← België

Cassatiebeschikking 15111 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 21/11/2022

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 21 november 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ORD.15.111 Rolnummer: A. 237401/VII-41692 Zaak: Cassatiebeschikking 15111 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 21/11/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-11-23 Raadplegingen: 75 - laatst gezien 2026-06-10 07:51 Fiche Beschikking nr 15.111 van 21 november 2022 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 15.111 van 21 november 2022 in de zaak A. 237.401/VII-41.692 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dirk Geens kantoor houdend te 2018 Antwerpen Lange Lozanastraat 24 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 4 oktober 2022, strekt tot de cassatie van arrest nr. 277.813 van 23 september 2022 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 26 oktober 2022 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. Verzoeker acht de bewijswaarde van het gehoorverslag bij de dienst Vreemdelingenzaken (hierna: DVZ) “(bijzonder) relatief” en hij voert aan dat de vermeende verschillen tussen het gehoor bij de DVZ en het onderhoud op het commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen (hierna: CGVS) daarom niet van aard zijn om de geloofwaardigheid te ontnemen van zijn asielrelaas. VII-41.692-1/4 De beoordeling van de bewijswaarde van stukken en de opgenomen verklaringen van een verzoeker om internationale bescherming behoort tot de soevereine appreciatiebevoegdheid van de rechter ten gronde. De Raad van State treedt als administratieve cassatierechter niet in de beoordeling van de zaak zelf en vermag zich dan ook niet uit te spreken over de impact van de verschillen tussen het gehoor bij de DVZ en bij het CGVS op de geloofwaardigheid van het asielrelaas, te dezen wat de concrete motieven in het bestreden arrest betreft over het feit dat verzoeker bij de DVZ geen melding heeft gemaakt van zijn biseksualiteit als reden waarom hij een vrees voor vervolging koestert.
  2. Verzoeker voert aan dat het verslag van de DVZ volgens het bestreden arrest “tot bewijs van het tegendeel, een vermoeden van wettigheid en overeenstemming met de werkelijkheid” geniet. Hij acht dit in strijd met artikel 51/10 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’. Verzoeker betwist niet dat het gehoorverslag door hem werd ondertekend. Voor zover verzoeker de inhoud betwist van het stuk dat zijn handtekening draagt, in de zin dat het geen getrouwe weergave zou vormen van zijn verklaringen, berust de bewijslast bij verzoeker zelf. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vermocht dan ook op wettige wijze dienaangaande te oordelen: “Het verslag geniet, tot bewijs van het tegendeel, een vermoeden van wettigheid en overeenstemming met de werkelijkheid. Verzoeker mag bewijzen dat hij hetgeen in het verslag werd neergeschreven op een andere manier heeft gezegd. Hij dient deze beweringen evenwel te ondersteunen met concrete en pertinente gegevens. Echter slaagt verzoeker er niet in zijn beweringen dienaangaande hard te maken. Door zich louter af te vragen of deze opgetekende verklaringen wel een getrouwe weergave zijn van wat hij heeft gezegd, nu er geen advocaat bij aanwezig was en hij de taal niet spreekt, toont verzoeker niet aan dat er fouten zijn gebeurd en dat de beslissing hierdoor mogelijk anders zou zijn geweest. Het is overigens niet ernstig om na confrontatie met de bestreden beslissing op algemene wijze kritiek te uiten op het verloop van het interview op de DVZ. De Raad wijst erop dat niets verzoeker ervan weerhield om een opmerking te formuleren indien hij zich niet akkoord kon verklaren met de manier waarop hij werd gehoord. Verzoeker heeft echter nagelaten dit te doen. Hij werd bovendien bijgestaan door een tolk die het Arabisch machtig is en maakte geen gewag van enig tolk- of taalprobleem. Verder blijkt uit het administratief dossier dat de CGVS-vragenlijst in het Arabisch aan verzoeker werd voorgelezen en dat hij deze zonder voorbehoud heeft ondertekend waarbij hij uitdrukkelijk, verklaarde dat alle genoteerde verklaringen juist zijn en met de werkelijkheid overeenstemmen (CGVS vragenlijst, p. 2). Zoals reeds gesteld, bij VII-41.692-2/4 gebrek aan bewijs van het tegendeel, wordt datgene wat in het gehoorverslag werd opgenomen dan ook geacht overeen te stemmen met zijn verklaringen. De Raad kan aldus niet anders dan vaststellen dat verzoeker in de mogelijkheid is geweest om de correctheid van het verslag van de DVZ na te gaan en de weergave van zijn verklaringen te controleren, alsook dat hij bij aanvang van het persoonlijk onderhoud op het CGVS de kans kreeg om de eventuele gebreken in de vragenlijst aan te kaarten. De beperkte tijdsduur bij het invullen van de vragenlijst biedt evenmin enige verschoning voor verzoekers tegenstrijdige en gebrekkige verklaringen. Verzoeker werd er bij aanvang van het interview op de DVZ uitdrukkelijk op gewezen dat bij het invullen van de vragenlijst van hem wordt verwacht dat hij nauwkeurig, maar in het kort, weergeeft waarom hij bij terugkeer problemen vreest of riskeert en dat hij in het kort de voornaamste elementen of feiten weergeeft. Het feit dat verzoeker kort op de vragen diende te antwoorden, doet niets af aan de redelijke verwachting dat hij zowel op de DVZ als op het CGVS coherente verklaringen aflegt, zoals over zijn beweerde biseksuele geaardheid en de daaruit voortvloeiende vrees.”
  3. Verzoeker verwijst naar het privilège du préalable, dat volgens hem niet geldt voor de vragenlijst van de DVZ. Met de overweging dat het gehoorverslag van de DVZ tot bewijs van het tegendeel een vermoeden van wettigheid en overeenstemming met de werkelijkheid geniet, spreekt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich niet uit over de wettigheid ervan als zou het gaan om een administratieve beslissing doch enkel over dit stuk als bewijselement, meer bepaald wat de mogelijkheid van tegenbewijs tegen de inhoud ervan betreft. In het bestreden arrest wordt overigens nergens melding gemaakt van het privilège du préalable. Verzoekers kritiek berust in deze mate op een foutieve lezing van het bestreden arrest.
  4. Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
  5. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  6. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. VII-41.692-3/4 Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op eenentwintig november tweeduizend tweeëntwintig, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Carlo Adams VII-41.692-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ORD.15.111 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.