← België

Cassatiebeschikking 15116 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 25/11/2022

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 25 november 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ORD.15.116 Rolnummer: A. 237389/VII-41687 Zaak: Cassatiebeschikking 15116 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 25/11/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-11-28 Raadplegingen: 78 - laatst gezien 2026-06-10 07:54 Fiche Beschikking nr 15.116 van 25 november 2022 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 15.116 van 25 november 2022 in de zaak A. 237.389/VII-41.687 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Paul Hurlebusch kantoor houdend te 8000 Brugge Gerard Davidstraat 46 bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 3 oktober 2022, strekt tot de cassatie van arrest nr. 276.857 van 1 september 2022 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 26 oktober 2022 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. Verzoeker voert in de eerste plaats aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest ten onrechte oordeelt dat “de nieuwe juridische argumentatie in de aanvullende nota” laattijdig is daar “verzoeker deze argumenten reeds in het verzoekschrift had kunnen aanvoeren” en dat het “geen nieuwe elementen [betreft], gezien in de bestreden beslissing reeds wordt ingegaan op het religieuze VII-41.687-1/5 engagement van verzoeker na aankomst in Europa en verzoeker hierop had kunnen ingaan in het verzoekschrift”. Verzoeker licht niet toe welke bij zijn aanvullende nota gevoegde “juridische argumentatie” als laattijdig ingediend zou zijn beschouwd, doch in punt 2.2.2 van het bestreden arrest wordt als enig juridisch stuk vermeld een arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 5 september 2012 in de gevoegde zaken C-71/11 en C-99/11, Y. en Z. tegen de Duitse Bondsrepubliek. Het bijbrengen van of verwijzen naar reeds lang bestaande rechtspraak kan wel een bepaald juridisch standpunt ondersteunen doch het beantwoordt niet aan het begrip “nieuw element” dat de kans aanzienlijk groter maakt dat een verzoeker in aanmerking komt voor erkenning als vluchteling of toekenning van de subsidiaire beschermingsstatus.
  2. Verzoeker voert in de tweede plaats aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verzoekers recht om te veranderen van godsdienst schendt. In de mate dat verzoeker wijst op een aantal elementen waaruit zijn bekering tot het christendom in Iran of minstens in Griekenland of zelfs in België zou blijken, dient te worden opgemerkt dat dit behoort tot de soevereine beoordelingsbevoegdheid van de feitenrechter, die te dezen uitspraak heeft gedaan met hervormingsbevoegdheid. De Raad van State treedt als administratieve cassatierechter niet in de beoordeling van de zaak zelf. Verzoeker onderstreept verder (letterlijk) dat niet van hem kan worden verwacht dat hij zijn christelijk geloof in Iran niet zou manifesteren, opdat hij zich niet zou blootstellen aan vervolging. Deze kritiek kan niet leiden tot de cassatie van het bestreden arrest omdat dit laatste het motief bevat dat, “nu verzoeker geen oprechte bekering aannemelijk maakt, […] uit niets [blijkt] dat hij zich bij een eventuele terugkeer naar Iran als christen zal manifesteren of dat hij als dusdanig door zijn omgeving zal worden gezien”. De Raad voor Vreemdelingebetwistingen neemt dus net aan dat verzoeker zich niet heeft bekeerd tot het christendom en zich om die reden niet zal manifesteren of worden beschouwd als christen. Zoals blijkt uit de beoordeling van de overige kritiek in het cassatiemiddel, toont verzoeker niet de onwettigheid aan van het motief dat hij zich niet oprecht heeft bekeerd tot het christendom. VII-41.687-2/5
  3. Verzoeker laat vervolgens gelden dat uit de vermeende ongeloofwaardigheid van zijn bekeringsproces in Iran niet wettelijk kon worden afgeleid dat hij zich niet op een later tijdstip bekeerde tot het protestants-christelijke geloof. Met betrekking tot de ongeloofwaardigheid van verzoekers voorgehouden bekering, citeert de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen eerst en sluit hij zich aan bij de desbetreffende motieven uit de voor hem aangevochten beslissing van de verwerende partij. In deze laatste beslissing staat onder meer te lezen: “Dat aan uw geloofsactiviteiten in Iran geen geloof kan worden gehecht, vormt een negatieve indicatie voor de geloofwaardigheid van uw beweerde (voortgezette) religieuze engagement na aankomst in Europa, dat verder ondermijnd wordt door uw verklaringen over uw christelijke activiteiten op het eiland Xios. Gevraagd naar uw christelijke activiteiten op het eiland Xios, vertelt u immers slechts dat u wel christelijke activiteiten wilde doen maar deelnam aan de activiteiten van de getuigen van Jehova hoewel dit niet hetgeen was wat u wilde (CGVS, p. 22-23). Dat u zich in Griekenland, alwaar men in alle vrijheid en zonder enig risico zijn religie kan beleven, tegen uw zin bezig hield met activiteiten van de getuigen van Jehova, getuigt andermaal niet van een oprechte, dieperliggende overtuiging van waaruit u bekeerd zou zijn tot het christendom. Bovendien vermelde u eerder dat u op het eiland mensen aanmoedigde om zich te bekeren en naar de kerk te gaan (CGVS, p. 20). Het is merkwaardig dat u op het eiland mensen zou hebben aangespoord naar de kerk te gaan, terwijl u zelf niet wilde deelnemen aan de christelijke activiteiten van de getuigen van Jehova. Het geheel van bovenstaande vaststellingen noopt tot de conclusie dat er ook geen geloof gehecht kan worden aan uw bewering