← België

Cassatiebeschikking 15155 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 22/12/2022

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 22 december 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ORD.15.155 Rolnummer: A. 237411/VII-41696 Zaak: Cassatiebeschikking 15155 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 22/12/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-12-23 Raadplegingen: 75 - laatst gezien 2026-06-10 08:07 Fiche Beschikking nr 15.155 van 22 december 2022 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 15.155 van 22 december 2022 in de zaak A. 237.411/VII-41.696 In zake : XXXXX wonende te 1020 Brussel Ernest Vander Aastraat 29, bus 001 alwaar keuze van woonst wordt gedaan bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Marc Sampermans kantoor houdend te 3500 Hasselt Koningin Astridlaan 46 tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de staatssecretaris voor Asiel en Migratie ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 4 oktober 2022, strekt tot de cassatie van arrest nr. 276.771 van 31 augustus 2022 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 14 december 2022 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ zijn als dusdanig niet van toepassing op jurisdictionele beslissingen zoals het bestreden arrest. Verzoeker kan dan ook geen schending van deze bepalingen inroepen omdat het bestreden arrest geen voldoende VII-41.696-1/3 motivering zou bevatten. Verder heeft kritiek op de motieven van de voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aangevochten beslissing van de verwerende partij geen betrekking op het bestreden arrest.
  2. Ook de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zijn niet van toepassing op jurisdictionele beslisingen zoals het bestreden arrest. Verzoekers kritiek dat de verwerende partij in haar beslissing de redelijkheidsplicht en de zorgvuldigheidsplicht zou hebben geschonden, heeft geen betrekking op het bestreden arrest.
  3. Verzoeker verwijst op zeer algemene wijze naar de duur van zijn verblijf in België, het bestaan van banden met het land van verblijf en het ontbreken van banden met het land van herkomst. Daargelaten de vaststelling dat die kritiek grotendeels betrekking heeft op de beslissing van de verwerende partij en niet op het bestreden arrest, dient te worden opgemerkt dat de Raad van State als administratieve cassatierechter niet in de beoordeling treedt van de zaak zelf.
  4. Hetzelfde geldt voor de voorgehouden schending van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend te Rome op 4 juni
  5. Verzoeker herhaalt slechts op algemene wijze zijn eigen standpunt, met name dat het “praktisch onmogelijk” zou zijn om hetzij alleen hetzij met het gezin terug te keren naar Marokko om er een visum type D aan te vragen, zonder in te gaan op de eigen motieven van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen en de in het bestreden arrest geciteerde en overgenomen motieven uit de beslissing van de verwerende partij. In de mate dat verzoeker verwijst naar de “onderzoeksplicht” die zou voortvloeien uit de voormelde verdragsbepaling, geeft hij niet aan welke concrete tekortkomingen in het onderzoek de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zou hebben moeten vaststellen.
  6. Verzoeker verwijst in het opschrift van zijn middel naar artikel 74/13 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’, zonder evenwel verder uiteen te zetten op welke wijze deze bepaling zou zijn geschonden met het bestreden arrest. VII-41.696-2/3
  7. Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
  8. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  9. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 24 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op 22 december 2022 door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Carlo Adams VII-41.696-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ORD.15.155 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.