemdelingenwet, vraagt verzoekster in wezen een nieuwe feitelijke beoordeling van het aangevoerde nieuwe element en de uit dat element voortvloeiende gevolgen. Als feitenrechter oordeelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen te dezen soeverein of de door verzoekster voorgelegde nieuwe elementen al dan niet de kans aanzienlijk groter maken dat verzoekster in aanmerking komt voor internationale bescherming. De Raad van State is als administratieve cassatierechter niet bevoegd om in de beoordeling van de zaak zelf te treden.
  5. Verder gaat verzoekster voorbij aan de concrete beoordeling van de (op zich in het bestreden arrest inderdaad niet betwiste) herroeping/intrekking van verzoeksters beschermingsstatus in Duitsland. Waar verzoekster betwist dat de herroeping of intrekking van haar internationale beschermingsstatus in Duitsland op haar eigen vraag is gebeurd, stelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen immers vast dat uit de door verzoekster bijgebrachte kennisgeving van 1 juli 2020 niet kan blijken op welke gronden haar vluchtelingenstatus in Duitsland werd ingetrokken of herroepen en dat de status van verzoeksters zoon werd ingetrokken omdat hij naar een onbekende bestemming bleek te zijn verhuisd, hij niet langer over een geldige verblijfsvergunning beschikte in Duitsland en daaruit bleek dat hij internationale bescherming niet meer nodig vond. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen stelt ook vast “dat [verzoekster] in het kader van haar tweede verzoek om internationale VII-41.579-2/6 bescherming verklaarde een advocaat te hebben die haar zei naar Duitsland te gaan om een intrekking in te dienen voor haar verblijf”. Hij overweegt dat “het aan verzoekster toekomt niet enkel te staven dat de Duitse instanties haar statuut effectief hebben ingetrokken, doch ook de redenen waarop deze intrekking werd gesteund alsook het gebrek aan de mogelijkheid om deze beslissing aan te vechten” doch dat verzoekster dit niet aantoont, evenmin “waar zij in haar pleitnota op algemene wijze uiteenzet Duitsland te hebben verlaten wegens een conflict met haar (ex-)echtgenoot en de toekomstige vader van haar kind teneinde hulp te zoeken bij haar moeder die erkend vluchtelinge is in België”, vermits “[v]erzoekster […] immers aan[geeft] Duitsland vrijwillig, en geenszins als het gevolg van een beslissing van de Duitse autoriteiten, te hebben verlaten en naar België te zijn gekomen”. Volgens de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen “toont verzoekster overigens hoe dan ook niet aan in Duitsland de (beschermings)mogelijkheden of middelen te hebben uitgeput die haar aldaar ter beschikking stonden” en “hij beklemtoont in dit licht dan ook dat het niet de bedoeling kan zijn dat vrijwillig afstand kan worden gedaan van bescherming toegekend in een andere lidstaat van de Europese Unie, doch ook dat hetzelfde geldt voor het aannemen van een houding die leidt tot een intrekking”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen benadrukt hierbij “dat op voormelde vaststellingen van verweerder betreffende de afwezigheid van een gemotiveerd besluit in hoofde van verzoekster, daar waar zij dit wel voorlegt voor haar zoon, door verzoekster in haar pleitnota niet wordt ingegaan, noch biedt zij hiervoor een aannemelijke verklaring”. Uit het voorgaande leidt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen af: “Waar verzoekster haar betoog aanvult met de stelling dat deze stap geenszins kan gelijkgesteld worden met een afstandsverklaring of met een erkenning van het ontbreken van de nood aan internationale bescherming in geval van een terugkeer naar Syrie, merkt de Raad nog op dat deze houding en verzoeksters (gebrek aan) handelen zoals hiervoor vastgesteld wel degelijk in strijd zijn met de houding van een persoon die meent actueel nog steeds een nood aan internationale bescherming te hebben. Zoals tevens door de commissaris-generaal wordt aangestipt, is de Raad van oordeel dat verzoeksters handelen, waarbij zij verzaakt de redelijk van haar te verwachten inspanningen te leveren ten aanzien van een internationale beschermingsstatus die haar reeds in een andere lidstaat van de Europese Unie (in casu Duitsland) werd verleend, terwijl zij inmiddels een nieuw verzoek heeft ingediend om