id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 25 november 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ORD.15.117 Rolnummer: A. 237398/VII-41691 Zaak: Cassatiebeschikking 15117 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 25/11/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-11-28 Raadplegingen: 73 - laatst gezien 2026-06-10 07:54 Fiche Beschikking nr 15.117 van 25 november 2022 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 15.117 van 25 november 2022 in de zaak A. 237.398/XIV-41.691 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Julien Hardy kantoor houdend te 1348 Louvain-la-Neuve rue de la Draisine 2/004 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 4 oktober 2022, strekt tot de cassatie van arrest nr. 277.148 van 7 september 2022 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het administratief dossier is op 26 oktober 2022 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- Verzoeker acht de artikelen 39/2, 55/4 en 55/5/1 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ geschonden “omdat de RvV stelt dat het onderdeel van de beslissing van het CGVS waardoor het CGVS beslist dat een verwijderingsmaatregel naar het land van herkomst van verzoeker in overeenstemming is met de artikelen 48/3 en 48/4 VII-41.691-1/4 van de Vreemdelingenwet, een advies is dat geen aanvechtbare beslissing is, en aan het oordeel van de RvV niet wordt onderworpen”.
- De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt dienaangaande in het bestreden arrest: “Het tweede onderdeel van de bestreden beslissing vloeit voort uit artikel 57/6, eerste lid, 14°, van de Vreemdelingenwet iuncto artikel 55/5/1, § 3, van de Vreemdelingenwet. Wanneer de commissaris-generaal van oordeel is dat de subsidiaire beschermingsstatus moet worden ingetrokken op grond van artikel 55/5/1, § 1, of § 2, 1°, van de Vreemdelingenwet geeft hij een advies over de vraag of een verwijderingsmaatregel naar het land van herkomst van verzoeker in overeenstemming is met de artikelen 48/3 en 48/4 van deze wet. Al komt dit advies voor in de beslissing tot intrekking van de subsidiaire beschermingsstatus als instrumentum, het is te onderscheiden van die beslissing als negotium. Enerzijds vormt de beslissing tot intrekking van de subsidiaire beschermingsstatus enkel een beslissing tot intrekking van die status en houdt ze geen verwijderingsmaatregel in, anderzijds gaat het advies van de commissaris-generaal slechts vooraf aan een eventuele door de bevoegde overheid afzonderlijk te nemen verwijderingsmaatregel. Het advies is niet bindend en wijzigt de rechtstoestand van de betrokkene niet. Bijgevolg vormt het advies geen aanvechtbare rechtshandeling (RvS 24 mei 2016, nr. 234.824). In zoverre verzoeker In zijn verzoekschrift op dit punt een andere mening is toegedaan en argumenteert, onder verwijzing naar de bij het verzoekschrift gevoegde landeninformatie (stukkenbundel verzoeker, stukken 4 en 5) dat hij bij terugkeer naar zijn land van herkomst een reëel risico op ernstige schade zou lopen, is zijn betoog niet dienstig.”
- Dat het door verzoeker bedoelde advies overeenkomstig artikel 55/5/1, § 3, van de vreemdelingenwet wordt gegeven door de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen “in het kader van zijn beslissing” tot intrekking van de subsidiaire beschermingsstatus, doet er niet aan af dat het slechts gaat om een gewoon, dit is een niet-bindend, advies. Zoals de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt, wijzigt dergelijk advies niet de rechtstoestand van de vreemdeling. Een eventuele beslissing tot verwijdering kan immers slechts naderhand worden genomen en is afzonderlijk aanvechtbaar. In dit verband kan nuttig worden verwezen naar de memorie van toelichting bij het wetsontwerp dat heeft geleid tot de wet van 10 augustus 2015 ‘tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen om beter rekening te houden met de bedreigingen voor de samenleving en de nationale veiligheid in de aanvragen tot internationale bescherming’, waarmee onder meer artikel 55/5/1 van de vreemdelingenwet werd ingevoegd: VII-41.691-2/4 “De adviezen van het CGVS over een eventuele verwijdering van het grondgebied hebben betrekking op de verenigbaarheid van een verwijderingsmaatregel met de artikelen 48/3 en 48/4 van de wet van 15 december
