id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 05 december 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ORD.15.126 Rolnummer: A. 237567/VII-41719 Zaak: Cassatiebeschikking 15126 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 05/12/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-12-07 Raadplegingen: 81 - laatst gezien 2026-06-10 07:57 Fiche Beschikking nr 15.126 van 5 december 2022 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 15.126 van 5 december 2022 in de zaak A. 237.567/XIV-41.719 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Cynthia Torfs kantoor houdend te 3200 Aarschot Amerstraat 121 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 25 oktober 2022, strekt tot de cassatie van arrest nr. 278.198 van 30 september 2022 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het administratief dossier is op 17 november 2022 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- Verzoeker citeert de prejudiciële vraagstelling uit ’s Raads arrest nr. 252.305 van 2 december 2021 en uit een arrest van de Nederlandse Raad van State van 15 juni 2022 betreffende artikel 14, vierde lid, aanhef en onder b, van richtlijn 2011/95/EU van 13 december 2011 ‘inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status VII-41.719-1/5 voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming’. Hij stelt hierover zelf geen prejudiciële vraag voor maar voert aan: “Vastgesteld moet worden dat verwerende partij het gevaar voor de samenleving afleidt uit de opgelopen veroordeling die als bijzonder ernstig wordt aangemerkt. Verzoeker betwist deze interpretatie in die zin dat in concreto dient beoordeeld te worden of de opgelopen veroordeling thans nog een actueel en dreigend gevaar uitmaakt, de omstandigheden in acht genomen. Anders redeneren, wat verwerende partij lijkt te doen, zou erop neerkomen dat een veroordeling voor een bijzonder ernstig misdrijf, nooit een beoordeling vergt en dat verbeteringstrajecten, gunstige verslagen, enz. zinloos worden.” Verzoeker vermeldt in het verzoekschrift tot cassatie verkeerdelijk de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen als verwerende partij, daar waar de commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de verwerende partij is. Er kan derhalve worden aangenomen dat zijn kritiek is gericht tegen het bestreden arrest. Verzoekers kritiek berust op een onvolledige lezing van het bestreden arrest. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen beperkt zich immers niet tot de vaststelling dat verzoeker is veroordeeld voor een “bijzonder ernstig misdrijf” doch hij overweegt dat, “[o]m te beoordelen of er sprake is van een gevaar voor de samenleving bij een definitieve veroordeling voor een bijzonder ernstig misdrijf, […] rekening [dient] te worden gehouden met de aard en de omstandigheden van het misdrijf en de werkelijk geleden schade, alsook met de opgelegde straf en de toegepaste procedureregels om het misdrijf te vervolgen” en “dat er een link moet bestaan tussen de ernst van het misdrijf en de beoordeling van het gevaar voor de samenleving”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen citeert vervolgens uit het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 2 april 2021 waarvan hij vaststelt dat verzoeker “veroordeeld werd tot een effectieve gevangenisstraf van 10 jaar wegens verkrachting van een kind boven de volle leeftijd van veertien jaar en beneden de zestien jaar, met de omstandigheid dat de schuldige een bloedverwant in de opgaande lijn of de adoptant van het slachtoffer is; verkrachting van minderjarigen boven volle leeftijd 16 jaar met de omstandigheid dat de schuldige een bloedverwant in de opgaande lijn of de adoptant van het slachtoffer is; verkrachting van meerderjarigen met de omstandigheid dat de schuldige een bloedverwant in de opgaande lijn of de adoptant van het slachtoffer is; aanranding van de eerbaarheid met geweld of bedreiging jegens minderjarigen geen volle 16 jaar oud met de omstandigheid dat de schuldige een bloedverwant in de opgaande lijn of de adoptant van het slachtoffer is; VII-41.719-2/5 aanranding van de eerbaarheid met geweld of bedreiging jegens minderjarigen boven volle leeftijd 16 jaar met de omstandigheid dat de schuldige een bloedverwant in de opgaande lijn of de adoptant van het slachtoffer is; aanranding van de eerbaarheid met geweld of bedreiging jegens meerderjarigen met de omstandigheid dat de schuldige een bloedverwant in de opgaande lijn of de adoptant van het slachtoffer is en opzettelijke slagen met de omstandigheid dat het misdrijf werd gepleegd op een minderjarige door zijn vader, moeder of andere bloedverwanten in de opgaande lijn” en waarin wordt vastgesteld dat verzoeker gedurende een lange tijd zijn eigen dochter misbruikte en mishandelde, dat verzoeker op geen enkel ogenblik stilstond bij de negatieve impact van zijn handelingen op het welzijn van zijn dochter, dat verzoeker haar ook na tussenkomst van hulpverlening en politie bleef misbruiken, dat voor verzoeker enkel de bevrediging van zijn seksuele lusten van tel was, dat het gaat om een man met eerder beperkte intellectuele mogelijkheden die vanuit vermijdende/narcistische elementen van de persoonlijkheid de incestbarrière doorbreekt en die na aanvankelijk staalhard ontkennen van enige gebeurtenis (tot confrontatie met DNA dit niet meer mogelijk maakte) daarvoor de schuld volledig bij zijn dochter legt, dat dit volgens een medisch verslag duidt op een goed bewust zijn van het ontoelaatbare van zijn daden, waarbij “de gelegenheid de dief maakt” en dat therapeutisch niet veel valt te bereiken behalve het erkennen van zijn daden en het nemen van zijn volledige verantwoordelijkheid. