← België

Arrest 255427 - Tucht (openbaar ambt) - 04/01/2023

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 04 januari 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.255.427 Rolnummer: A. 231123/XIV-38403 Zaak: Arrest 255427 - Tucht (openbaar ambt) - 04/01/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-01-12 Raadplegingen: 78 - laatst gezien 2026-06-10 08:09 Fiche Arrest nr 255.427 van 4 januari 2023 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Vernietiging Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 255.427 van 4 januari 2023 in de zaak A. 231.123/XIV-38.403 In zake : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Dimitri Dedecker en Rob Trips kantoor houdend te 8000 Brugge Maria Van Bourgondiëlaan 33/A bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken die woonplaats kiest bij de Federale Politie DGR/JUR gevestigd te 1050 Brussel Kroonlaan 145A -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 29 juni 2020, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de waarnemend directeur-generaal van de Federale Gerechtelijke politie van 19 mei 2020, waarbij aan verzoeker als tuchtsanctie de terugzetting in de weddeschaal wordt opgelegd. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Bij arrest nr. 248.568 van 13 oktober 2020 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. Verzoeker heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. XIV-38.403-1/7 Verzoeker heeft een toelichtende memorie ingediend. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 7 september 2022 om 14.00 uur. Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht. Advocaat Rob Trips, die verschijnt voor verzoeker en adviseur Jana Mouton, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  3. III. Feiten 3.
  4. De feiten zijn uiteengezet in het tussenarrest nr. 248.568 van 13 oktober
  5. Er wordt naar verwezen. XIV-38.403-2/7 IV. Onderzoek van het eerste middel Standpunt van de partijen
  6. Verzoeker voert in het verzoekschrift dat hij herhaalt in de toelichtende memorie, in een eerste middel onder meer onder het opschrift “aangaande de schending van artikel 55 tuchtwet,” de schending aan van artikel 55 van de wet van 13 mei 1999 ‘houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten’ (hierna: de tuchtwet). Hij zet uiteen dat het dwingend karakter van de voorgeschreven termijnen ervoor zorgt dat de tuchtprocedure vlot verloopt. De niet-naleving van de aldus bepaalde kennisgevingstermijn wordt niet door de (tucht)wet gesanctioneerd. Ook al is duidelijk dat deze een termijn van orde is, dient te worden vastgesteld dat deze termijn in casu op onredelijke wijze is overschreden, waardoor de verwerende partij haar zorgvuldigheidsplicht heeft geschonden. Het bestuur heeft manifest te lang gewacht met het beslechten van verzoekers situatie en heeft kennelijk onzorgvuldig gehandeld, te meer daar er geen enkel redelijk argument kan worden aangevoerd om de buitensporige periode tussen 19 november 2019 en 17 april 2020 te verantwoorden. Het hanteren van dergelijk lange beslissingstermijn, zonder dat daarvoor een motivering voorhanden is, gaat alle redelijkheid te buiten.
  7. De verwerende partij doet in haar laatste memorie gelden dat verzoeker in het verzoekschrift enkel een schending aanvoert van de motiveringsplicht en van artikel 55 van de tuchtwet. Volgens haar is artikel 55 van de tuchtwet niet geschonden en is in het middel geen aparte schending vervat van het zorgvuldigheidsbeginsel en van de redelijke termijn. Deze beginselen raken de openbare orde niet, zodat het auditoraatsverslag, dat het volgens haar anders ziet, het middel derhalve onterecht ambtshalve uitbreidt. XIV-38.403-3/7 Beoordeling
  8. Verzoeker stelt uitdrukkelijk in het middel dat “het bestuur […] manifest te lang [heeft] gewacht met het beslechten van de situatie van verzoeker en heeft kennelijk onzorgvuldig gehandeld, temeer daar er geen enkel redelijk argument kan aangevoerd worden om deze buitensporige periode tussen 19 november 2019 en 17 april 2020 te verantwoorden. Het hanteren van dergelijk lange beslissingstermijn, zonder dat daarvoor een motivering voorhanden is, gaat alle redelijkheid te buiten.” Anders dan hoe de verwerende partij het ziet, blijkt aldus dat verzoeker het middel niet beperkt tot de enkele schending van artikel 55 van de tuchtwet (en van de motiveringsplicht), maar ook opwerpt dat het zorgvuldigheidsbeginsel is geschonden doordat de hogere tuchtoverheid een “buitensporige periode tussen 19 november 2019 en 17 april 2020” heeft laten verstrijken om de situatie van verzoeker te beslechten. Het standpunt van de verwerende partij dat het aangevoerde middel niet de schending van de zorgvuldigheidsplicht bevat, heeft aldus geen grondslag. De verwerende partij is overigens slecht geplaatst om pas in haar laatste memorie de draagwijdte van het aangevoerde middel te betwisten nu zij om redenen die haar eigen zijn, heeft verzuimd een memorie van antwoord te dienen, die haar de eerste gelegenheid had geboden om haar standpunt inzake de draagwijdte van het middel uiteen te zetten. Door anders te handelen heeft zij aldus verzoeker en het auditoraat niet de gelegenheid geboden haar standpunt met kennis van zaken te beoordelen. Het middel wordt vanuit het voormelde oogpunt onderzocht.
