← België

Arrest 255428 - Kind & Gezin - 04/01/2023

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 04 januari 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.255.428 Rolnummer: A. 237990/VII-41823 Zaak: Arrest 255428 - Kind & Gezin - 04/01/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-01-05 Raadplegingen: 78 - laatst gezien 2026-06-10 08:09 Fiche Arrest nr 255.428 van 4 januari 2023 Sociale zaken en volksgezondheid - Kind & Gezin Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 255.428 van 4 januari 2023 in de zaak 237.990/VII-41.823 In zake: Maria VAN DE POL bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dirk Van Heuven kantoor houdend te 2600 Antwerpen Cogels Osylei 61 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het AGENTSCHAP OPGROEIEN REGIE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Stefaan Verbouwe en Rutger Robijns kantoor houdend te 1150 Brussel Tervurenlaan 270 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 21 december 2022, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van: “
  2. de beslissing van verweerster van 12 december 2022 tot afwijzing van het bezwaar van verzoekster tegen de opheffing van de vergunning van 29 augustus 2022, tot bevestiging van de beslissing van 29 juli 2022 met bijgaand sluitingsbevel met ingang van 30 december 2022 betekend met mail en aangetekende brief van 15 december 2022, […]
  3. de beslissing van verweerster van 29 juli 2022 tot opheffing van de vergunning van de kinderopvang Janneman met bijgaand sluitingsbevel […]”. VII-41.823 -1/7 II. Verloop van de rechtspleging
  4. De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 3 januari 2023, om 11 uur. Kamervoorzitter Carlo Adams heeft verslag uitgebracht. Advocaat Dirk Van Heuven die verschijnt voor verzoekster, en advocaat Stefaan Verbouwe die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Anja Somers heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  5. III. Feiten 3.
  6. Verzoekster is sedert 1996 organisator van kinderopvang onder de benaming “Janneman”. Na de inwerkingtreding van het decreet van 20 april 2012 ‘houdende de organisatie van kinderopvang van baby’s en peuters’ verwerft zij met ingang van 11 april 2014 een vergunning baby’s en peuters voor 25 plaatsen. In de loop van de tijd vinden een aantal inspectiebezoeken plaats waarbij inbreuken worden vastgesteld, die er uiteindelijk toe leiden dat de verwerende partij op 6 mei 2022 een aanmaning richt aan verzoekster tot naleving van de vergunningsvoorwaarden. VII-41.823 -2/7 Met een brief van 30 mei 2022 deelt de verwerende partij aan verzoekster het voornemen van de opheffing van de vergunning van de kinderopvanglocatie mee. Naar aanleiding hiervan wordt op 23 juni 2022 een hoorzitting gehouden. Op 29 juli 2022 besluit de verwerende partij tot de opheffing van de vergunning van de kinderopvanglocatie Janneman. Vanaf 29 augustus 2022 mogen op het adres van deze kinderopvanglocatie geen kinderen meer opgevangen worden. Dit is de tweede bestreden beslissing. 3.
  7. Verzoekster tekent bezwaar aan tegen de voornoemde beslissing van 29 juli 2022 bij de Adviescommissie voor Voorzieningen van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin (hierna: adviescommissie WVG). Op 10 oktober 2022 houdt de adviescommissie WVG een hoorzitting met de beide partijen. Zij adviseert op 22 november 2022 het bezwaar ongegrond te verklaren. Op 12 december 2022 beslist de verwerende partij tot afwijzing van verzoeksters bezwaar, tot behoud van de tweede bestreden beslissing en derhalve “tot opheffing van de vergunning voor de kinderopvanglocatie Janneman te Malle doch met ingang van 30 december 2022”, met als gevolg “dat er in deze kinderopvanglocatie vanaf 1 januari 2023 geen kinderopvang meer mag doorgaan”. Dit is de eerste bestreden beslissing. IV. Uiterst dringende noodzakelijkheid Uiteenzetting van de uiterst dringende noodzakelijkheid
  8. Verzoekster gaat ervan uit dat een schorsing volgens de gewone schorsingsprocedure of een vernietiging van de bestreden beslissingen te laat zal komen, “in acht genomen dat de doorlooptijd van een gewone schorsingsprocedure VII-41.823 -3/7 voor uw Raad zowat 5 maanden is, en die van een vernietigingsprocedure zowat een jaar”. Verzoekster voert eerst aan dat zij een volledig inkomstenverlies lijdt vermits zij geen andere inkomsten heeft dan deze als organisator en kinderbegeleider binnen “Janneman”. Verzoekster laat verder gelden dat zij 66 jaar oud is, 42 jaar heeft gewerkt binnen de kinderopvang en zinnens is/was om op pensioen te gaan op 31 maart
  9. Door de bestreden beslissingen wordt een ongewenst vervroegd einde gesteld aan haar carrière, hetgeen zij als een evident en onherroepelijk nadeel beschouwt dat nooit kan worden goedgemaakt. De bestreden beslissingen veroorzaken bovendien een aanzienlijke reputatieschade voor verzoekster die een “eeuwige smet” zal blijven werpen op haar persoon. Verzoekster had een uitstekende reputatie bij de ouders en andere participanten in de kinderopvangsector maar die zal onvermijdelijk met andere ogen worden gezien na de feitelijke sluiting van “Janneman”. Dit reputatieverlies is ondraaglijk voor verzoekster. Tot slot is verzoekster diligent opgetreden door binnen de drie werkdagen na de ontvangst van de eerste bestreden beslissing de Raad van State te vatten. Beoordeling
