id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 27 oktober 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ORD.15.076 Rolnummer: A. 237129/VII-41651 Zaak: Cassatiebeschikking 15076 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 27/10/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-10-28 Raadplegingen: 75 - laatst gezien 2026-06-10 07:45 Fiche Beschikking nr 15.076 van 27 oktober 2022 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr.15.076 van 27 oktober 2022 in de zaak A. 237.129/VII-41.651 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Mieke Van den Broeck kantoor houdend te 1210 Brussel Haachtsesteenweg 55 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 25 augustus 2022, strekt tot de cassatie van arrest nr. 275.491 van 27 juli 2022 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 21 september 2022 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- Eerste onderdeel van het enige middel
- In een eerste onderdeel van het enige (genoemd “eerste”) middel voert verzoeker aan dat de door hem in zijn volgend (derde) verzoek om internationale bescherming ingeroepen bekering tot het christendom volgens de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 13 juli 2022 (hierna: VII-41.651-1/7 aanvankelijk bestreden beslissing) niet oprecht is, dit louter op grond van een ingevulde vragenlijst, zodat er geen sprake zou zijn van een nieuw element en dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen deze redenering volgt, ondanks bijkomende bewijzen van verzoekers bewering. Hierdoor zou de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen een onderzoek ten gronde hebben gevoerd.
- Artikel 57/6/2, § 1, van de vreemdelingenwet luidt: “Na ontvangst van het volgend verzoek dat door de minister of diens gemachtigde werd overgezonden op grond van artikel 51/8, onderzoekt de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen bij voorrang of er nieuwe elementen of feiten aan de orde zijn, of door de verzoeker zijn voorgelegd, die de kans aanzienlijk groter maken dat de verzoeker voor erkenning als vluchteling in de zin van artikel 48/3 of voor subsidiaire bescherming in de zin van artikel 48/4 in aanmerking komt. Bij gebrek aan dergelijke elementen of feiten verklaart de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen het verzoek niet-ontvankelijk. In het andere geval, of indien de verzoeker voorheen enkel het voorwerp heeft uitgemaakt van een beslissing tot beëindiging bij toepassing van artikel 57/6/5, § 1, 1°, 2°, 3°, 4° of 5° verklaart de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen het verzoek ontvankelijk. Bij het in het eerste lid bedoelde onderzoek houdt de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen in voorkomend geval rekening met het feit dat de verzoeker zonder geldige uitleg heeft nagelaten, tijdens de vorige procedure, in het bijzonder bij het aanwenden van het in artikel 39/2 bedoelde rechtsmiddel, de elementen te doen gelden die de indiening van zijn volgend verzoek rechtvaardigen.” Opdat een volgend verzoek om internationale bescherming ontvankelijk zou worden verklaard volstaat het derhalve niet dat “nieuwe” elementen worden aangevoerd, ze moeten ook “de kans aanzienlijk groter maken” dat de betrokkene in aanmerking komt voor erkenning als vluchteling of voor subsidiaire bescherming. Het onderzoek van deze voorwaarde betreft dan ook de ontvankelijkheid van het volgend verzoek.
- Net omdat hij verzoekers voorgehouden bekering tot het christendom niet oprecht acht, is de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest van oordeel “dat verzoeker geen nieuwe elementen aanbrengt die de kans aanzienlijk groter maken dat hij voor erkenning als vluchteling in de zin van artikel 48/3 of voor subsidiaire bescherming in de zin van artikel 48/4 in aanmerking komt”. VII-41.651-2/7 Hiermee heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geen onderzoek ten gronde gedaan maar zich enkel uitgesproken over de ontvankelijkheid van het derde verzoek om internationale bescherming, dit in overeenstemming met artikel 57/6/2, § 1, van de vreemdelingenwet. Vermits de Raad zich beperkt tot de beoordeling als hiervoor omschreven, is er geen sprake van een interpretatie die in strijd is met artikel 40, lid 2, van richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 ‘betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (herschikking)’.
- Voor zover het volgens verzoeker vaststaat “dat de bekering naar het Christendom voor een Somalische onderdaan een nieuw element vormt”, vraagt hij een nieuwe beoordeling van de zaak zelf, waarvoor de Raad van State als administratieve cassatierechter niet bevoegd is.
- Verzoekers kritiek als zou de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de aanvankelijk bestreden beslissing volgen “op grond van louter de ingevulde vragenlijst door verzoeker”, mist feitelijke grondslag. Verzoeker gaat immers voorbij aan de uitgebreide motivering in de punten 2.3.7.1 tot en met 2.3.7.3, waarin omstandig wordt gemotiveerd over alle door verzoeker aangevoerde argumenten en elementen betreffende zijn voorgehouden bekering. Tweede onderdeel van het enige middel
- Het door verzoeker genoemde “Tweede element: niet afdoende feitenvinding – onbehoorlijke behandeling van het verzoek om internationale bescherming” kan worden beschouwd als een tweede middelonderdeel.
