id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 25 november 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ORD.15.115 Rolnummer: A. 236800/VII-41582 Zaak: Cassatiebeschikking 15115 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 25/11/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-11-28 Raadplegingen: 72 - laatst gezien 2026-06-10 07:54 Fiche Beschikking nr 15.115 van 25 november 2022 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 15.115 van 25 november 2022 in de zaak A. 236.800/VII-41.582 In zake :
- XXXXX
- XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Oriane Todts kantoor houdend te 1060 Brussel Henri Jasparlaan 128 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 11 juli 2022 strekt tot de cassatie van arrest nr. 273.653 van 2 juni 2022 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 26 oktober 2022 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- Algemeen
- De verzoekende partijen werpen in het opschrift van het enige middel de schending op van een hele reeks bepalingen. In de uiteenzetting van de beide onderdelen van het middel gaan zij slechts in op enkele van deze bepalingen. De kritiek van VII-41.582-1/7 de verzoekende partijen wordt hierna in die mate behandeld. De schending van de overige bepalingen wordt op kennelijk niet-ontvankelijke wijze opgeworpen. Eerste middelonderdeel
- De door artikel 149 van de Grondwet aan de rechter en door artikel 39/65 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: vreemdelingenwet) specifiek aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen opgelegde verplichting om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren, heeft het karakter van een vormvereiste. Een uitspraak is gemotiveerd wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet – al waren ze verkeerd of onwettig – die hem ertoe brengen zijn beslissing te nemen. Bij de beoordeling of artikel 149 van de Grondwet en artikel 39/65 van de vreemdelingenwet werden nageleefd, is bijgevolg niet de vraag aan de orde of in de beslissing een verkeerde beoordeling van de feitelijke gegevens is uitgedrukt. Het gaat er dan ook niet om of de motivering omstandig of juist is. Alleen een gemis aan motivering of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals tegenstrijdigheid in de motieven, maken een schending uit van de voornoemde bepalingen. Wanneer de motivering een verkeerde gevolgtrekking in rechte maakt, kan dit een schending van de wet uitmaken, maar is er nog geen sprake van een motiveringsgebrek. De rechterlijke motiveringsverplichting houdt niet in dat de rechter moet antwoorden op elk argument dat tot staving of weerlegging van een middel is aangevoerd, maar dat geen afzonderlijk middel of afzonderlijke weerlegging vormt. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen citeert in het bestreden arrest de kritiek van de verzoekende partijen dat eerste verzoeker riskeert geen eerlijk proces te krijgen in Albanië, dat daar een aantal procedurele fouten werden begaan, dat corruptie in het gerechtelijk apparaat in Albanië tot op een hoog niveau aanwezig is, dat de rechters gedurende het voorafgaandelijk onderzoek en in de behandeling in eerste aanleg corrupt waren en dat de verzoekende partijen een onredelijk lange procedure vrezen. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen oordeelt dienaangaande dat de verzoekende partijen met betrekking tot de corruptie waarvan zij het slachtoffer zouden zijn geweest, “nog los van de vraag of dit daadwerkelijk het geval zou zijn geweest, […] in dit kader in het geheel niet aantonen of aannemelijk maken dat verzoeker zijn rechten dienaangaande niet kon en kan doen gelden in zijn eigen land”. Hij citeert en sluit zich aan VII-41.582-2/7 bij de desbetreffende motivering in de voor hem bestreden beslissing van de verwerende partij en hij overweegt verder: “Verzoekende partijen voeren ter weerlegging van deze motieven geen dienstige argumenten aan. Integendeel erkennen zij uitdrukkelijk dat de Albanese autoriteiten de nodige pogingen ondernemen en stappen zetten teneinde corruptie uit te bannen. Tevens geven zij daarbij aan dat zij niet uitsluiten dat deze pogingen op termijn succesvol zullen zijn. De informatie die verzoekende partijen aanbrengen en citeren, ligt verder geheel in dezelfde lijn als en doet bijgevolg op generlei wijze afbreuk aan de informatie zoals gehanteerd door verweerder, waarop de voormelde motieven schragen. Dat corruptie In Albanië nog een probleem vormt en dat aldaar, onder meer op het vlak van corruptie en georganiseerde misdaad, nog een aantal hervormingen nodig zijn en vooruitgang kan en moet worden geboekt, betreft dan ook een gegeven dat in de voormelde motivering en de informatie waarop deze motivering steunt uitdrukkelijk en terdege in rekening wordt gebracht. Dit kan echter niet volstaan om aan te tonen dat verzoeker, zo deze zou terugkeren naar Albanië, op heden, in concreto en daadwerkelijk slachtoffer zou zijn of zou worden van corruptie of een gebrek aan een eerlijk proces en daarbij in de onmogelijkheid zou zijn of worden gesteld om zijn rechten dienaangaande op een gedegen wijze te doen gelden in zijn land van herkomst. 5.8.