  10. De schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid houdt een ernstige verstoring in van het normale verloop van de rechtspleging voor de Raad van State, herleidt de mogelijkheden tot onderzoek van de zaak tot een strikt minimum en beperkt in aanzienlijke mate de uitoefening van de rechten van verdediging van de verwerende partij. VII-41.823 -4/7 De aanwending van die procedure moet dan ook zeer uitzonderlijk blijven in die zin dat ze slechts mag worden aangewend in die enkele gevallen dat het uiterst dringende karakter van de zaak meteen voor iedereen zonder meer duidelijk is, of door de verzoekende partij op duidelijke en onomstootbare wijze wordt aangetoond. Luidens artikel 16, § 1, eerste lid, 7°, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State’, bevat het verzoekschrift waarin de uiterst dringende noodzakelijkheid wordt aangevoerd daartoe “een uiteenzetting van de feiten die de uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigen”. Dit impliceert dat een verzoekende partij aan de hand van precieze en concrete gegevens aannemelijk maakt dat de schorsing van de tenuitvoerlegging, indien ze pas na het afwikkelen van de gewone schorsingsprocedure zou worden uitgesproken, onherroepelijk te laat zou komen om het nadeel op te vangen of de belangen van de verzoekende partij veilig te stellen. De uiterst dringende noodzakelijkheid kan daarenboven niet voortkomen uit de enkele omstandigheid dat ingevolge de doorlooptijd van de zaak een uitspraak volgens de gewone schorsingsprocedure of een uitspraak ten gronde zou tussenkomen in een min of meer verre toekomst, waardoor de gewone schorsings- of annulatieprocedure verzoeker niet toelaat een arrest te verkrijgen voordat de bestreden handeling zijn volledige uitwerking heeft gehad. Opdat aan de voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid voldaan is, moet deze vaststelling ten minste gepaard gaan met andere feitelijke gegevens die eigen zijn aan de voorliggende zaak en die aantonen dat de uiterst dringende noodzakelijkheid eraan inherent is. Niet minder dan het geval is in de gewone schorsingsprocedure, is daartoe vereist dat de verzoekende partij het resultaat van de procedure ten gronde niet kan afwachten om haar beslissing te verkrijgen, “op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen” (Parl.St. Senaat 2012-2013, 5-2277/1, 13). VII-41.823 -5/7
  11. Het valt verzoekster toe aan te tonen dat in haar geval bijzondere omstandigheden ertoe nopen te oordelen dat zij de opheffing van de vergunning voor de kinderopvanglocatie Janneman onmogelijk kan ondergaan in afwachting van een uitspraak ten gronde of via de gewone schorsingsprocedure, omdat de schadelijke gevolgen of nadelen die zij daardoor dreigt te ondergaan van die aard zijn dat zij het resultaat van de procedure hierdoor niet kan afwachten.
  12. Verzoekster wijst op een volledig inkomstenverlies maar zij verschaft niet de minste toelichting over haar financiële en vermogenstoestand, haar gezinssamenstelling en dergelijke. Zij maakt dan ook niet aannemelijk dat zij minstens het verloop van een gewone schorsingsprocedure niet kan afwachten. In de mate dat verzoekster aanvoert het einde van haar carrière normaal pas op 31 maart 2024 te voorzien, maakt zij in het verzoekschrift evenmin aannemelijk dat het verloop van een gewone schorsingsprocedure tot gevolg zou hebben dat ondertussen reeds een vervroegd einde aan haar carrière zou komen. Waar een moreel nadeel zoals de voorgehouden reputatieschade in principe met een vernietigingsarrest kan worden rechtgezet, maakt verzoekster met de uiterst algemene opmerking dat zij een “eeuwige smet” dreigt te ondergaan, niet aannemelijk dat het te dezen anders zou zijn.
  13. Dat verzoekster met de vereiste spoed zou hebben gehandeld bij het instellen van de huidige vordering, volstaat op zich niet om de uiterst dringende noodzakelijkheid aan te tonen en doet geen afbreuk aan het voorgaande.
  14. Het blijkt derhalve niet dat de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen zonder een schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid onherroepelijke schadelijke gevolgen zou veroorzaken voor verzoekster. De uiterst dringende noodzakelijkheid is niet aangetoond. VII-41.823 -6/7 V. Conclusie
  15. Uit wat voorafgaat volgt dat niet voldaan is aan één van de bij artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de bestreden beslissingen te kunnen bevelen. Die vaststelling volstaat om de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid af te wijzen. BESLISSING
  16. De Raad van State verwerpt de vordering.
  17. Verzoekster wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vier januari tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Carlo Adams VII-41.823 -7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.255.428 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.