← België

Arrest 255435 - Niet begeleide minderjarigen - 09/01/2023

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 januari 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.255.435 Rolnummer: A. 235983/VII-41555 Zaak: Arrest 255435 - Niet begeleide minderjarigen - 09/01/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-01-16 Raadplegingen: 80 - laatst gezien 2026-06-10 08:10 Fiche Arrest nr 255.435 van 9 januari 2023 Vreemdelingen - Niet begeleide minderjarigen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 255.435 van 9 januari 2023 in de zaak A. 235.983/VII-41.555 In zake : Mohammad IBRAHIMKHEL bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Nancy Beirnaert kantoor houdend te 9160 Lokeren Groentemarkt 19 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ine De Cneudt kantoor houdend te 3054 Oud-Heverlee Maurits Noëstraat 145 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 29 maart 2022, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de Federale Overheidsdienst Justitie, dienst Voogdij, van 3 februari 2022 waarbij wordt beslist verzoeker te beschouwen als ouder dan 18 jaar en dat verzoeker geen voogd zal krijgen. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een verslag opgesteld overeenkomstig artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. VII-41.555-1/11 Overeenkomstig artikel 26, § 2, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State’, heeft de voorzitter van de VIIe kamer bij beschikking van 23 september 2022 aan de partijen voorgesteld dat de zaak niet op een openbare terechtzitting wordt behandeld, tenzij één van de partijen hierom verzoekt. Geen van de partijen heeft om een terechtzitting gevraagd. Overeenkomstig bovenvermelde beschikking, werd het debat gesloten en werd de zaak in beraad genomen op 17 november
  3. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten
  5. Verzoeker komt België binnen en hij dient op 23 november 2021 een verzoek om internationale bescherming in. Hij verklaart alsdan van Afghaanse nationaliteit te zijn en geboren te zijn op 4 april
  6. De dienst Vreemdelingenzaken uit twijfels over de leeftijd van betrokkene. Op 13 december 2021 informeert de dienst Vreemdelingenzaken de dienst Voogdij dat verzoeker reeds internationale bescherming heeft gevraagd in Polen onder een andere identiteit, namelijk Mohammad NABIKHEL, geboren op 1 januari
  7. In het Militair Hospitaal Koningin Astrid te Neder-over- Heembeek ondergaat verzoeker op 27 januari 2022 een medisch onderzoek om na te gaan of hij al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt. De arts besluit dat verzoeker ouder is dan 18 jaar. VII-41.555-2/11 Op 3 februari 2022 beslist de dienst Voogdij verzoeker te beschouwen als ouder dan 18 jaar en dat verzoeker geen voogd zal krijgen. Dit is de bestreden beslissing. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
  8. Verzoeker werpt in een eerste middel de schending op van de zorgvuldigheidsplicht als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. Hij licht dit als volgt toe: “
  9. Verzoeker heeft nooit behoorlijke gelegenheid gehad om zijn zaak te verdedigen. De Dienst Voogdij, zijnde verwerende partij, hield op geen enkel ogenblik rekening met de argumenten die door verzoeker werden opgeworpen of had kunnen opwerpen indien hij hiertoe de kans had gekregen. De administratieve overheid heeft de aanvraag van verzoeker duidelijk niet terdege onderzocht, hoewel ze dit verplicht is. De omstandigheden die door de vreemdeling worden aangevoerd tot staving van zijn aanvraag moeten door de administratieve overheid in elk bijzonder geval worden onderzocht. Dit onderzoek moet tot uiting komen in de motivering van de beslissing die uitspraak doet over de aanvraag. In casu is de administratieve overheid niet eens tot het onderzoek van de grond van de zaak gekomen. Verzoeker werd zonder meer in kennis gesteld van de beslissing zonder de mogelijkheid te hebben gehad zich te kunnen verdedigen tegen de argumenten die de Dienst Voogdij meende te kunnen opwerpen. Bij gebreke aan een grondig onderzoek heeft de Dienst Voogdij o.m. inbreuk gepleegd op de zorgvuldigheidsplicht ais beginsel van behoorlijk bestuur.