- Verzoekende partijen, die weliswaar beweren dat verzoeker onschuldig is en in eerste aanleg aldus onterecht werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 17 jaren, tonen In dit kader voorts geheel niet aan dat verzoeker zijn rechten en argumenten omtrent zijn voorgehouden onschuld en inzake de aangevoerde corruptie en fouten tijdens de onderzoeksfase van zijn procedure en In eerste aanleg niet op een gedegen wijze zou hebben kunnen doen gelden In het kader van zijn procedure in hoger beroep in Albanië. Zij tonen geenszins aan en maken In het geheel niet aannemelijk dat deze procedure in hoger beroep niet eerlijk zou zijn verlopen en/of dat één of meer van de rechters die verzoekers zaak behandelden voor dit hof corrupt zouden zijn (geweest) of zouden zijn omgekocht. In zoverre verzoekende partijen in het voorliggende verzoekschrift nog de vrees uiten dat het onredelijk lang zou (kunnen) duren vooraleer het beroep van verzoeker zou worden behandeld door het Hof van Beroep, kan in dit kader vooreerst worden opgemerkt dat deze vrees onterecht Is gebleken. Blijkens de aanvullende nota zoals ingediend door verzoekende partijen zou het Hof van Beroep In Albanië immers reeds in maart 2022 uitspraak hebben gedaan tegen het beroep dat verzoeker Indiende tegen diens vonnis in eerste aanleg dat dateerde van februari
- Dat de uitkomst van deze beroepsprocedure volgens het schrijven van de advocaat van verzoekende partijen dat bij de aanvullende nota van verzoekende partijen wordt gevoegd, daarbij was dat de straf die aan verzoeker werd opgelegd in eerste aanleg door het Hof van Beroep – dit volgens verzoekende partijen ten onrechte – werd bevestigd, kan – nog daargelaten dat zulks door verzoekende partijen en/of hun advocaat niet wordt gestaafd –geenszins volstaan om aan te tonen of aannemelijk te maken dat er geen sprake zou zijn geweest van' een eerlijke procedure en/of dat er sprake zou zijn geweest van corruptie of omkoping van één of meer van de rechters die verzoekers beroepsprocedure behandelde(n). Dat de rechters die zijn zaak in hoger beroep hebben behandeld bij de behandeling van deze zaak corrupt zouden zijn, wordt door verzoekende partijen daarenboven op generlei wijze aangetoond of aannemelijk gemaakt. Waar zij wijzen op de samenstelling van het Hof van Beroep in verzoekers zaak, door rechters Pellumbl, Negresl en Fucia, geven verzoekende partijen immers vooreerst zelf expliciet aan dat VII-41.582-3/7 rechter Pellumbi reeds het voorwerp uitmaakte van de vettingprocedure, deze procedure doorstond en dus ‘een ethische rechter’ is. Met betrekking tot rechter Negresl, ten aanzien van dewelke verzoekende partijen in het verzoekschrift nog benadrukten dat deze nog het voorwerp uitmaakte van een vettingprocedure en lieten uitschijnen dat deze ‘hoogstwaarschijnlijk’ zou worden ontslagen, blijkt uit de informatie die verweerder bij zijn nota met opmerkingen voegt en zoals verweerder met recht benadrukt in de nota met opmerkingen, dat de positieve beoordeling van deze rechter in eerste aanleg in diens vettingprocedure door de beroepskamer werd bevestigd in hoger beroep. Aldus kan, in tegenstelling tot wat verzoekende partijen nog trachtten te