- Verzoeker verwijst naar de “kwetsbaarheid van de asielzoeker in een gesloten centrum” waarmee in strijd met artikel 48/6 van de vreemdelingenwet geen rekening zou zijn gehouden. In punt 2.3.7.1 van het bestreden arrest oordeelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dat van een verzoeker die “afkomstig is uit een land waar bekering tot een andere dan de in het land algemeen gangbare geloofsovertuiging strafbaar en maatschappelijk niet aanvaardbaar is” kan worden verwacht dat hij “helder kan VII-41.651-3/7 uiteenzetten om welke reden en op welke wijze het proces van bekering is geschied, alsook wat de persoonlijke betekenis van de bekering of van de nieuwe geloofsovertuiging inhoudt”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen merkt op dat, “[w]aar verzoeker stelt dat dit niet van hem kan worden verwacht omdat hij tien jaren in de gevangenis heeft doorgebracht en mentaal niet werd uitgedaagd”, hij “toch minstens enkele concrete zaken [moet] kunnen verduidelijken” en dat verzoeker bovendien in zijn beroepschrift “uiteen[zet] dat hij regelmatig telefoongesprekken zou hebben gehad met pastor J.W. over het christendom, zodat dit toch een zekere intellectuele uitdaging betreft en dit alleen maar versterkt dat het opmerkelijk is dat verzoeker enkel maar vage en ontwijkende antwoorden kan geven op de vragen inzake het christendom”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft verzoekers persoonlijke situatie dus in zijn beoordeling betrokken, zodat geen schending van artikel 48/6 van de vreemdelingenwet blijkt. Zoals reeds aangehaald bij de behandeling van het eerste middelonderdeel, is die beoordeling geenszins beperkt tot de beoordeling van het “invulblad” op het commissariaat-generaal.
- Verzoeker haalt een “niet behoorlijke procedure” aan en acht het in strijd met een aantal overwegingen uit richtlijn 2013/32 omdat hij niet werd gehoord doch enkel een vragenlijst diende in te vullen en er “geenszins een volledige en correcte behandeling van de asielaanvraag is geweest”. Waar verzoeker zich richt tegen de procedure die tot de aanvankelijk bestreden beslissing heeft geleid, dient te worden opgemerkt dat deze kritiek niet is gericht tegen het bestreden arrest, waarin met hervormingsbevoegdheid uitspraak is gedaan over het kwestieuze verzoek om internationale bescherming. Verzoeker had voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de mogelijkheid alle volgens hem dienstige elementen en argumenten aan te voeren en de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft zich daar ook over uitgesproken. Met de verwijzing naar een aantal overwegingen die aan de tekst van richtlijn 2013/32 voorafgaan, toont verzoeker geen onwettigheid van het bestreden arrest aan. VII-41.651-4/7
- Verzoeker verwijst naar een” onvolledig dossier” en stelt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich steunt “louter op een door verzoeker ingevulde vragenlijst, waarbij verzoeker naast de kwestie en onduidelijk antwoorden geeft”. Uit de behandeling van het eerste middelonderdeel blijkt reeds dat deze kritiek feitelijke grondslag mist. Derde (genoemd “vierde”) onderdeel van het enige middel
- Verzoeker voert aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zijn nieuwe documenten weigert “zonder enige beoordeling van hun authenticiteit, relevantie en bewijskracht”. In het bestreden arrest worden de authenticiteit en de bewijskracht van verzoekers stukken niet in twijfel getrokken doch wordt enkel de bewijswaarde ervan beoordeeld. Verzoekers kritiek mist in die mate feitelijke grondslag. De bewijswaarde wordt soeverein beoordeeld door de rechter ten gronde. De Raad van State treedt als administratieve cassatierechter niet in de beoordeling van de zaak zelf. Verzoeker stelt dat hij “niet de kans [heeft] gekregen de motieven van zijn bekering in detail uit te leggen en zijn geloof te verdedigen” doch dat hij “werd beoordeeld op een door hem, een ongeletterde, psychologisch zeer kwetsbare man, ingevulde vragenlijst”. Zoals bij de behandeling van de vorige middelonderdelen reeds is aangegeven, zijn de door verzoeker in zijn beroep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen bijgebrachte elementen en aangevoerde argumenten terdege onderzocht en gaat verzoeker voorbij aan de desbetreffende motieven van het bestreden arrest. In de mate dat verzoeker aanvoert dat hij “ook in graad van beroep niet meer ten gronde werd gehoord”, dient erop te worden gewezen dat verzoeker er werd vertegenwoordigd door zijn raadsman, dat de feitenrechter soeverein beslist over de noodzaak een partij al dan niet in persoon te horen en dat verzoeker niet aantoont dat hij niet in persoon mocht verschijnen voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, noch aangeeft welke bijkomende elementen of argumenten hij dan zou hebben kunnen aanvoeren die tot een andere beslissing hadden kunnen leiden. Verzoeker toont met de algemene bewering van het tegendeel niet aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen een onvoldoende grondig of onvoldoende nauwgezet onderzoek heeft gevoerd. VII-41.651-5/7 Conclusie
- Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. VII-41.651-6/7 BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op 27 oktober 2022, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Carlo Adams VII-41.651-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ORD.15.076 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div