  10. De Dienst Voogdij verwijst naar een beweerde eerdere aanvraag tot internationale bescherming in Polen onder een beweerde andere naam. Verzoeker heeft zich hierop niet kunnen verdedigen. Ook het medisch onderzoek werd aan verzoeker niet voorgelegd, zodat hij in de onmogelijkheid was om een tegenexpertise te vragen. VII-41.555-3/11 Verzoeker heeft nog belangrijke documenten aangevraagd die kunnen aantonen dat hi] wel degelijk minderjarig is. Verzoeker heeft echter niet de kans gekregen deze voor te leggen aan de Dienst Voogdij. Het feit dat de Dienst Voogdij verzoeker niet nader de kans heeft gegeven zijn verweer te voeren en zonder meer tot het besluit komt dat verzoeker meer dan 18 jaar zou zijn en zonder meer heeft besloten tot zijn ongeloofwaardigheid druist absoluut in tegen de zorgvuldigheidsplicht. Uit al het voormelde dient derhalve te worden besloten dat de Dienst Voogdij zonder grondig onderzoek heeft besloten dat verzoeker meer dan 18 jaar zou zijn. Dit betreft een grove onzorgvuldigheid in hoofde van verwerende partij, zodat er sprake is van een schending van de zorgvuldigheidsplicht ais beginsel van behoorlijk bestuur.” Beoordeling
  11. Naar luid van artikel 7, § 1, van Titel XIII, Hoofdstuk 6 ‘Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen’ van de programmawet (I) van 24 december 2002 (hierna: voogdijwet) laat de dienst Voogdij, indien hij twijfel koestert omtrent de leeftijd van de betrokken persoon, onmiddellijk een medisch onderzoek door een arts uitvoeren teneinde na te gaan of die persoon al dan niet jonger is dan 18 jaar. Nu de wet zelf het medisch onderzoek als bewijsmiddel heeft ingesteld wanneer twijfel bestaat over de leeftijd van de betrokkene, blijkt geen schending van het zorgvuldigheidsbeginsel uit het feit dat de dienst Voogdij de bestreden beslissing heeft genomen op grond van dergelijk leeftijdsonderzoek. Verzoeker toont dan ook niet aan dat de verwerende partij niet tot “het onderzoek van de grond van de zaak” zou zijn gekomen. Verzoeker specificeert niet met welke argumenten die hij heeft opgeworpen of zou hebben kunnen opwerpen de verwerende partij geen rekening heeft gehouden bij het nemen van de bestreden beslissing.
  12. Verzoeker stelt dat de verwerende partij ten onrechte verwijst naar een beweerd eerder verzoek om internationale bescherming in Polen en dat hij zich daar niet op heeft kunnen verweren. De uitslag van het leeftijdsonderzoek VII-41.555-4/11 vormt echter een motief dat de bestreden beslissing op zich kan dragen en verzoekers kritiek tegen dit motief blijkt ongegrond te zijn. Ten overvloede kan worden vermeld dat verzoeker thans niet de minste argumentatie aanvoert waaruit de onwettigheid van de verwijzing naar het eerdere verzoek om internationale bescherming kan blijken, bijvoorbeeld dat deze verwijzing op onjuiste feitelijke gegevens zou zijn gesteund of onredelijk zou zijn. Verzoeker geeft evenmin aan welke “belangrijke documenten” hij zou hebben aangevraagd waaruit zou kunnen blijken dat hij nog geen 18 jaar was bij het nemen van de bestreden beslissing. Tot slot vereist de zorgvuldigheidsplicht niet dat het verslag van het leeftijdsonderzoek hem samen met de leeftijdsbeslissing zelf ter kennis wordt gebracht, noch dat het verslag hem voordien ter kennis wordt gebracht zodat hij nog een tegenexpertise zou kunnen laten uitvoeren voordat de bestreden beslissing wordt genomen. De bestreden beslissing vermeldt immers uitdrukkelijk het uitgevoerde leeftijdsonderzoek en de conclusie ervan, namelijk dat verzoeker “op datum van 27.01.2022 een leeftijd heeft van ouder dan 18 jaar, waarbij 20,6 jaar met een standaarddeviatie van een 1,5 tal jaar een goede schatting is”, evenals de mogelijkheid om via zijn vermelde contactpersoon “een kopie van de resultaten van de medische test en een kopie van uw dossier te vragen”. Verzoeker had dus de mogelijkheid om de voorgehouden onwettigheid van het resultaat van de leeftijdstest als motief van de bestreden beslissing aan te vechten, eventueel middels een vorm van “tegenexpertise”.
