id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 januari 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.255.434 Rolnummer: A. 238063/XIV-39105 Zaak: Arrest 255434 - Erkenningen – Accreditaties (economische zaken) - 06/01/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-01-12 Raadplegingen: 82 - laatst gezien 2026-06-10 08:10 Fiche Arrest nr 255.434 van 6 januari 2023 Economische zaken - Erkenningen – Accreditaties (economische zaken) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 255.434 van 6 januari 2023 in de zaak A. 238.063/XIV-39.105 In zake: de bv ANGI bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Maarten Simon en Jasmein Van Der Sype kantoor houdend te 9000 Gent Brandweerstraat 19B/002 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Rik Devloo kantoor houdend te 8500 Kortrijk Koning Albertstraat 24/1 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering 1.
- De vordering, ingesteld op 30 december 2022, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de secretaris-generaal van het departement Werk en Sociale Economie van 12 december 2022 waarbij de erkenning van de verzoekende partij onder het erkenningsnummer V06065 wordt ingetrokken met ingang van 19 december
- 1.
- Tevens wordt gevorderd om “de verwerende partij te verplichten verzoekende partij te herstellen in al haar rechten als erkende dienstencheque-onderneming”. XIV-39.105-1/16 II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 5 januari 2023, om 14.00 uur. Auditeur-generaal Luc Vermeire heeft verslag uitgebracht. Advocaten Maarten Simon en Jasmein Van Der Sype verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Karien Loontjes, die loco advocaat Rik Devloo verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur-generaal Luc Vermeire heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- De verzoekende partij is een eenpersoonsvennootschap opgericht bij notariële akte verleden op 23 juni 2020 en ter griffie neergelegd op 24 juni
- Zij heeft luidens haar statuten het volgende maatschappelijk doel: “Voorwerp De vennootschap heeft tot voorwerp, zowel voor eigen rekening, als voor rekening van derden of in deelneming met derden, zelf of door bemiddeling van elke andere natuurlijke of rechtspersoon, in België of in het buitenland alle prestaties te verrichten die rechtstreeks of onrechtstreeks betrekking hebben op: • Het organiseren van alle activiteiten met betrekking tot dienstencheques; • Het beheer van onroerende goederen; de aankoop/verkoop – huur/verhuur van XIV-39.105-2/16 onroerende goederen; Bovenvermelde opsomming is niet beperkend, maar enkel aanwijzend zodat de vennootschap alle burgerlijke-, handels-, nijverheids-, financiële, roerende en onroerende of andere verrichtingen of handelingen kan stellen die rechtstreeks of onrechtstreeks, geheel of gedeeltelijk in verband staan met haar voorwerp of die eenvoudig nuttig zijn of die op welke wijze ook kunnen bijdragen tot de verwezenlijking van haar voorwerp, alles in de meest ruime zijn van het woord. De vennootschap mag haar voorwerp verwezenlijken, zowel in België als in het buitenland op alle wijzen en manieren die zij het best geschikt zou achten. De vennootschap mag geenszins aan vermogensbeheer of beleggingsadvies doen als bedoeld in de Wetten en Koninklijke Besluiten op de financiële transacties en de financiële markten en over het vermogensbeheer en het beleggingsadvies.” Voorts bepalen de statuten het volgende: “Boekjaar Het boekjaar van de vennootschap gaat in op 1 oktober en eindigt op 30 september van ieder jaar. Op deze laatste datum wordt de boekhouding van de vennootschap afgesloten en stelt het bestuursorgaan een inventaris en de jaarrekening op waarvan het, na goedkeuring door de algemene vergadering, de bekendmaking verzorgt, overeenkomstig de wet. Het eerste boekjaar gaat in de dag van de neerlegging ter griffie van een uitgifte dan deze akte en wordt afgesloten op 30 september 2021.” 3.
