← België

Cassatiebeschikking 15053 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 11/10/2022

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 11 oktober 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ORD.15.053 Rolnummer: A. 236874/VII-41604 Zaak: Cassatiebeschikking 15053 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 11/10/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-10-13 Raadplegingen: 82 - laatst gezien 2026-06-10 07:36 Fiche Beschikking nr 15.053 van 11 oktober 2022 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 15.053 van 11 oktober 2022 in de zaak A. 236.874/VII-41.604 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bobber Loos kantoor houdend te 2060 Antwerpen Rotterdamstraat 53 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 19 juli 2022, strekt tot de cassatie van arrest nr. 274.148 van 16 juni 2022 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 3 augustus 2022 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. Eerste onderdeel van het enige middel 1. Verzoekster acht de in artikel 149 van de Grondwet vervatte jurisdictionele motiveringsplicht geschonden omdat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest niet zou hebben geantwoord op haar argumentatie betreffende het “prospectief karakter van de vrees voor vervolging”, meer bepaald dat “een beslissing over de gegrondheid van een vrees voor vervolging […] in VII-41.604-1/5 essentie een oefening in voorspellen [blijft]” waarbij “de asielinstantie zich uiteindelijk [dient] uit te spreken over de toekomst”. 2. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt eerst dat “[h]et verzoek om internationale bescherming is gebaseerd op [verzoeksters] vrees voor geweldpleging door haar echtgenoot, die haar zou hebben bedrogen en geslagen ook in het bijzijn van haar kinderen en die haar oudste zoon met een aansteker heeft verbrand” en dat “[z]ij verklaart dat in geval van terugkeer de Egyptische autoriteiten niet in staat zullen zijn om haar te beschermen tegen haar echtgenoot”. Hieruit blijkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verzoeksters argumentatie wel degelijk leest in het licht van de toekomst, namelijk het risico dat verzoekster al dan niet loopt “in geval van terugkeer”. Waar verzoekster voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen concreet had aangevoerd dat “niet enkel [dient] gekeken te worden naar de problemen die verzoekster in het verleden had met haar echtgenoot (toen ze zich schikte naar zijn grillen), maar ook naar de mogelijke problemen bij een terugkeer” en dat “[d]e kans dat de problemen zullen escaleren […] zeer reëel [is]”, overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen: “In zoverre verzoekster zich met betrekking tot de ernstige schade zoals bedoeld in artikel 48/4, § 2,