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen citeert ook de motivering in dat vonnis dat het, “[g]elet op de aard der gepleegde feiten, de opgelegde strafmaat en de ingesteldheid van de veroordeelde, […] te vrezen [is] dat hij zich aan de uitvoering van de straf zou pogen te onttrekken en dat hij nieuwe misdaden of wanbedrijven zou plegen”. Hierna overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen: “De verzoekende partij betoogt in het verzoekschrift dat louter factueel gezien niet ingezien kan worden hoe een incestdelict een gevaar kan vormen voor de maatschappij. Uit de motieven yan de bestreden beslissing blijkt dat de commissaris- generaal bij het bepalen of verzoekende partij actueel een gevaar vormt voor de samenleving onder meer rekening heeft gehouden met de ernst van de gestelde daden, met de individuele verantwoordelijkheid van verzoekende. partij, met de strafmaat die gehanteerd werd, en met de verdediging die verzoekende partij ten aanzien van de correctionele rechtbank en de hoven van beroep had aangevoerd. Uit de aard, de bijzondere ernst van de feiten, en het gegeven dat de verzoekende partij geen schuldinzicht heeft blijkt evenwel dat zij door toedoen van haar persoonlijk gedrag een actueel gevaar vormt voor de samenleving. In de bestreden beslissing wordt op goede gronden gemotiveerd dat: ‘Het misdrijf waarvoor u werd veroordeeld is bovendien dermate ernstig dat deze vaststelling an sich voldoende is om te stellen dat u een gevaar vormt voor de samenleving. Uit uw persoonlijk gedrag blijkt dat u geen enkele vorm van respect heeft voor de fysieke, seksuele en psychische integriteit ven anderen, in casu uw dochter, en dat u er niet voor terugschrikt om hierbij geweld en dwang te gebruiken. In dit kader wordt nogmaals benadrukt dat u aanvankelijk alle feiten VII-41.719-3/5 ontkende en dat u pas nadat u werd geconfronteerd met DNA onderzoek, deze feiten van verkrachting en aanranding niet langer betwiste maar hiervoor de schuld volledig bij uw dochter legde. Bovenstaande wijst er dan ook op dat u geen schuldinzicht heeft.’ In het vonnis wordt eveneens gemotiveerd dat: ‘Gelet op de bijzondere ernst van de feiten en het aanhoudend gedrag van D.L. primeert de bescherming en de beveiliging van de maatschappij. Enkel een effectieve gevangenisstraf is gepast. Bovendien wordt u voor een duur ven 10 jaar ontzet uit de rechten bedoeld in artikel 31, 1e lid Strafwetboek’ en ‘Gelet op de bijzondere ernst van de bewezen verklaarde feiten en ter bescherming ven de maatschappij dient u tevens gedurende een termijn ven 10 jaar ter beschikking te worden gesteld van de strafuitvoeringsrechtbank.’ De omstandigheden die tot de veroordeling van verzoekende partij hebben geleid wijzen er aldus op dat er in hoofde van verzoekende partij sprake is van een persoonlijk gedrag en handelen dat onbetwistbaar een actueel gevaar vormt voor de samenleving, wat de intrekking van de vluchtelingenstatus rechtvaardigt. Daarenboven heeft de verzoekende partij ter terechtzitting verklaart dat haar strafdossier ‘slechts vanuit één kant werd bekeken’, wat wederom aantoont dat er in hoofde van de verzoekende partij nog steeds geen sprake is van schuldinzicht.” Uit het voorgaande blijkt dat de Raad voor Vreemdelingen- betwistingen niet enkel heeft vastgesteld dat verzoeker werd veroordeeld voor een “bijzonder ernstig misdrijf” doch ook rekening heeft gehouden met de feitelijke omstandigheden en daaruit heeft afgeleid dat verzoeker “onbetwistbaar een actueel gevaar vormt voor de samenleving”. Verzoekers kritiek mist wat dat betreft feitelijke grondslag en hij maakt dan ook geen schending aannemelijk van artikel 55/3/1 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: vreemdelingenwet). Verder treedt de Raad van State als administratieve cassatierechter niet in de beoordeling van de zaak zelf en komt het hem bijgevolg niet toe de door de eerste rechter gemaakte feitelijke beoordeling over te doen.
- Het lex certa-beginsel houdt in dat het voor iedereen duidelijk moet zijn welk handelen en nalaten leidt tot strafrechtelijke aansprakelijkheid, alsmede welke sancties daarop kunnen volgen. Vermits een beslissing tot intrekking van de vluchtelingenstatus met toepassing van artikel 55/3/1 van de vreemdelingenwet geen strafrechtelijke sanctie behelst, kan het lex certa-beginsel niet geschonden zijn.
- Het zorgvuldigheidsbeginsel is als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur niet van toepassing op jurisdictionele beslissingen zoals het bestreden arrest waarmee de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen te dezen met hervormingsbevoegdheid uitspraak heeft gedaan over een beroep tegen een beslissing van de verwerende partij tot intrekking van de vluchtelingenstatus. VII-41.719-4/5
- Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op 5 december 2022, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Carlo Adams VII-41.719-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ORD.15.126 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div