- Op 1 oktober 2020 wordt luidens de bestreden beslissing aan de verzoekende partij de erkenning toegekend voor “Strijken buitenshuis, Boodschappen, Begeleid vervoer van personen met beperkte mobiliteit en Schoonmaken ten huize van de gebruiker” (erkenningsnummer V065065). 3.
- Op 20 juli 2022 geeft de adviescommissie Dienstencheque-activiteiten een unaniem advies tot onmiddellijke intrekking van de erkenning van de verzoekende partij. 3.
- Op 12 december 2022 trekt de secretaris-generaal van het departement Werk en Sociale Economie de erkenning in van de verzoekende partij onder het erkenningsnummer V06065 en dit met ingang van 19 december
- Dit is de bestreden beslissing. XIV-39.105-3/16 IV. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. V. Uiterst dringende noodzakelijkheid Uiteenzetting van de uiterst dringende noodzakelijkheid
- In haar verzoekschrift onder het kopje “Wat betreft de voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid” voert de verzoekende partij aan dat “zonder twijfel” aan de eis van de uiterst dringende noodzakelijkheid is voldaan, in synthese omdat: “door de intrekking van de erkenning [zij] haar maatschappelijk doel niet meer [kan] vervullen. Zeventig werknemers kunnen niet meer tewerkgesteld worden en zullen ontslag nemen of inroepen ontslagen te zijn doordat verzoekende partij geen werk verschaft. Verzoekende partij dreigt zo op zeer korte termijn haar volledige personeel en klantenbestand kwijt te raken en zal derhalve failliet gaat alvorens een beslissing volgens de normale procedure kan worden bekomen.” De verzoekende partij licht toe dat zij door de bestreden beslissing vanaf 19 december 2022 haar erkenning als dienstencheque-onderneming verliest. Dit betekent concreet dat zij haar enige activiteit en ook haar enige maatschappelijke doel (aanbieden van poetsdiensten aan particulieren via dienstencheques) niet meer kan voortzetten, stellende dat haar maatschappelijk doel is beperkt tot “het organiseren van alle activiteiten met betrekking tot dienstencheques.” XIV-39.105-4/16 De verzoekende partij voert voorts aan dat haar zeventig personeelsleden derhalve niet meer kunnen worden tewerkgesteld, terwijl hun lonen wel moeten worden betaald. De maandelijkse loonlast bedraagt ongeveer 90.000 euro. Aangezien de verzoekende partij door de intrekking geen inkomsten meer heeft, zullen deze lonen vanaf februari 2023 niet meer betaald kunnen worden terwijl het niet betalen van loon een misdrijf is. Aldus zou de verzoekende partij worden gedwongen om het faillissement aan te vragen, aangezien de verderzetting van de onderneming zou neerkomen op het plegen van een sociaalrechtelijk misdrijf. Ook uit de laatste gepubliceerde jaarrekening van de verzoekende partij blijkt dat de onderneming werkt met kleine marges (in boekjaar 2021: winst van 25.466 euro op een totale omzet van 608.325 euro) en beperkte middelen (vlottende activa van 61.216 euro en vaste activa van 42.327 euro). De bezoldigingen van het personeel maken veruit de grootste kost uit: 569.999 euro in het boekjaar 2021 op een omzet van 608.325 euro. Voor zover nodig bevestigen volgens de verzoekende partij deze cijfers dat zij niet in staat is de lonen te blijven betalen indien haar erkenning niet op zeer korte termijn wordt hersteld. Meer nog, de personeelsleden hebben de mogelijkheid om impliciet ontslag in te roepen, aangezien de verzoekende partij door de bestreden beslissing niet meer in staat is om haar verplichting tot werkverschaffing na te komen. Een dergelijk ontslag zou bovendien de drempel van het collectief ontslag overschrijden, terwijl de verzoekende partij niet meer de tijd heeft om een informatie- en consultatieprocedure te volgen conform de wet Renault. Dit zou eens te meer een sociaalrechtelijk misdrijf uitmaken. De verzoekende partij