id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 27 oktober 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ORD.15.079 Rolnummer: A. 236844/VII-41596 Zaak: Cassatiebeschikking 15079 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 27/10/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-10-28 Raadplegingen: 74 - laatst gezien 2026-06-10 07:45 Fiche Beschikking nr 15.079 van 27 oktober 2022 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 15.079 van 27 oktober 2022 in de zaak A. 236.844/VII-41.596 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dirk Geens kantoor houdend te 2018 Antwerpen Lange Lozanastraat 24 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 18 juli 2022, strekt tot de cassatie van arrest nr. 274.436 van 21 juni 2022 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 31 augustus 2022 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- Verzoekster voert in het enige middel eerst aan dat volgens het bestreden arrest de nood aan internationale bescherming niet dient te worden onderzocht ten aanzien van Syrië, het land waarvan zij nochtans de nationaliteit bezit. Daardoor acht verzoekster de artikelen 48/3, 48/4 en 48/6 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: vreemdelingenwet) geschonden. VII-41.596-1/3 Verzoekster gaat er echter aan voorbij dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest opmerkt dat “de commissaris-generaal [besluit] dat de kwestie van de terugkeer van verzoekster naar Syrië geenszins aan de orde en louter hypothetisch is en dat bijgevolg in hoofde van verzoekster actueel geen gegronde vrees voor vervolging, noch een reëel risico op het lijden van ernstige schade ten overstaan van haar land van herkomst, Syrië, kan worden vastgesteld” en aldus zelf vaststelt “dat de commissaris-generaal verzoeksters eventuele nood aan internationale bescherming wel degelijk heeft onderzocht ten aanzien van haar land van herkomst, namelijk Syrië”, zodat “[i]n de mate dat verzoekster in het verzoekschrift het tegendeel beweert, […] het middel dan ook ongegrond [is]”. Na te hebben verwezen naar verzoeksters mogelijkheden “om de nodige stappen in Denemarken te zetten opdat zij samen met haar minderjarige kinderen haar verblijfsrecht er kan verder zetten”, besluit de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dat, “[a]angezien de kwestie van de terugkeer van verzoekster en haar kinderen naar Syrië in de huidige stand van zaken geenszins aan de orde en louter hypothetisch is, […] ook de argumentatie in het verzoekschrift aangaande de vrees die verzoekster stelt te koesteren ten aanzien van Syrië, in casu niet dienstig [is]”. Uit het voorgaande blijkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wel degelijk de nood aan internationale bescherming heeft onderzocht ten aanzien van Syrië doch daarbij heeft geoordeeld dat een actuele vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade niet aan de orde is, net omdat een terugkeer naar Syrië in de gegeven omstandigheden niet aan de orde doch louter hypothetisch is. Verzoeksters kritiek berust in die mate op een foutieve lezing van het bestreden arrest.
- Verzoekster voert vervolgens aan dat in het bestreden arrest niet werd onderzocht of aan de wettelijke voorwaarden voor de toepassing van artikel 57/6/6 van de vreemdelingenwet was voldaan, met name met betrekking tot de vraag of verzoekster in Denemarken als veilig derde land kan verblijven. Verzoekster heeft een schending van artikel 57/6/6 van de vreemdelingenwet niet opgeworpen voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, hoewel zij daartoe in de mogelijkheid was. Reeds in de door haar voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aangevochten beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen wordt reeds gewezen op de verblijfsmogelijkheden voor verzoekster in Denemarken, zodat verzoekster zich bij de Raad voor VII-41.596-2/3 Vreemdelingenbetwistingen kon beroepen op die bepaling indien zij meende dat ze van toepassing en geschonden was. Daarenboven beperkt verzoekster zich in essentie tot het weergeven van de tekst van artikel 57/6/6 van de vreemdelingenwet en gaat zij voorbij aan de motieven in het bestreden arrest betreffende verzoeksters concrete situatie met betrekking tot een verblijf in Denemarken.
- Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
- Verzoekster wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op 27 oktober 2022, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Carlo Adams VII-41.596-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ORD.15.079 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div