laten uitschijnen in het verzoekschrift en volgens hun eigen logica en gevolgtrekkingen in het onderhavige verzoekschrift, worden aangenomen dat ook rechter Negresl zijnberoep op een integere en ethische manier uitoefent. Waar verzoekende partijen wijzen op en citeren uit een· artikel inzake rechter Fucia, dient verder te worden opgemerkt dat uit het eenmalige Incident met betrekking tot deze rechter jaren geleden, in 2016, geenszins kan worden afgeleid dat deze rechter daadwerkelijk corrupt was of zou zijn. In dit kader kan bovendien uit de titel en de inhoud van het door verzoekende partijen zelf geciteerde artikel worden afgeleid dat deze rechter de vettingprocedure, dit in tegenstelling met wat verzoekende partijen beweren, weldegelijk reeds doorstond in
- Aldus kan ook ten aanzien van deze rechter worden aangenomen dat deze niet corrupt is. Verzoekende partijen reiken aldus niet één concreet en objectief gegeven aan waaruit zou kunnen worden afgeleid dat één of meer van de rechters die verzoekers zaak in Albanië behandelden in hoger beroep corrupt zou(den) zijn. Bovendien reiken verzoekende partijen niet één concreet, objectief, specifiek en aan de zaak van verzoeker eigen argument of element aan waaruit zou kunnen worden afgeleid dat er In diens zaak en procedure voor het Hof van Beroep (mogelijk) sprake zou zijn geweest van corruptie bij en/of de omkoping van één of meer van de rechters die deze zaak hebben behandeld. In dit kader valt het overigens eveneens op dat de Albanese advocaat van verzoeker in diens schrijven aan verzoekers advocaat in België, schrijven dat door verzoekende partijen bij de aanvullende nota wordt gevoegd, nergens enige melding maakt van enige indicatie ven of concrete aanwijzingen voor het gegeven dat zich tijdens verzoekers beroepsprocedure In Albanië corruptie zou hebben voorgedaan, dat er mogelijks rechters waren omgekocht en/of dat er fouten zouden zijn gebeurd. Hoe dan ook blijkt uit het voormelde schrijven van de Albanese advocaat van verzoekende partijen en het gestelde in het verzoekschrift dat ook tegen het arrest van het Hof van Beroep in Albanië nog een rechtsmiddel openstaat en dat deze advocaat van plan is dit rechtsmiddel te benutten. Meer bepaald gaat het daarbij om een beroep bij het Supreme Court in Albanië. Verzoekende partijen tonen op generlei wijze aan en maken geenszins aannemelijk dat zij in de onmogelijkheid zouden zijn om hun rechten en argumenten met betrekking tot het door hen aangehaalde gebrek aan een eerlijke procedure voor verzoeker en de beweerde corruptie en fouten in diens zaak op een gedegen wijze uiteen te zetten en te doen gelden voor dit Supreme Court. In zoverre verzoekende partijen in dit kader wijzen op de achterstand voor het Supreme Court en de mogelijkheid dat een beroep bij dit Hof daardoor niet binnen een redelijke termijn zal worden behandeld, dient immers te worden opgemerkt dat uit het loutere gegeven dat er voor dit Hof een achterstand is, geenszins kan worden afgeleid dat (ook) verzoekers specifieke zaak voor dit Hof dermate lang zou aanslepen dat deze niet binnen een redelijke termijn zou worden behandeld. Verzoeker zelf anticipeerde in dit kader bij het CGVS overigens