betoogt voorts dat, indien de bestreden beslissing niet op korte termijn geschorst wordt, zij haar volledig personeel en haar volledige klantenbestand zal kwijtspelen: personeelsleden zullen impliciet ontslag inroepen, zelf ontslag nemen of ontslagen worden bij gebrek aan werk en klanten zullen een andere poetsfirma zoeken om hun woning te poetsen. Tot slot besluit de verzoekende partij dat, indien de Raad van State van oordeel zou zijn dat zij in de gegeven omstandigheden maar moet XIV-39.105-5/16 overgaan tot het ontslag van haar voltallige personeel, dan zou die kost onmogelijk betaald kunnen worden. Bovendien zou de verzoekende partij nadien nooit meer in staat zijn opnieuw eenzelfde of vergelijkbaar personeelsbestand en klantenbestand uit te bouwen. Beoordeling
- De schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid houdt een ernstige verstoring in van het normale verloop van de rechtspleging voor de Raad van State, herleidt de mogelijkheden tot onderzoek van de zaak tot een strikt minimum en beperkt in aanzienlijke mate de uitoefening van de rechten van verdediging van de verwerende partij. Het is om die reden dat, zoals overwogen in het arrest van de Algemene Vergadering van de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, nr. 249.313 van 22 december 2020, de Raad van State met een zekere gestrengheid de voorwaarden beoordeelt die vervuld moeten zijn opdat deze vordering kan worden ingewilligd. De aanwending van die procedure moet dan ook zeer uitzonderlijk blijven in die zin dat ze slechts mag worden aangewend in die enkele gevallen dat het uiterst dringende karakter van de zaak meteen voor iedereen zonder meer duidelijk is, of door de verzoekende partij op duidelijke en onomstootbare wijze wordt aangetoond. Luidens artikel 16, § 1, eerste lid, 7°, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State’, bevat het verzoekschrift waarin de uiterst dringende noodzakelijkheid wordt aangevoerd daartoe “een uiteenzetting van de feiten die de uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigen”. Dit impliceert dat een verzoekende partij aan de hand van precieze en concrete gegevens aannemelijk maakt dat de schorsing van de tenuitvoerlegging, indien ze pas na het afwikkelen van de gewone schorsingsprocedure zou worden uitgesproken, onherroepelijk te laat zou komen XIV-39.105-6/16 om het nadeel op te vangen of de belangen van de verzoekende partij veilig te stellen (Cfr. RvS, Algemene Vergadering, 22 december 2020, nr. 249.313). De uiterst dringende noodzakelijkheid kan daarenboven niet voortkomen uit de enkele omstandigheid dat ingevolge de doorlooptijd van de zaak een uitspraak volgens de gewone schorsingsprocedure of een uitspraak ten gronde zou tussenkomen in een min of meer verre toekomst, waardoor de gewone schorsings- of annulatieprocedure verzoeker niet toelaat een arrest te verkrijgen voordat de bestreden handeling zijn volledige uitwerking heeft gehad. Opdat aan de voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid voldaan is, moet deze vaststelling ten minste gepaard gaan met andere feitelijke gegevens die eigen zijn aan de voorliggende zaak en die aantonen dat de uiterst dringende noodzakelijkheid eraan inherent is. Niet minder dan het geval is in de gewone schorsingsprocedure, is daartoe vereist dat de verzoekende partij het resultaat van de procedure ten gronde niet kan afwachten om haar beslissing te verkrijgen, “op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen” (memorie van toelichting, Parl.St. Senaat 2012-2013, 5-2277/1, 13). Tot slot wordt de spoedeisendheid van de zaak niet vermoed, welke ook de aard van de bestreden beslissing is. In beginsel mag alleen rekening worden gehouden met hetgeen in het verzoekschrift tot schorsing of de daarbij gevoegde stukken wordt uiteengezet én gestaafd.
