← België

Cassatiebeschikking 15139 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 15/12/2022

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 15 december 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ORD.15.139 Rolnummer: A. 237616/VII-41729 Zaak: Cassatiebeschikking 15139 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 15/12/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-12-19 Raadplegingen: 76 - laatst gezien 2026-06-10 08:02 Fiche Beschikking nr 15.139 van 15 december 2022 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK CA/. BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 15.139 van 15 december 2022 in de zaak A. 237.616/VII-41.729 In zake :

  1. XXXXX
  2. XXXXX
  3. XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bob Cammaert kantoor houdend te 9000 Gent Tondelierlaan 15 bus 701 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 2 november 2022 strekt tot de cassatie van arrest nr. 277.871 van 26 september 2022 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 30 november 2022 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. De verzoekende partijen achten in het enige middel artikel 48/4 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: vreemdelingenwet) geschonden, in essentie omdat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het door de verzoekende partijen VII-41.729-1/3 geschetste feitenrelaas zou erkennen doch vervolgens de nadruk zou leggen op beperkte inconsistenties in dat relaas. Volgens de verzoekende partijen kan het bestaan van een reëel risico op ernstige schade, “[g]elet op de niet-betwiste feitelijkheden, weldegelijk worden aangenomen” en geeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen met het bestreden arrest aan artikel 48/4 van de vreemdelingenwet “een lezing als zou het volledige verhaal van de subsidiair te beschermen persoon integraal onomstotelijk vast dienen te staan, hetgeen de wetgever duidelijk niet voor ogen had gelet op de bewoordingen van artikel 48/4 van de Vreemdelingenwet”.
  5. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen oordeelt in het bestreden arrest: “De Raad stelt derhalve vast dat verzoekers geenszins concreet in gaan op de motieven van de bestreden beslissingen. Zij gaan bovendien voorbij aan de vaststellingen dat aan de bloedwraak geen geloof wordt gehecht gelet op de zeer beperkte kennis over de desbetreffende familie met name omtrent hun namen. leeftijd en woonplaatsen. Tevens is er sprake van incoherente verklaringen tussen alle verzoekers wat betreft de start van de bloedwraak. Zo stellen eerste en derde verzoeker dat dit was na de veroordeling van D. in
  6. Tweede verzoekster spreekt van de eerste berichtgeving in 2015 en beweert dat zij sindsdien niet meer bulten kwam, hoewel zij tevens aanhaalt tot 2018 nog steeds buiten te komen om te werken. De Raad stelt vast dat verzoekers deze motieven ongemoeid laten. Omtrent de bescherming van de nationale autoriteiten gaan verzoekers evenmin in op desbetreffende motieven nu derde verzoekster stelt dat ze eerst bij de wijkagent is langs geweest en hem daarna telefonisch heeft gecontacteerd, waarna hij niet is langsgekomen. Eerste verzoekende partij beweert dienaangaande dat derde verzoekster eerst heeft gebeld, een week later naar het commissariaat is geweest waar ze een andere agent aantrof die haar zei te vertrekken uit Albanië, en tweede verzoekende partij ontkent dan weer dat zij ooit naar het politiebureau gingen, omdat deze toch niets kunnen doen. Gelet op deze tegenstrijdige verklaringen kunnen verzoekers niet zonder meer stellen dat de Albanese autoriteiten niet in staat zijn bescherming te bieden. 2.3.
  7. Inzake het attest van 3 maart 2022 van een verzoeningscommissie ter staving van het bestaan van de bloedwraak, stelt de Raad vooreerst vast dat In het attest wordt aangegeven dat de bloedwraak reeds sinds 25 juni 2014 zou zijn begonnen, terwijl verzoekers Albanië hebben verlaten op 14 september
  8. Dit is een andere datum dan de reeds aangegeven tegenstrijdige data van verzoekers betreffende de start van de voorgehouden bloedwraak, wisselend van 2016 tot 2018, zoals reeds aangehaald. In het document wordt tevens gesteld dat de commissie reeds verscheidene keren zou zijn tussengekomen, hoewel geen enkele van de verzoekers ooit heeft gesproken over verzoeningspogingen laat staan contact maken met een verzoeningscommissie. Ook in het verzoekschrift wordt enkel gesproken over het attest dat het bestaan van de bloedwraak zou bevestigen, niet over reeds gedane verzoeningspogingen. Vaststellingen die de objectieve bewijswaarde van het attest onderuit halen. De geloofwaardigheid van het attest wordt overigens verder gehypothekeerd nu verzoekers zelf hebben aangegeven dat zij zouden hebben gewacht om een commissie te contacteren tot er een reactie kwam van de familie, en zij zelf geen vertrouwen VII-41.729-2/3 hebben in dergelijke commissie. Tot slot wordt nog vastgesteld dat geen beëdigde vertaling werd neergelegd van het attest.”
  9. Uit de motivering van het bestreden arrest blijkt niet dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen als voorwaarde stelt dat “het volledige verhaal van de subsidiair te beschermen persoon integraal onomstotelijk vast [zou] dienen te staan”, zoals de verzoekende partijen nochtans voorhouden. De kritiek van de verzoekende partijen mist in die mate feitelijke grondslag. Verder beoordeelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, die te dezen uitspraak heeft gedaan met hervormingsbevoegdheid, soeverein de geloofwaardigheid van het relaas van een verzoeker om internationale bescherming en de ernst van inconsistenties in dat relaas. Als administratieve cassatierechter treedt de Raad van State niet in de beoordeling van de zaak zelf.
  10. Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
  11. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  12. De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 600 euro, ieder voor een derde. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op 15 december 2022, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Carlo Adams VII-41.729-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ORD.15.139 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.