  1. b)van de Vreemdelingenwet beroept op de aangevoerde problemen met haar echtgenoot, stelt de commissaris-generaal vast hoewel verzoekster zich in een moeilijke en onrechtvaardige situatie bevond, er geen nood aan internationale bescherming worden afgeleid nu
  2. i)verzoekster met de hulp van haar familie haar man kon verlaten en ze bezig is met de scheiding;
  3. ii)haar schoonbroer is tussengekomen toen haar man haar slecht behandelde; iii) verzoekster de reistoestemming voor de kinderen van haar man kon bekomen en,
  4. iv)de echtelijke problemen onvoldoende zwaarwichtig zijn om aanleiding te geven tot het toekennen van subsidiaire bescherming. De Raad stelt vast dat de commissaris-generaal de echtelijke problemen van verzoekster inderdaad niet betwist, doch dienaangaande oordeelde dat ze onvoldoende zwaarwichtig zijn om aanleiding te geven tot het toekennen van subsidiaire bescherming. De Raad erkent dat fysiek geweld tegen een echtgenote, waarvan in casu sprake, wel degelijk een grond kan vormen voor de toekenning van de subsidiaire beschermingsstatus onder artikel 48/4, § 2,
  5. b)Van de Vreemdelingenwet (EASO, Judicial Analysis, ‘Vulnerability in the context of applications for international protection’, 2021, p. 158), maar wijst er op dat het risico voor verzoekster om slachtoffer te worden van huiselijk geweld in concreto aannemelijk moet worden gemaakt, quod non, zoals reeds supra uiteengezet. Nu het huiselijk geweld niet aannemelijk wordt gemaakt gelet op hetgeen supra reeds werd uiteengezet waarbij de Read nogmaals benadrukt dat haar man haar de toestemming heeft gegeven om te reizen niettegenstaande het door haar opgehangen profiel van haar echtgenoot, waarbij zij verklaarde dat hij haar iets zou aandoen als zij zou vertrekken, afbreuk doet aan de ernst van de haar voorgestelde problemen. VII-41.604-2/5 De Raad herhaalt verder dat verzoekster een volwassen vrouw van 34 jaar is, die afgestudeerd is in de studies ‘handel en economie’ en haar bachelor heeft behaald (CGVS verhoor 1, p. 5), dat zij wel degelijk mensen kent in Egypte, weliswaar beperkt (CGVS verhoor 2, p. 7) maar dit wijt aan het feit dat de mentaliteit er anders is, dat zij stappen heeft ondernomen om, hoewel zij de Syrische nationaliteit bezit, ook de Egyptische nationaliteit te bekomen (CGVS verhoor 2, 8), dat zij beroep kon doen op hulp van haar schoonbroer (CGVS verhoor 1, p. 10) en de echtgenoot van haar schoonbroer haar geholpen heeft in Egypte (CGVS' verhoor 1, p. 11) en dat zij er nooit over heeft nagedacht om ergens anders te gaan wonen in Egypte (CGVS verhoor 1, p. 11). Uit de volgende vaststellingen zoals weergegeven in de bestreden beslissing, namelijk dat verzoekster haar land kon verlaten door een simpele smoes te vertellen aan haar echtgenoot, wat niet geloofwaardig is rekening houdend met het profiel dat verzoeker van haar echtgenoot heeft opgehangen (zie supra), (CGVS verhoor 04.10.2021, p. 15), dat zij verklaarde dat haar schoonbroer haar echtgenoot had opgebeld met de mededeling dat nu haar niet slecht hoefde te behandelen en niet diende te slagén (CGVS verhoor 04:10.2021, p. 10), wat ook opmerkelijk is indien haar echtgenoot inderdaad dermate agressief zou zijn en dat zij van haar echtgenoot wenst te scheiden, wat zij overigens ook aan haar echtgenoot kenbaar maakte en zij er desondanks in slaagde uit Egypte te vertrekken (CGVS verhoor 04.10.2021, p. 10) kan de Raad niet zonder meer stellen dat er een nood blijkt aan internationale bescherming. Waar verzoekster in haar verzoekschrift uitvoerig ingaat op het gebrek aan nationale bescherming markt de Raad op dat uit voorgaande is gebleken dat er ten aanzien van verzoekster geen zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat, wanneer zij naar Egypte terugkeert, een reëel risico zou lopen op ernstige schade zoals bepaald in paragraaf 2 van artikel 48/4 van de Vreemdelingenwet, waardoor het onderzoek naar de bescherming van dat land zich niet verder opdringt. Na grondige lezing van het administratief en rechtsplegingsdossier, het verzoekschrift en de opmerkingen van partijen ter terechtzitting, stelt de Raad vast dat verzoekster er niet in slaagt een gegronde vrees voor vervolging in de zin van artikel 48/3 of een reëel risico op ernstige schade In de zin van artikel 48/4 § 2,
  6. a)en
  7. b)van de Vreemdelingenwet aannemelijk te maken.” Met de voorgaande motivering beoordeelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wel degelijk verzoeksters voormelde (zeer algemene) argumentatie betreffende het risico dat zij bij een terugkeer naar Egypte zou lopen ingevolge de problemen met haar echtgenoot. Verzoekster toont geen schending aan van de jurisdictionele motiveringsplicht. 3. Verzoekster toont derhalve evenmin een schending aan van de overige door haar aangevoerde bepalingen doordat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geen rekening zou hebben gehouden met de risico’s voor verzoekster bij een terugkeer naar Egypte ingevolge de problemen met haar echtgenoot. VII-41.604-3/5 Tweede onderdeel van het enige middel 4. Verzoekster voert aan dat volgens de beslissing van de verwerende partij de echtelijke problemen van verzoekster geen verband zouden houden met de criteria van het internationaal verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (hierna: vluchtelingenverdrag), dat het aangevoerde intrafamiliale geweld wel degelijk onder het vluchtelingenverdrag valt en dat in het bestreden arrest niet wordt ingegaan op de argumenten van verzoekster “waarom partnergeweld juridisch gezien vervolging kan uitmaken wegens het toebehoren tot een welbepaalde sociale groep”. 5. In het bestreden arrest wordt, zoals blijkt uit de behandeling van het eerste middelonderdeel, op grond van alle omstandigheden van de zaak gemotiveerd waarom de door verzoekster voorgehouden problemen met haar echtgenoot (partnergeweld) te dezen niet kunnen leiden tot een risico op vervolging in de zin van het vluchtelingenverdrag. Hierbij wordt nergens gesteld dat het door een vrouw ingeroepen intrafamiliale geweld als dusdanig niet onder de criteria van het vluchtelingenverdrag kan vallen. Verzoeksters kritiek berust op een verkeerde lezing van het bestreden arrest. Conclusie 6. Het enige middel is kennelijk ongegrond. BESLUIT: 1. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar. 2. Verzoekster wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. VII-41.604-4/5 Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op 11 oktober 2022, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Carlo Adams VII-41.604-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ORD.15.053 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.