  9. Luidens artikel 54, eerste lid, van de tuchtwet, moet de hogere tuchtoverheid, als zij na ontvangst van het advies van de Tuchtraad daarvan wil afwijken, de redenen hiervoor, samen met de voorgenomen straf, meedelen aan het betrokken personeelslid. Die kan een schriftelijk verweer indienen binnen de tien dagen na de kennisgeving, op straffe van verval. Luidens artikel 55 van de XIV-38.403-4/7 tuchtwet deelt de hogere tuchtoverheid haar uitspraak mee binnen de dertig dagen nadat zij dat laatste schriftelijk verweer heeft ontvangen. De tuchtwet voorziet niet in een termijnstelling binnen dewelke de hogere tuchtoverheid haar voornemen om af te wijken van het advies van de Tuchtraad aan het betrokken personeelslid moet ter kennis brengen. Deze afwezigheid van normatieve termijnstelling stelt de hogere tuchtoverheid evenwel niet vrij van haar plicht tot zorgvuldigheid die te dezen inhoudt dat zij verplicht is om binnen een redelijke termijn over de tuchtvordering een uitspraak te doen welke ook de inhoud van die uitspraak moge zijn - gunstig of ongunstig - voor het betrokken personeelslid. Zij mag derhalve niet talmen met het nemen van de beslissing tot afwijken en met de kennisgeving ervan zonder dat hiervoor een redelijke verantwoording bestaat.
  10. Uit de gegevens van de zaak blijkt dat de Tuchtraad op 19 november 2019 zijn advies verstrekte en dat op 14 april 2020 de hogere tuchtoverheid besliste om af te wijken van dat advies. Op 17 april 2020 nam verzoeker kennis van die beslissing, waarna hij op 25 april 2020 een verweerschrift indiende. Op 19 mei 2020 nam de hogere tuchtoverheid de bestreden beslissing die op 25 mei 2020 aan verzoeker werd betekend. Aldus blijkt dat de hogere tuchtoverheid bijna vijf maanden heeft gewacht om te beslissen om af te wijken van het advies van de Tuchtraad. Uit het dossier noch uit de bestreden beslissing blijkt hier enige verklaring of redengeving voor. In acht genomen het principe dat de tuchtoverheid het betrokken personeelslid niet te lang in onzekerheid mag laten en zijn dossier met bekwame spoed moet behandelen en de omstandigheid dat de tuchtprocedure aan tal van strakke termijnen, veelal vervaltermijnen, is onderworpen ook nadat het advies van de Tuchtraad is gegeven, getuigt deze abnormale niet te verklaren passiviteit om de procedure verder te zetten door te beslissen om (al dan niet) af te wijken van het advies van de Tuchtraad, niet van de vereiste nodige zorgvuldigheid die van een diligente tuchtoverheid moet worden verwacht. XIV-38.403-5/7 Het argument van de verwerende partij dat artikel 55 van de tuchtwet niet is geschonden is niet relevant nu dat argument geen antwoord biedt op de vraag of de hogere tuchtoverheid zorgvuldig heeft gehandeld door bijna vijf maanden te wachten alvorens haar beslissing tot afwijken van het advies van de Tuchtraad aan verzoeker mee te delen zonder daarvoor ook maar enige verantwoording te geven.
  11. Uit wat voorafgaat volgt dat verzoeker voldoende aannemelijk maakt dat de hogere tuchtoverheid “kennelijk onzorgvuldig” handelde door te lang te wachten met het beslechten van zijn situatie. Door aldus niet met de nodige voortvarendheid de procedure verder te zetten en zo verzoeker onnodig in onzekerheid te laten verkeren aangaande zijn lot, schendt de hogere tuchtoverheid het zorgvuldigheidsbeginsel. Het middel is in de aangegeven mate gegrond. BESLISSING
  12. De Raad van State vernietigt de beslissing van de waarnemend directeur-generaal van de Federale Gerechtelijke politie van 19 mei 2020, waarbij aan verzoeker als tuchtsanctie de terugzetting in de weddeschaal wordt opgelegd.
  13. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro en een bijdrage van 40 euro.
  14. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van verzoeker niet bekendgemaakt. XIV-38.403-6/7 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vier januari tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, kamervoorzitter, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Geert Debersaques XIV-38.403-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.255.427 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.568 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.