nog op een wachttijd van één tot twee jaren (administratief dossier, notities van verzoekers persoonlijk onderhoud, p.12), en dus niet op een wachttijd van 10 jaren zoals aangevoerd in hat verzoekschrift. De Raad merkt te dezen hoe dan ook samen met verweerder op dat de loutere mogelijkheid van VII-41.582-4/7 rechtsweigering en het eenvoudige opperen vim hypotheses over een eventuele lange duur van een procedure voor het Supreme Court niet kunnen volstaan om aan te tonen dat verzoeker in Albanië en bij het uitoefenen van zijn beroepsprocedure voor dit Hof daadwerkelijk zou riskeren te worden geschaad in zijn rechten. Verzoekende partijen dienen zulks in concreto aan te tonen of aannemelijk te maken en blijven hier in gebreke. Zo al aangenomen zou kunnen worden dat de specifieke en concrete procedure van verzoeker voor het Supreme Court onredelijk lang zou riskeren aan te slepen, quod non, dan nog dient te worden opgemerkt dat uit het arrest van het EHRM dat verzoekende partijen nota bene zelf aanhalen (EHRM, Bara and Kola v. Albanië, 12 oktober 2021) In het voorliggende verzoekschrift, duidelijk en genoegzaam blijkt dat verzoekende partijen ook op dit vlak in hun eigen land van herkomst beschikken over een daadwerkelijk rechtsmiddel. In tegenstelling tot wat verzoekende partijen trachten te laten uitschijnen, blijkt uit het bepaalde in paragrafen 103 tot en met 119 van dit arrest van het EHRM dat er in Albanië wettelijk een preventief, versnellend en compensatoir rechtsmiddel werd ingesteld dat toegankelijk is in het geval van een te lange duur van de procedure. Tevens blijkt daarbij dat dit rechtsmiddel ter versnelling van de procedure en ter compensatie van individuen die slachtoffer werden van een te lange procedure volgens het EHRM de toets met artikel 13 van het EVRM, dat het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel behelst, doorstaat en dat dit effectief is in die zin dat het zowel verhindert dat de schending van het recht van het betrokken individu om zijn zaak behandeld te zien binnen een redelijke termijn wordt verdergezet als voorziet in een geschikte genoegdoening voor reeds ondergane schendingen van dit recht. Het EHRM stelt daarbij uitdrukkelijk dat het voormelde, in Albanië voorziene rechtsmiddel in principe de verplichting vervult van Albanië om een daadwerkelijk rechtsmiddel te voorzien met betrekking tot de aangevoerde schendingen van de rechten van het individu zoals opgenomen in het EVRM. Tevens voegt het EHRM expliciet toe dat dit rechtsmiddel bijgevolg dient te worden gebruikt door Individuen die aanvoeren dat hun recht om hun zaak behandeld te zien binnen een redelijke termijn zou zijn geschonden alvorens deze individuen zich wenden tot het EHRM. Zo het voormelde rechtsmiddel in de praktijk, in het geval van verzoeker en indien hij hiervan gebruik zou maken in de toekomst, toch niet effectief zou blijken en daardoor zijn doel voorbij zou schieten, dan nog dient te worden opgemerkt dat uit de inhoud van het door verzoekende partijen aangehaalde arrest van het EHRM blijkt dat zij zich in Albanië alsnog tot het EHRM kunnen wenden om hun rechten af te dwingen en via deze weg de nodige genoegdoening te verkrijgen. 5.8.
