id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 21 november 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ORD.15.110 Rolnummer: A. 237396/VII-41689 Zaak: Cassatiebeschikking 15110 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 21/11/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-11-23 Raadplegingen: 70 - laatst gezien 2026-06-10 07:51 Fiche Beschikking nr 15.110 van 21 november 2022 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 15.110 van 21 november 2022 in de zaak A. 237.396/VII-41.689 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dirk Geens kantoor houdend te 2018 Antwerpen Lange Lozanastraat 24 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 30 september 2022, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 277.214 van 8 september 2022 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 26 oktober 2022 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- Verzoekster acht de bewijswaarde van het gehoorverslag bij de dienst Vreemdelingenzaken (hierna: DVZ) “(bijzonder) relatief” en zij voert aan dat de vermeende verschillen tussen het gehoor bij de DVZ en het onderhoud op het commissariaat- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen (hierna: CGVS) daarom niet van aard zijn om de geloofwaardigheid te ontnemen van haar asielrelaas. VII-41.689-1/4 De beoordeling van de bewijswaarde van stukken en de opgenomen verklaringen van een verzoeker om internationale bescherming behoort tot de soevereine appreciatiebevoegdheid van de rechter ten gronde. De Raad van State treedt als administratieve cassatierechter niet in de beoordeling van de zaak zelf en vermag zich dan ook niet uit te spreken over de impact van de verschillen tussen het gehoor bij de DVZ en bij het CGVS op de geloofwaardigheid van het asielrelaas.
- Verzoekster voert aan dat het verslag van de DVZ volgens het bestreden arrest “tot bewijs van het tegendeel, een vermoeden van wettigheid en overeenstemming met de werkelijkheid” geniet. Zij acht dit in strijd met artikel 51/10 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’. Verzoekster betwist niet dat het gehoorverslag door haar werd ondertekend. Voor zover verzoekster de inhoud betwist van het stuk dat haar handtekening draagt, in de zin dat het geen getrouwe weergave zou vormen van haar verklaringen, berust de bewijslast bij verzoekster zelf. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vermocht dan ook op wettige wijze dienaangaande te oordelen: “Het verslag geniet, tot bewijs van het tegendeel, een vermoeden van wettigheid en overeenstemming met de werkelijkheid. Verzoekster mag bewijzen dat zij hetgeen in het verslag werd neergeschreven op een andere manier heeft gezegd. Zij dient deze beweringen evenwel te ondersteunen met concrete en pertinente gegevens. Echter slaagt verzoekster er niet in haar beweringen dienaangaande hard te maken. Door zich louter af te vragen of deze opgetekende verklaringen wel een getrouwe weergave zijn van wat zij heeft gezegd, nu er geen advocaat bij aanwezig was en zij de taal niet spreekt, toont verzoekster niet aan dat er fouten zijn gebeurd en dat de beslissing hierdoor mogelijk anders zou zijn geweest. Verzoekster heeft bovendien aangegeven dat zij wenste te worden gehoord in het Engels, wat ook is gebeurd. Zij heeft hierbij geen gewag gemaakt van enige taalproblemen of problemen inzake het door de behandelende ambtenaar gehanteerde Engels. Uit de vragenlijst blijkt ook dat het verslag in het Engels aan verzoekster werd voorgelezen en dat zij dit heeft ondertekend waarbij zij uitdrukkelijk verklaarde dat alle bovenstaande verklaringen juist zijn en met de werkelijkheid overeenstemmen (zie CGVS vragenlijst, p. 3). Verzoekster kan de waarde van deze handtekening niet zomaar als relatief beschouwen. De beperkte tijdsduur bij het invullen van de vragenlijst biedt evenmin enige verschoning voor verzoeksters tegenstrijdige verklaringen. De Raad wijst erop dat het feit dat zij kort op de vragen diende te antwoorden, niets afdoet aan de verwachting dat verzoekster, die beweert te vrezen voor haar leven en vrijheid en daarom de bescherming van de Belgische autoriteiten vraagt, alle elementen ter ondersteuning van haar beschermingsverzoek op correcte wijze en zo accuraat mogelijk kan aanbrengen, zeker de elementen die de directe aanleiding vormen van VII-41.689-2/4 haar vertrek of vlucht uit het land van herkomst. Zij dient dit zo volledig en gedetailleerd mogelijk te doen en dit reeds van bij het eerste interview, daar op haar de verplichting rust om haar volledige medewerking te verlenen aan de asielprocedure. De duur van het interview is hierbij irrelevant. Afgezien van het feit dat de vragenlijst niet tot doel heeft een uitvoerig of gedetailleerd overzicht van alle feiten of elementen te geven, kon evenwel redelijkerwijze van verzoekster worden verwacht dat zij coherente verklaringen aflegt.”
- Verzoekster verwijst naar het privilège du préalable, dat volgens haar niet geldt voor de vragenlijst van de DVZ. Met de overweging dat het gehoorverslag van de DVZ tot bewijs van het tegendeel een vermoeden van wettigheid en overeenstemming met de werkelijkheid geniet, spreekt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich niet uit over de wettigheid ervan als zou het gaan om een administratieve beslissing doch enkel over dit stuk als bewijselement, meer bepaald wat de mogelijkheid van tegenbewijs tegen de inhoud ervan betreft. In het bestreden arrest wordt overigens nergens melding gemaakt van het privilège du préalable. Verzoeksters kritiek berust in deze mate op een foutieve lezing van het bestreden arrest.
- Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
- Verzoekster wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. VII-41.689-3/4 Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op eenentwintig november tweeduizend tweeëntwintig door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Carlo Adams VII-41.689-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ORD.15.110 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div