- De verzoekende partij voert te dezen, via de verwijzing naar een onvermijdelijk faillissement “alvorens een beslissing volgens de normale procedure kan worden bekomen,” in essentie een financieel nadeel aan dat in beginsel herstelbaar is. Het volstaat op zich niet om een financieel nadeel in te roepen om de uiterst dringende noodzakelijkheid van een zaak te verantwoorden. Dit is uitzonderlijk anders, indien bijzondere redenen worden aangevoerd waaruit blijkt dat de omvang van het ingeroepen financiële nadeel een zodanige impact XIV-39.105-7/16 heeft dat een uitspraak volgens de annulatieprocedure of zelfs de gewone schorsingsprocedure niet kan worden afgewacht. Als bijzondere reden kan dan worden aangevoerd, de vaststelling dat de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing de activiteiten, de concurrentiepositie en het financieel evenwicht van de rechtspersoon ernstig in gevaar brengt met een risico op faillissement en dus met risico voor haar voortbestaan.
- Hoewel het zich laat verstaan dat de verzoekende partij als houder van de ingetrokken erkenning financieel wordt getroffen door de intrekking ervan, dan nog is vereist dat zij, wil zij spoedeisendheid en te dezen een schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid verantwoorden, concreet aan de hand van verifieerbare gegevens en stavingsstukken waarbij op transparante wijze een globaal inzicht wordt verschaft, aantonen dat de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, indien ze pas na het afwikkelen van de gewone schorsingsprocedure zou worden uitgesproken, onherroepelijk te laat zou komen om het nadeel op te vangen. De verzoekende partij toont zulks niet aan.
- Ter adstructie van de uiterst dringende noodzakelijkheid van de voorliggende vordering gaat de verzoekende partij uit van het standpunt dat zij door het verlies van haar erkenning als dienstencheque-onderneming “haar enige activiteit en ook haar enige maatschappelijk doel (aanbieden van poetsdiensten aan particulieren via dienstencheques) niet meer kan voortzetten”. De verzoekende partij overtuigt evenwel niet. Voorafgaand wordt vastgesteld dat uit de enkele lezing van het hiervoor aangehaalde maatschappelijk doel van de verzoekende partij (zie supra, punt 3.1.) niet zomaar kan worden besloten dat het in rechte is beperkt tot het organiseren van erkende dienstencheque-activiteiten. Dit argument overtuigt op zich dus niet. XIV-39.105-8/16 Los daarvan is de centrale vraag die ter beoordeling staat, of de verzoekende partij afdoende aannemelijk maakt dat zij, zoals zij betoogt, als enige activiteit heeft het verrichten van erkende dienstencheque-activiteiten. Dit toont zij niet aan. Er wordt vooreerst geen enkel bewijsstuk voorgelegd dat de bewering bevestigt dat dienstencheque-activiteiten de enige activiteit van de verzoekende partij zou zijn. Zulks blijkt alvast niet onmiddellijk uit de voorgelegde jaarrekening van het uitzonderlijk boekjaar afgesloten op 30 september 2021, noch uit de overgelegde berekening van de loonlasten van de maand november
- Voorts wordt vastgesteld dat blijkens screenshots van de website van de verzoekende partij en die zijn opgenomen in de nota van de verwerende partij, de verzoekende partij op haar website blijkbaar publiciteit maakte “als geschikte partner voor het onderhoud en de schoonmaak van gebouwen. Ook particulieren zijn bij ons meer dan welkom. Van kantoorgebouwen tot scholen”, en als “professionele droogkuis” te Nazareth, zijnde de vestigingseenheid van de verzoekende partij sinds 1 december
