← België

Cassatiebeschikking 15114 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 21/11/2022

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 21 november 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ORD.15.114 Rolnummer: A. 237489/VII-41709 Zaak: Cassatiebeschikking 15114 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 21/11/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-11-23 Raadplegingen: 75 - laatst gezien 2026-06-10 07:51 Fiche Beschikking nr 15.114 van 21 november 2022 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 15.114 van 21 november 2022 in de zaak A. 237.489/VII-41.709 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter De Lange kantoor houdend te 1030 Schaarbeek A. Lacomblélaan 59-61 bus 5 bij wie keuze van woonst wordt gedaan tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de staatssecretaris voor Asiel en Migratie ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 12 oktober 2022, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 277.379 van 14 september 2022 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 26 oktober 2022 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. Artikel 2 van de wet van 24 maart 1961 ‘houdende goedkeuring van het Europees Vestigingsverdrag en van het Protocol, ondertekend op 13 december 1955, te Parijs’ (hierna: wet van 24 maart 1961) luidt: VII-41.709-1/3 “Alvorens de uitzetting van een vreemdeling om een der in artikel 3, nrs. 2 en 3, van dit Verdrag genoemde redenen voor te stellen, dient de Minister die de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen onder zijn bevoegdheid heeft het advies in te winnen van de Raadgevende Commissie voor Vreemdelingen, ingesteld bij artikel 10 van de wet van 28 maart 1952 op de vreemdelingenpolitie.” De in dit artikel bedoelde “Raadgevende Commissie voor Vreemdelingen” is thans de in artikel 32 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: vreemdelingenwet) bedoelde commissie van advies voor vreemdelingen. Met de wet van 24 februari 2017 ‘tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, met het doel de bescherming van de openbare orde en de nationale veiligheid te versterken’ (hierna: wet van 24 februari 2017) werden de ministeriële besluiten tot terugwijzing en de koninklijke besluiten tot uitzetting afgeschaft. Sedert de inwerkingtreding van deze wet kunnen vreemdelingen enkel worden uitgewezen met een beslissing houdende bevel om het grondgebied te verlaten.
  2. De beslissing van de verwerende partij die tot het bestreden arrest heeft geleid is een beslissing tot beëindiging van het verblijf, genomen met toepassing van artikel 44bis, § 2 van de vreemdelingenwet. Deze bepaling werd ingevoerd met de wet van 24 februari 2017 en ze voorziet geen advies van de commissie van advies voor vreemdelingen voordat een beslissing tot beëindiging van het verblijf wordt genomen. Dergelijk advies is overigens ook niet voorzien alvorens een beslissing houdende bevel om het grondgebied te verlaten wordt genomen.
  3. Uit het voorgaande volgt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zonder schending van artikel 2 van de wet van 24 maart 1961 of van artikel 44bis, § 2, van de vreemdelingenwet kon oordelen dat geen advies moest worden gevraagd aan de commissie van advies voor vreemdelingen alvorens de verwerende partij haar beslissing tot beëindiging van het verblijf nam met toepassing van het voornoemde artikel 44bis, §
  4. Om die reden is ook geen sprake van een schending van het algemeen rechtsbeginsel lex posterior derogat prior in het bestreden arrest. VII-41.709-2/3 Hieruit volgt eveneens dat te dezen geen schending blijkt van artikel 32, eerste lid, van de vreemdelingenwet, waarin wordt bepaald dat “een Commissie van advies voor vreemdelingen [wordt] opgericht, die gelast is de Minister van advies te dienen in de gevallen waarin door deze wet of door bijzondere bepalingen wordt voorzien”.
  5. Het enige middel is kennelijk ongegrond. BESLUIT:
  6. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  7. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op eenentwintig november tweeduizend tweeëntwintig, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Carlo Adams VII-41.709-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ORD.15.114 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.