id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 11 oktober 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ORD.15.055 Rolnummer: A. 237093/VII-41645 Zaak: Cassatiebeschikking 15055 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 11/10/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-10-18 Raadplegingen: 75 - laatst gezien 2026-06-10 07:36 Fiche Beschikking nr 15.055 van 11 oktober 2022 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 15.055 van 11 oktober 2022 in de zaak A. 237.093/VII-41.645 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Venceslas Woronoff kantoor houdend te 1030 Brussel Roodebeeklaan 44 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 24 augustus 2022, strekt tot de cassatie van arrest nr. 275.489 van 27 juli 2022 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 21 september 2022 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- Eerste middel
- De door artikel 149 van de Grondwet aan de rechter en door artikel 39/65 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: vreemdelingenwet) specifiek aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen opgelegde verplichting om zijn VII-41.645-1/4 rechterlijke uitspraak te motiveren heeft het karakter van een vormvereiste. Een uitspraak is gemotiveerd in de zin van de voornoemde bepalingen wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet die hem ertoe brengen die beslissing te nemen. Om te voldoen aan de jurisdictionele motiveringsplicht is het niet relevant of die motieven in rechte of in feite juist zijn. Wel moet de rechter expliciet of impliciet antwoorden op elke vraag, elke exceptie, elk middel en elk verweer van de partijen. Verzoekster acht artikel 48/5, § 3, van de vreemdelingenwet geschonden “daar geen analyse van de situatie wordt gemaakt terwijl zij aan medische problemen lijdt en bedreigingen van de familie van haar echtgenoot heeft ontvangen”. Verzoekster gaat echter voorbij aan de uitgebreide motivering in het bestreden arrest, waarin met name wordt vastgesteld dat zij volhardt in haar vluchtrelaas, een vrees voor vervolging poneert, blote beweringen uit en de gevolgtrekkingen uit de beslissing van de verwerende partij tegenspreekt, waarmee zij evenwel niet de in het bestreden arrest aangehaalde motieven van die beslissing weet te ontkrachten, noch een gegronde vrees voor vervolging aannemelijk weet te maken. Concreet met betrekking tot de houding van verzoeksters echtgenoot en de algemene situatie in Albanië overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen nog: “Waar verzoekster er in het verzoekschrift voorts nog op wijst dat de commissaris- generaal erkent dat er nog steeds hervormingen nodig zijn in het kader van de verhoging van de doeltreffendheid of het professionaliseren van de politieke en gerechtelijke autoriteiten en zij als vrouw niet over de nodige bescherming beschikt, dient te worden benadrukt dat verzoekster hiermee geen enkel valabel argument bijbrengt om te verklaren waarom zij heeft nagelaten om initiatief te nemen om een klacht neer te leggen bij de politie tegen de familie van haar echtgenoot. Bovendien dient opgemerkt dat verzoekster door het benadrukken van bepaalde bevindingen van de informatie waarop de commissaris-generaal zich heeft gebaseerd, geen afbreuk kan doen aan de pertinente vaststellingen en overwegingen van de bestreden beslissing waaruit blijkt dat de Albanese autoriteiten meer en meer aandacht besteden aan het fenomeen van huiselijk geweid en ernstige inspanningen worden geleverd om huiselijk geweld te bestrijden. Alsook waaruit blijkt dat in Albanië maatregelen werden/worden genomen om de politionele en gerechtelijke autoriteiten te professionaliseren en hun doeltreffendheid te verhogen, blijkt dat er verschillende stappen ondernomen kunnen worden om eventueel machtsmisbruik door en/of een slecht functioneren van de politie aan te klagen en kan er uit deze informatie worden afgeleid dat in geval van eventuele (veiligheids)problemen de in Albanië opererende autoriteiten aan alle onderdanen, ongeacht hun etnie, voldoende bescherming bieden en maalregelen nemen in de zin van artikel 48/5 van de Vreemdelingenwet.” Verder zet de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest uiteen dat verzoeksters medische problemen op zich geen verband houden VII-41.645-2/4 met de criteria van de artikelen 48/3 en 48/4 van de vreemdelingenwet doch dat daartoe een aanvraag om machtiging tot verblijf op grond van artikel 9ter van de vreemdelingenwet kan worden ingediend. Verzoekster herhaalt haar eigen standpunt en bekritiseert de beslissing van de verwerende partij doch zij toont daarmee niet aan op welke argumentatie ten onrechte niet zou zijn geantwoord in het bestreden arrest. Zij “betwist nog de juistheid van de vaststellingen van de Raad”, doch dit houdt geen verband met de jurisdictionele motiveringsplicht als vormvereiste. Bovendien vraagt zij daarmee een nieuwe feitelijke beoordeling, terwijl de Raad van State als administratieve cassatierechter niet in de beoordeling van de zaak zelf treedt. Dit laatste geldt ook voor verzoeksters argumentatie over de situatie in Albanië en haar stelling dat zij wel vrees koestert voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade in vluchtelingenrechtelijke zin.
- Het eerste middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. Tweede middel
- De artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Oud Burgerlijk Wetboek zijn opgeheven met ingang van 1 november 2020 terwijl het bestreden arrest dateert van 27 juli
- Bovendien specificeert verzoekster niet in het minst in welke zin de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen “geen verenigbaar uitlegging” zou hebben gegeven aan haar ter terechtzitting overgelegd medisch attest. Verzoekster gaat alleszins voorbij aan de overwegingen in het bestreden arrest “dat, hoewel begrip kan worden opgebracht voor verzoeksters medische situatie, in de bestreden beslissing terecht wordt opgemerkt dat medische problemen op zich geen verband houden met de criteria bepaald in artikel 1, a
(2)van het Vluchtelingenverdrag zoals vermeld in artikel 48/3 van de vreemdelingenwet, noch met de bepalingen vermeld in artikel 48/4 van de vreemdelingenwet inzake subsidiaire bescherming” en dat “[v]erzoekster […] zich voor de beoordeling van haar medische problematiek [dient] te richten tot de daartoe geëigende procedure, in casu een aanvraag voor een machtiging tot verblijf op grond van artikel 9ter van de Vreemdelingenwet”.
- Het tweede middel is kennelijk niet-ontvankelijk. VII-41.645-3/4 BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
- Verzoekster wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 22 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op 11 oktober 2022, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Carlo Adams VII-41.645-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ORD.15.055 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div