- Dit lijken diensten die buiten de dienstenchequereglementering en dus buiten de ingetrokken erkenning vallen. Niet blijkt, noch wordt a fortiori aangetoond, dat de verzoekende partij inhoudelijk geen zeggenschap had over de website die, zoals de verwerende partij ter terechtzitting opmerkt, immers een (extern) uitgangsbord naar klanten is voor haar activiteiten. De enkele repliek ter terechtzitting van de verzoekende partij dat die opname op de website een “idee van de boekhouder” was en niet aantoont dat die activiteiten werden uitgeoefend, is bijgevolg niet overtuigend bij de beoordeling of de aldaar geafficheerde, buiten de erkenning vallende activiteiten, in de feiten al dan niet plaatsvonden. Tot slot blijkt uit het in de nota opgenomen uittreksel uit het KBO-register dat daarin de sinds 1 oktober 2020 (volgens de Nacebel-code) toegelaten hoofdactiviteiten van de verzoekende partij zeer ruim en algemeen zijn omschreven, met name “arbeidsbemiddeling”, “algemene reiniging van gebouwen”, “andere vormen van maatschappelijke dienstverlening zonder huisvesting, n.e.g.” en “activiteiten van wasserettes en wassalons ten behoeve van particulieren”. XIV-39.105-9/16 Los van de vaststelling dat niet zonder meer kan worden besloten dat die activiteiten niet verenigbaar zijn met het gegeven maatschappelijk doel, kan de verzoekende partij dat argument bezwaarlijk nu inroepen wanneer zij zelf blijkbaar het uitoefenen van die activiteiten mogelijk acht nu zij hiervoor publiciteit voert en deze opneemt in het KBO-register. Bovendien sluit het gegeven dat volgens de verzoekende partij die activiteiten niet in haar statutair doel passen, op zich niet uit dat die (overigens niet-verboden) activiteiten daadwerkelijk werden en worden uitgeoefend. Uit wat voorafgaat volgt dat uit dit geheel van bekende feiten, wordt afgeleid dat de verzoekende partij niet aannemelijk maakt dat haar enige activiteit bestaat uit het verrichten van activiteiten die vallen binnen het toepassingsgebied van haar erkenning als dienstencheque-onderneming. Haar uitgangspremisse dat zij haar activiteit om die reden zou moeten stopzetten is derhalve niet aannemelijk gemaakt. Aangezien de verzoekende partij niet op transparante wijze aan de hand van concrete, verifieerbare cijfergegevens een globaal inzicht verschaft in haar werkelijke activiteiten, toont zij aldus niet aan dat het wegvallen van haar erkende activiteiten in afwachting van een arrest volgens de gewone schorsingsprocedure op zich zeer nadelige of onherroepelijke gevolgen teweeg zou brengen.
- De verzoekende partij voert voorts aan dat zij als gevolg van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing failliet zal gaan. Ook dat argument overtuigt niet. In de mate dat de verzoekende partij doet gelden dat zij door de bestreden beslissing geen inkomsten meer heeft, zodat zij de lonen vanaf februari 2023 niet meer zal kunnen uitbetalen aangezien zij werkt met kleine marges en beperkte middelen waarbij de loonlast veruit de grootste kost uitmaakt, steunt zij dit op de laatste gepubliceerde jaarrekening (uitzonderlijk boekjaar 24 juni XIV-39.105-10/16 2020-30 september 2021). Recentere verifieerbare boekhoudkundige cijfers of rekeningen worden niet bijgebracht, hoewel moet worden vastgesteld dat die eerste jaarrekening betrekking heeft op het eerste (uitzonderlijke boek)jaar na de oprichting van de rechtspersoon, het tweede boekjaar van de rechtspersoon (1 oktober 2021 - 30 september 2022) onderwijl reeds ruim is verstreken alsook dat, op het moment van de indiening van het voorliggende verzoekschrift op 30 december 2022, bijna het eerste trimester van het nog daarop volgende boekjaar, op één dag na, geheel is verstreken. Kortom, de overgelegde boekhoudkundige financiële toestand is reeds 15 maanden oud, terwijl de verzoekende partij in totaal ongeveer 30 maanden is opgericht. Niet wordt in het verzoekschrift toegelicht, laat staan aannemelijk gemaakt, dat de overgelegde cijfers, ondanks de ouderdom ervan en het hiervoor geschetste kader, nog steeds een afdoend globaal en betrouwbaar inzicht geven in de actuele, bestaande financiële toestand van de