← België

Cassatiebeschikking 15125 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 05/12/2022

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 05 december 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ORD.15.125 Rolnummer: A. 237571/VII-41720 Zaak: Cassatiebeschikking 15125 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 05/12/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-12-06 Raadplegingen: 72 - laatst gezien 2026-06-10 07:57 Fiche Beschikking nr 15.125 van 5 december 2022 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 15.125 van 5 december 2022 in de zaak A. 237.571/VII-41.720 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dirk Geens kantoor houdend te 2018 Antwerpen Lange Lozanastraat 24 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 26 oktober 2022, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 278.377 van 7 oktober 2022 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 17 november 2022 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. Verzoeker voert aan dat hij het gehoorverslag van de dienst Vreemdelingenzaken (hierna: DVZ) van 3 februari 2020 op geen enkele manier kon controleren, dat nergens zijn akkoord blijkt met de wijze waarop zijn verklaringen over zijn “verblijfplaatsen” werden genoteerd, dat zijn verklaringen daarover volledig consistent zijn en dat de vermeende verschillen tussen het gehoor bij de DVZ en het onderhoud op het VII-41.720-1/3 commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen (hierna: CGVS) daarom niet van aard zijn om de geloofwaardigheid te ontnemen aan zijn asielrelaas. Verzoeker herhaalt zijn voor de Raad voor Vreemdelingen- betwistingen aangevoerde kritiek doch hij ontkracht daarmee niet de vaststelling in het bestreden arrest “dat het verslag van 3 februari 2020 verzoeker in het farsi werd voorgelezen en deze wel degelijk voor akkoord ondertekende”. Verder behoort de beoordeling van de bewijswaarde van stukken en de opgenomen verklaringen van een verzoeker om internationale bescherming tot de soevereine appreciatiebevoegdheid van de rechter ten gronde. De Raad van State treedt als administratieve cassatierechter niet in de beoordeling van de zaak zelf en vermag zich dan ook niet uit te spreken over de impact van de verschillen tussen het gehoor bij de DVZ en bij het CGVS op de geloofwaardigheid van het asielrelaas.
  2. Verzoeker voert aan dat het verslag van de DVZ volgens het bestreden arrest “tot bewijs van het tegendeel, een vermoeden van wettigheid en overeenstemming met de werkelijkheid” geniet. Hij acht dit in strijd met artikel 51/10 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’. Zoals supra reeds vastgesteld, ontkracht verzoeker niet de vaststelling in het bestreden arrest dat het gehoorverslag van de DVZ door hem werd ondertekend. Voor zover verzoeker de inhoud betwist van het stuk dat zijn handtekening draagt, in de zin dat het geen getrouwe weergave zou vormen van zijn verklaringen, berust de bewijslast bij verzoeker zelf. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vermocht dan ook op wettige wijze dienaangaande te oordelen: “Er wordt in dit verband nog aangestipt dat het gehoorverslag bij de Dienst Vreemdelingenzaken wordt opgesteld door een onpartijdige ambtenaar die er geen persoonlijk belang bij heeft de verklaringen van de kandidaat-verzoeker om internationale bescherming onjuist of onvolledig weer te geven en als dusdanig de nodige garanties biedt inzake objectiviteit. Het verslag geniet, tot bewijs van het tegendeel, een vermoeden van wettigheid en overeenstemming met de werkelijkheid.”
  3. Verzoeker verwijst naar het privilège du préalable, dat volgens hem niet geldt voor de vragenlijst van de DVZ. VII-41.720-2/3 Met de overweging dat het gehoorverslag van de DVZ tot bewijs van het tegendeel een vermoeden van wettigheid en overeenstemming met de werkelijkheid geniet, spreekt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich niet uit over de wettigheid ervan als zou het gaan om een administratieve beslissing doch enkel over dit stuk als bewijselement, meer bepaald wat de mogelijkheid van tegenbewijs tegen de inhoud ervan betreft. In het bestreden arrest wordt overigens nergens melding gemaakt van het privilège du préalable. Verzoekers kritiek berust in deze mate op een foutieve lezing van het bestreden arrest.
  4. Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
  5. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  6. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op 5 december 2022, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Carlo Adams VII-41.720-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ORD.15.125 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.