dat u daadwerkelijk het christelijke geloof aanhangt en u zich bij terugkeer naar Iran als christen zou gedragen. Gelet hierop is het niet aannemelijk dat uw doopsel, waaraan op zich niet getwijfeld wordt, ingegeven zou zijn door een gefundeerde, oprechte religieuze overtuiging en niet louter geïnspireerd is door opportunisme.” De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen voegt hieraan zelf de volgende overwegingen toe: “Verzoeker verklaarde dat hij op het Griekse eiland Xios christelijke activiteiten wilde doen maar activiteiten van de getuigen van Jehova volgde, dit was niet wat hij wou (CGVS, p. 23), dat hij in Athene deelnam aan lessen, bijeenkomsten, vieringen waar gebedsliedjes werden gezongen en dat hij in Brugge naar de kerk gaat (CGVS, p. 22). De Raad merkt op dat verzoekers bekering in Iran niet geloofwaardig is, zoals hierboven wordt gesteld en waartegen verzoeker in het verzoekschrift geen verweer voert, daardoor kan ook geen geloof worden gehecht aan het feit dat verzoekers motivatie om in België naar de kerk te gaan zou zijn ingegeven" door een oprechte overtuiging en niet door opportunistische redenen. Bij de aanvullende nota voegt verzoeker foto's van zijn religieuze activiteiten in België bij ‘t Keerske, de protestantse kerk in Brugge (stuk 6) en een verklaring van 17 juli 2022 van dominee J.D.P. van VII-41.687-3/5 deze kerk (stuk 7). Daarin verklaart zij dat verzoeker zich aangesloten heeft bij de protestantse kerk in Brugge, dat hij protestants christen is, dat hij in Griekenland gedoopt is en er Bijbelstudie volgde. Hij komt samen met zijn partner naar de erediensten op zondagmorgen en hij volgt Bijbelstudie. Verzoeker voegt ook screenshots toe van zijn deelname aan online Bijbelstudie (stuk 8). De Raad ontkent niet dat uit deze stukken blijkt dat verzoeker in België actief is binnen de protestantse gemeenschap, maar stelt vast dat een deelname aan activiteiten niet volstaat om een oprechte bekering aan te tonen, die is ingegeven vanuit een dieperliggende overtuiging, Uit de motieven hierboven weergegeven blijkt dat verzoeker een oprechte bekering in Iran niet aannemelijk heeft gemaakt. Het voorleggen van documenten waaruit blijkt dat verzoeker in België christelijke activiteiten uitvoert, en het feit dat hij in Griekenland werd gedoopt, doet hieraan geen afbreuk.” Uit het voorgaande blijkt duidelijk dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen grondig en nauwgezet heeft onderzocht of verzoekers bekering oprecht is en is ingegeven vanuit een dieperliggende overtuiging, doch oordeelt dat ze een opportunistisch karakter heeft. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft hierbij rekening gehouden met verzoekers voorgeschiedenis in Iran zelf evenals met de verklaringen en de stukken betreffende verzoekers activiteiten in Griekenland en in België.
  4. Met de volgende overweging geeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aan waarom verzoeker als afgewezen asielzoeker geen vrees hoeft te koesteren voor een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM bij een gebeurlijke terugkeer naar het land van herkomst: “Uit informatie die zich in het administratief dossier bevindt, namelijk de COl Focus ‘Iran: behandeling van terugkeerders door hun nationale autoriteiten’ van 20 maart 2020 (update) (adm. dossier, stuk 6, map met landeninformatie, stuk 7) en die verzoeker ook bij de aanvullende nota voegt (stuk 14) blijkt bovendien dat de Iraanse autoriteiten weinig aandacht schenken aan terugkerende verzoekers om internationale bescherming. Evenmin hebben zij veel aandacht voor wat deze verzoekers in het buitenland hebben gezegd, gedaan of op internet hebben gezet. Het zijn personen die al eerder een verhoogd risicoprofiel hadden (wat verzoeker niet heeft aangetoond) en personen met geloofwaardige bekeringsactiviteiten (wat in casu niet het geval is), die bij terugkeer een groter risico lopen om in de aandacht van de Iraanse autoriteiten te komen.” Uit de voormelde motivering blijkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen ook verzoekers stuk 14 in zijn beoordeling heeft betrokken doch op grond van het geheel van de relevante informatie in het administratief dossier van oordeel is dat een naar Iran terugkerende afgewezen verzoeker om internationale bescherming geen gevaar loopt te worden geviseerd door de autoriteiten aldaar. Dat de Raad voor VII-41.687-4/5 Vreemdelingenbetwistingen wat dat betreft geen onderscheid maakt tussen vrijwillige en gedwongen terugkeerders, betekent niet dat hij geen rekening heeft gehouden met verzoekers stuk 14 doch wel dat hij van oordeel is dat geen onderscheid moet worden gemaakt tussen die twee categorieën. Waar verzoeker thans zelf aanhaalt dat uit zijn stuk 14 evenwel “blijkt […] dat er geen gedwongen terugleidingen naar Iran plaatsvinden, omdat Iran steevast weigert om laisser-passer reisdocumenten af te leveren voor zijn onderdanen” en dat “de enige afgewezen asielzoekers die terugkeren naar Iran […] dit immers op vrijwillige basis [doen]”, valt niet in te zien wat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen afzonderlijk moest motiveren over de situatie voor gedwongen terugkeerders.
  5. Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
  6. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  7. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op vijfentwintig november tweeduizend tweeëntwintig, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Carlo Adams VII-41.687-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ORD.15.116 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.