verzoekende partij. De omstandigheid dat de algemene vergadering de jaarrekening 2021-2022 nog niet zou hebben goedgekeurd, belet immers niet dat, zoals de verwerende partij ter terechtzitting terecht stelt, de verzoekende partij minstens een voorlopige jaarrekening had kunnen voorleggen van het afgelopen boekjaar waaruit op een transparante wijze een globaal overzicht blijkt van haar huidige financiële toestand. Van een zorgvuldig handelende rechtspersoon, in dezelfde omstandigheden geplaatst, mag immers worden verwacht dat die tijdig een (voorlopige) jaarrekening opmaakt ter adstructie van zijn actuele financiële toestand, te meer dat de eigen statuten van de verzoekende partij uitdrukkelijk bepalen (zie supra, punt 3.1) dat “op deze laatste datum [versta: 30 september 2022] […] de boekhouding van de vennootschap [wordt] afgesloten en […] het bestuursorgaan een inventaris en de jaarrekening op[stelt][…].” Sinds 30 september 2022 was derhalve de boekhouding afgesloten en mag van een zorgvuldige verzoekende partij worden verwacht dat zij op 30 december 2022 reeds een voorlopige inventaris en jaarrekening kon voorleggen. De verzoekende partij legt voorts ter adstructie ook een stuk over bevattende een (gedeeltelijk) overzicht van de loonlasten van november
- Dit stuk zegt wat het zegt - de brutoloonkost van 82.677,64 euro voor arbeiders en van 7.707,19 euro voor bedienden voor de loonperiode van 1 tot 30 november 2022 - maar laat niet toe XIV-39.105-11/16 enige uitspraak te doen over de huidige financiële toestand van de verzoekende partij. Uit wat voorafgaat volgt dat de verzoekende partij het niet aannemelijk maakt dat de overgelegde cijfers, in het licht van wat hiervoor is vastgesteld, nog steeds een afdoend globaal en betrouwbaar inzicht geven in de actuele, bestaande financiële toestand van de verzoekende partij. Los van wat voorafgaat, laten de overgelegde stukken in ieder geval niet toe op een verifieerbare wijze te bepalen welk aandeel de dienstencheque-activiteiten in de omzet en kosten gedurende het eerste uitzonderlijk boekjaar 2020-2021 hadden, hoewel blijkbaar uit de overgelegde Nacebo-codes zoals die zijn opgenomen in het KBO-register, diverse andere hoofdactiviteiten waarvan hiervoor is vastgesteld dat die niet vallen onder de dienstscheque-activiteiten, reeds gelden sinds 1 oktober
- Uit wat voorafgaat volgt dat in elk geval op basis van de overgelegde stukken niet zonder meer kan worden vastgesteld dat er thans geen mogelijkheid bestaat om een periode te overbruggen inzonderheid met de andere activiteiten die de verzoekende partij uitoefent of met de verdere uitbouw daarvan, derwijze dat zij op zich zouden aantonen dat de verzoekende partij door de bestreden beslissing in een dermate precaire financiële situatie terechtkomt dat kan worden aangenomen dat die een zodanige impact heeft op haar voortbestaan, dat zij de duur die een gewone vordering tot schorsing in beslag neemt, niet zal kunnen dragen en die zouden verantwoorden dat haar vordering bij voorrang dient te worden behandeld. In dat kader moet overigens worden vastgesteld dat de verzoekende partij in haar verzoekschrift zwijgt over het door ‘Dienstencheques Vlaanderen’ terugbetaalde of terug te betalen ingehouden bedrag behalve wat de geblokkeerde 34.732,05 euro betreft, en of dat reeds is betaald door de verwerende partij en wat de weerslag daarvan is. Volgens het eigen overgelegde stuk “overzicht totaal ingehouden bedrag ten belope van 228.276,70 EUR in oktober 2022” zou van augustus 2022 tot oktober 2022 nochtans voor in totaal 228.276,70 euro ingehouden zijn. XIV-39.105-12/16