- Verzoekende partijen tonen daarnaast niet aan dat zij in het kader van de beweerde corruptie en fouten in verzoekers procedure geen klacht zouden kunnen indienen bij, hun rechten niet zouden kunnen doen gelden via en geen hulp zouden kunnen verkrijgen van de overige, daartoe in Albanië voorziene, in de hoger aangehaalde motieven vermelde, buitengerechtelijke mogelijkheden en organisaties. Waar zij bij het verzoekschrift een stuk voegen waaruit moet blijken dat verzoekster eind oktober 2020 wel klacht zou hebben ingediend tegen één van de rechters van verzoeker in eerste aanleg, dient vooreerst te worden opgemerkt dat dergelijke e-mails eenvoudigweg kunnen worden gefabriceerd of gemanipuleerd. Hoe dan ook blijkt uit de betreffende e-mail niet tegen wie of waarom verzoekster klacht zou hebben ingediend bij de organisatie in kwestie. Daarenboven repliceert verweerder, zo aangenomen zou kunnen worden dat deze klacht werd ingediend tegen de betreffende rechter, met recht dat verzoekende partijen met het neerleggen van deze e-mail het gegeven net staven dat het mogelijk is om in Albanië klacht in te dienen wegens corruptie of machtsmisbruik. Verzoekende partijen ontvingen van de klacht bovendien een ontvangstbewijs. Verzoekende partijen gaven in dit kader daarenboven VII-41.582-5/7 zelf aan dat hun klacht weldegelijk zou worden behandeld, met name in het kader van de vettingprocedure voor de betrokken rechter. Aldus kan uit het artikel dat verzoekende partijen Inzake het ontslag van deze rechter bijbrengen door middel van een aanvullende nota, worden afgeleid dat deze klacht intussen weldegelijk reeds werd behandeld. Verzoekende partijen tonen daarenboven op generlei wijze aan dat zij zich niet zouden kunnen beroepen op de overige van de voormelde buitengerechtelijke mogelijkheden en organisaties om de door hen aangevoerde corruptie en het door hen aangevoerde machtsmisbruik aan te kaarten in hun eigen land van herkomst. Gelet op het voorgaande, dient te worden besloten dat verzoekende partijen hoegenaamd niet aantonen of aannemelijk maken dat verzoeker in zijn land van herkomst blijvend slachtoffer zou zijn geworden of zou dreigen te worden van corruptie en/of machtsmisbruik. Gelet op het voorgaande, dient eveneens te worden vastgesteld dat verzoekende partijen, zo zulks al zou kunnen worden aangenomen, evenmin aantonen of aannemelijk maken dat zij hun rechten dienaangaande in hun land van herkomst niet zouden kunnen doen gelden en afdwingen aan de hand van de beroepsmogelijkheden waarover verzoeker aldaar nog beschikt en/of via de overige aldaar bestaande, buitengerechtelijke mogelijkheden en organisaties. Derhalve kunnen verzoekers betrokkenheid bij een rechtszaak en het risico op een arrestatie bij een terugkeer naar zijn land van herkomst te dezen op zich geen aanleiding geven tot de toekenning van internationale bescherming aan verzoekende partijen.” Met het voorgaande beantwoordt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wel degelijk de kritiek van de verzoekende partijen met betrekking tot corruptie door rechters, zowel in de eigen zaak van eerste verzoeker in eerste aanleg en in graad van beroep als wat de mogelijkheid betreft om na de uitspraak in beroep alsnog hun rechten af te dwingen, dit laatste hetzij via een procedure voor het “Supreme Court” in Albanië, hetzij via een klacht tegen de kwestieuze rechters, hetzij via buitengerechtelijke mogelijkheden en organisaties. Waar de verzoekende partijen nog aanvoeren dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zou oordelen dat zij dit element hadden kunnen aanvoeren tijdens de beroepsprocedure in Albanië, gaan zij voorbij aan de voormelde motivering en geven zij aldus een onjuiste lezing van het bestreden arrest.
- Het eerste onderdeel van het enige middel is kennelijk ongegrond. Tweede middelonderdeel
- De verzoekende partijen voeren aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen met het bestreden arrest de artikelen 39/2 en 48/6 van de vreemdelingenwet heeft geschonden door te oordelen dat eerste verzoeker niet zou riskeren VII-41.582-6/7 veroordeeld te worden in het kader van een oneerlijk proces en bijgevolg geen vrees voor vervolging zou kennen. Volgens de verzoekende partijen beschikte de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet over alle nuttige elementen om de eerlijkheid van de beroepsprocedure in Albanië te beoordelen. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen oordeelt met toepassing van artikel 39/2, § 1, 2°, van de vreemdelingenwet soeverein of hij over voldoende elementen beschikt om de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen te bevestigen of te hervormen zonder hiertoe aanvullende onderzoeksmaatregelen te moeten bevelen. Als administratieve cassatierechter treedt de Raad van State niet in de beoordeling van de zaak zelf en vermag hij de beoordeling door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet over te doen.
- Het tweede onderdeel van het eerste middel is kennelijk niet- ontvankelijk. BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
- De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 400 euro, ieder voor de helft, en een bijdrage van 22 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op vijfentwintig november tweeduizend tweeëntwintig, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Carlo Adams VII-41.582-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ORD.15.115 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.