- Het advies van het CGVS spreekt zich uit over de insluitingsvoorwaarden voor de vluchtelingenstatus en voor de subsidiaire beschermingsstatus, respectievelijk het al dan niet bestaan in hoofde van betrokkene van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van het Verdrag van Genève of van een reëel risico op ernstige schade in de zin van de subsidiaire bescherming. Hierdoor heeft het advies van het CGVS betrekking op de verenigbaarheid van de verwijderingsmaatregel met de twee aspecten van artikel 3 van het EVRM waarvoor het CGVS bevoegd is en die het daadwerkelijk kan beoordelen. Het advies van het CGVS aan de minister of zijn gemachtigde zal dus in alle situaties een gewoon advies zijn. Noch de huidige wet noch een Europese richtlijn vereist een eensluidend advies in om het even welke intrekkings- of uitsluitingshypothese. Merk tevens op dat de betrokken vreemdelingen in ieder geval worden beschermd tegen een risico op schending van het non-refoulementbeginsel want artikel 74/17 van de wet verplicht de minister of zijn gemachtigde, slechts over te gaan tot een verwijderingsmaatregel voor zover deze maatregel geen risico op schending van het non-refoulementbeginsel voor betrokkene met zich meebrengt. Op praktisch gebied is het trouwens beter dat de minister of zijn gemachtigde in fine toeziet op het naleven van het non-refoulementbeginsel. Enerzijds omdat zij de enigen zijn die een volledig beeld van de situatie van de betrokkene hebben. Anderzijds omdat de minister of zijn gemachtigde de datum en de modaliteiten van de eventuele verwijdering van de betrokken vreemdeling bepaalt. Nog steeds op praktisch gebied wijzen wij erop dat de daadwerkelijke verwijdering over het algemeen ten vroegste slechts verschillende weken of maanden na de beslissing en het advies van het CGVS gebeurt, vooral indien men rekening houdt met de duur van het beroep dat toegankelijk is voor betrokkene bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. De daadwerkelijke naleving van het non-refoulementbeginsel houdt noodzakelijkerwijs in dat een gegeven situatie moet worden beoordeeld op het ogenblik dat de daadwerkelijke verwijdering zou kunnen plaatsvinden, en niet vroegtijdig. Hoewel de adviezen van het CGVS de minister of zijn gemachtigde niet binden, kunnen zij de adviezen van het CGVS toch niet negeren. De minister of zijn gemachtigde moet er integendeel rekening mee houden bij de beoordeling van het risico op schending van het non-refoulementbeginsel, dat moet gebeuren bij de verwijdering op basis van artikel 74/17 van de wet. Daartoe kan de Dienst Vreemdelingenzaken trouwens te allen tijde bij het CGVS inlichtingen inwinnen. En dit zowel om te informeren naar de actualiteit van een advies van het CGVS dat een risico op verwijdering aangaf, als om te informeren naar het bestaan van dergelijk risico in de gevallen dat het CGVS geen risico op schending van het non-refoulementbeginsel in zijn advies zou hebben vermeld. Merk namelijk op dat de veiligheidssituatie in het land van herkomst tussen het ogenblik waarop het CGVS zijn beslissing neemt en zijn advies verstrekt, en het ogenblik waarop de daadwerkelijke verwijdering wordt uitgevoerd, kan verbeteren maar ook kan verslechteren. Het is echter van belang dat de minister of zijn gemachtigde zowel met de ene als met de andere situatie rekening houdt. In dit opzicht kan men trouwens van oordeel zijn dat indien eensluidende adviezen van het CGVS zouden zijn opgelegd, deze adviezen de facto een langere geldigheid zouden hebben gekregen zonder enige rechtvaardiging. Eensluidende adviezen van het CGVS zouden het moeilijker hebben gemaakt dat de minister of zijn gemachtigde de adviezen van het CGVS negeert die niet wijzen op een risico op schending van het non-refoulementbeginsel, wat problematisch zou zijn in situaties waarin een risico op schending van het nonrefoulementbeginsel zich voordoet na het advies van het CGVS. Doordat er wordt voorzien in gewone adviezen en geen eensluidende adviezen van het CGVS, kan er eveneens op worden gewezen dat de VII-41.691-3/4 minister of zijn gemachtigde het risico op schending van het non-refoulementbeginsel steeds concreet moet onderzoeken op het ogenblik van de daadwerkelijke verwijdering van een vreemdeling, en dit ongeacht het advies van het CGVS.” (Parl. St. Kamer, DOC 54 1197/001, 6) Bijgevolg heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op wettige wijze overwogen dat het kwestieuze advies van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen geen aanvechtbare rechtshandeling is.
- Het enige middel is kennelijk ongegrond. BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op vijfentwintig november tweeduizend tweeëntwintig, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Carlo Adams VII-41.691-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ORD.15.117 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div