- De verzoekende partij voert voorts aan dat zij als gevolg van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing haar volledig personeel en haar volledig klantenbestand zal kwijtspelen. Ook dat argument overtuigt niet. Vooreerst wordt niet onderbouwd welk aandeel uit het klantenbestand diensten afneemt die vallen onder de erkenning als dienstencheque-onderneming. Voorts wordt het argument dat cliënteel gemakkelijk de weg naar andere spelers zal vinden zonder dat de verzoekende partij deze later zal kunnen terugwinnen, in feite niet concreet onderbouwd en wordt het in de feiten overigens tegengesproken door de vaststelling dat de verzoekende partij blijkbaar zelf snel een groot klantenbestand kon opbouwen. Los van het feit dat elk concreet stuk ontbreekt waaruit het aantal personeelsleden - blijkbaar 70 - blijkt, gelden vooreerst dezelfde vaststellingen voor (de noodzaak tot) het ontslaan en het “kwijtspelen” van het personeel en dat, voorts, los van de vaststelling dat niet wordt aangetoond dat geen personeel kan worden behouden voor andere activiteiten, noch dat de verzoekende partij in ieder geval haar personeel verder kan tewerkstellen en klanten kan bedienen als regulier poetsbedrijf, strijkatelier of wasserette/droogkuis die werkt zonder dienstencheques. Minstens blijkt niet dat dit niet op korte termijn kan gebeuren. De enkele verwijzing naar de (mogelijke) ontslagkost overtuigt evenmin alleen al wegens het ontbreken van elke becijferde onderbouwing. Dat er sprake zou zijn van een collectief ontslag zonder dat de verzoekende partij nog de tijd heeft om een informatie- en consultatieprocedure te volgen wordt in dat licht evenmin voldoende onderbouwd nu niet op een verifieerbare wijze vaststaat welke de impact is van de bestreden beslissing op de verderzetting van de tewerkstelling door de verzoekende partij.
- Uit wat voorafgaat, volgt dat geen uiterst dringende noodzakelijkheid is aangetoond hoewel die procedure slechts mag worden aangewend in die enkele gevallen dat het uiterst dringende karakter door een verzoekende partij op duidelijke en onomstootbare wijze wordt aangetoond, daarbij in acht genomen dat de vordering tot schorsing, ook deze bij uiterst XIV-39.105-13/16 dringende noodzakelijkheid, “op elk moment” kan worden ingesteld. Evenmin is aangetoond dat het doorlopen van de gewone schorsingsprocedure onherroepelijk te laat zou komen, op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen.
- Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen. VI. Vordering de verwerende partij te verplichten de verzoekende partij te herstellen in al haar rechten als erkende dienstencheque-onderneming
- Deze vordering is onduidelijk wat haar voorwerp betreft wat de Raad van State niet toelaat die met voldoende preciesheid en zekerheid in te passen in zijn bevoegdheden ter zake die hij in de fase van het kortgeding heeft. Hoe dan ook en in de mate dat deze vordering zou kunnen worden ingepast in de bevoegdheden die de Raad van State heeft in de fase van het kortgeding, kan zij enkel worden gelezen als een voorlopige maatregel in de zin van artikel 17, §§ 1 en 4 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Die moet evenwel worden verworpen aangezien niet aan de voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid is voldaan, nog daargelaten de vraag of de Raad van State anders dergelijke maatregel zou kunnen bevelen. VII. Kosten
- Over de vraag van de verzoekende partij en van de verwerende partij om de kosten, met inbegrip van een gevorderde rechtsplegingsvergoeding, te laste te leggen van de andere partij, wordt uitspraak gedaan in het arrest over het beroep tot nietigverklaring. BESLISSING XIV-39.105-14/16 De Raad van State verwerpt de vordering. XIV-39.105-15/16 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zes januari tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Geert Debersaques XIV-39.105-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.255.434 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.428 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.