eenzelfde internationale beschermingsstatus te verkrijgen in een andere lidstaat (in casu België) zonder evenwel enige garantie te hebben wat betreft de uitkomst van zulk een nieuw verzoek, niet alleen kan worden aangemerkt als een intentionele poging om de vigerende Belgische en Europese regelgeving te omzeilen, maar tevens haaks staat op de gegrondheid of de ernst van de nood aan internationale bescherming die zij beweert te hebben.” VII-41.579-3/6 De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen oordeelt aldus op grond van de concrete omstandigheden van de zaak, te weten de reden waarom de vluchtelingenstatus van verzoeksters zoon werd ingetrokken, de door verzoekster zelf afgelegde verklaringen en verzoeksters handelwijze, waarbij zij onder meer nalaat het bewijs bij te brengen van de redenen waarom haar status in Duitsland werd ingetrokken of herroepen, dat hij verzoeksters houding in strijd acht met die van een persoon die meent actueel nog steeds een nood aan internationale bescherming te hebben. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen kon dan ook zonder schending van artikel 57/6/2, § 1, van de vreemdelingenwet tot de conclusie komen dat verzoekster geen nieuwe elementen of feiten heeft aangebracht die de kans aanzienlijk groter maken dat zij in aanmerking komt voor internationale bescherming. Zoals hoger reeds aangegeven, komt het de Raad van State als administratieve cassatierechter niet toe deze door de feitenrechter gemaakte beoordeling over te doen.
  6. Verzoekster acht niet anders dan met de voorgaande doch ongegrond bevonden kritiek ook de artikelen 48/3 en 48/4 van de vreemdelingenwet en artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend te Rome op 4 juni 1950, geschonden. Net omdat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op concreet gemotiveerde en niet onwettig bevonden wijze besluit dat verzoeksters houding in strijd is met die van een persoon die meent actueel nog steeds een nood aan internationale bescherming te hebben, toont verzoekster geen schending aan van deze bepalingen.
  7. Het eerste middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. Tweede middel
  8. Volgens verzoekster schendt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen met het bestreden arrest de artikelen 8.15, 8.17, 8.18, 8.23 en 8.26 van het Burgerlijk Wetboek en “de draagwijdte en de bewijskracht van de akten” door te oordelen dat verzoekster vrijwillig afstand heeft gedaan van de internationale bescherming die zij in Duitsland genoot, of een houding heeft aangenomen die erop is gericht deze status te verliezen, terwijl de Duitse beslissing tot intrekking is gesteund op § 73 van de Duitse VII-41.579-4/6 asielwet en “[d]eze wettelijke bepaling geen betrekking heeft op vrijwillige afstand, maar veeleer op een wijziging van omstandigheden die een intrekking rechtvaardigt”.
  9. Het door verzoekster bijgebrachte stuk van het Bundesamt für Migration und Flüchtlinge van 1 juli 2020 vormt slechts de mededeling dat verzoeksters asielprocedure werd afgesloten (Abschlussmitteilung), namelijk door de herroeping of intrekking van haar erkenning als vluchteling, dat de beslissing berust op een document van 24 april 2020 en dat dit laatste document haar ter kennis werd gebracht (of geacht wordt te zijn) op 29 mei
  10. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen stelt net vast dat verzoekster de gemotiveerde beslissing tot intrekking niet bijbrengt en steunt zich verder op andere elementen zoals de motieven tot intrekking van de vluchtelingenstatus van verzoeksters zoon, verzoeksters verklaringen en verzoeksters eigen handelwijze. Derhalve heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geen betekenis gegeven aan de Abschlussmitteilung van 1 juli 2020 die in strijd is met de bewoordingen of de inhoud ervan.
  11. Het tweede middel is kennelijk ongegrond. BESLUIT:
  12. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  13. Verzoekster wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. VII-41.579-5/6 Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op 11 oktober 2022, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Carlo Adams VII-41.579-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ORD.15.050 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.