  13. Het eerste middel is, voor zover ontvankelijk, ongegrond. VII-41.555-5/11 B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
  14. Verzoeker werpt in een tweede middel de schending op van de materiëlemotiveringsplicht als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. Hij licht dit als volgt toe: “
  15. Aangezien verwerende partij tevens niet grondig de redenen heeft uiteengezet in de bestreden beslissing waarom zij de mening toegedaan is dat verzoeker ouder zou zijn dan 18 jaar, is tevens niet voldaan aan de motiveringsplicht ais beginsel van behoorlijk bestuur. De Dienst Voogdij, zijnde verwerende partij, hield op geen enkel ogenblik rekening met de argumenten die door verzoeker werden opgeworpen of had kunnen opwerpen indien hij hiertoe de kans had gekregen. De administratieve overheid heeft de aanvraag van verzoeker duidelijk niet terdege onderzocht, hoewel ze dit verplicht is. De omstandigheden die door de vreemdeling worden aangevoerd tot staving van zijn aanvraag moeten door de administratieve overheid in elk bijzonder geval worden onderzocht. Dit onderzoek moet tot uiting komen in de motivering van de beslissing die uitspraak doet over de aanvraag. In casu is de administratieve overheid niet eens tot het onderzoek van de grand van de zaak gekomen. Verzoeker werd zonder meer in kennis gesteld van de beslissing zonder de mogelijkheid te hebben gehad zich te kunnen verdedigen tegen de argumenten die de Dienst Voogdij meende te kunnen opwerpen. Bij gebreke aan een grondig onderzoek heeft de Dienst Voogdij o.m. inbreuk gepleegd op de zorgvuldigheidsplicht ais beginsel van behoorlijk bestuur.
  16. De Dienst Voogdij verwijst naar een beweerde eerdere aanvraag tot internationale bescherming in Polen onder een beweerde andere naam. Verzoeker heeft zich hierop niet kunnen verdedigen. Ook het medisch onderzoek werd aan verzoeker niet voorgelegd, zodat hij in de onmogelijkheid was om een tegenexpertise te vragen. Verzoeker heeft nog belangrijke documenten aangevraagd die kunnen aantonen dat hij wel degelijk minderjarig is. Verzoeker heeft echter niet de kans gekregen deze voor te leggen aan de Dienst Voogdij. Het feit dat de Dienst Voogdij verzoeker niet nader de kans heeft gegeven zijn verweer te voeren en zonder meer tot het besluit komt dat verzoeker meer dan 18 jaar zou zijn en zonder meer heeft besloten tot zijn ongeloofwaardigheid druist absoluut in tegen de materiële motiveringsplicht VII-41.555-6/11 ais beginsel van behoorlijk bestuur. Alle ‘redenen’ die in de bestreden beslissing worden aangehaald getuigen enkel van foute veronderstellingen die op niks gebaseerd zijn. Uit al het voormelde dient derhalve te worden besloten dat de Dienst Voogdij zonder redelijke motivering een besluit heeft genomen en niet voldaan heeft aan de materiële motiveringsplicht.” Beoordeling
  17. De materiëlemotiveringsplicht houdt in dat iedere administratieve rechtshandeling moet steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte ter verantwoording van die handeling in aanmerking kunnen worden genomen. Bij de beoordeling van de naleving van de materiëlemotiveringsplicht is de Raad van State niet bevoegd om zijn oordeel omtrent de feiten in de plaats te stellen van het oordeel van de administratieve overheid. Hij is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de administratieve overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen. Voorts mag enkel met de formeel uitgedrukte motieven rekening worden gehouden. Verzoekers zeer algemene kritiek vormt slechts een herhaling van de in het eerste middel aangevoerde kritiek. Hij voert geen enkel concreet argument aan tegen de conclusie van het uitgevoerde leeftijdsonderzoek, dat een dragend motief is van de bestreden beslissing. Net omdat de bestreden beslissing is gesteund op het in artikel 7 van de voogdijwet voorziene leeftijdsonderzoek, kan verzoeker niet ernstig aanvoeren dat “[a]lle ‘redenen’ die in de bestreden beslissing worden aangehaald […] enkel [getuigen] van foute veronderstellingen die op niks gebaseerd zijn”. Verzoeker toont derhalve niet aan dat de bestreden beslissing is genomen op grond van onjuiste feitelijke gegevens, noch dat die gegevens niet correct zijn beoordeeld, noch dat de bestreden beslissing onredelijk is. VII-41.555-7/11
  18. Het tweede middel is ongegrond. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel
  19. Verzoeker werpt in een derde middel de schending op van de artikelen 57/6 “in fine” en 62 van de 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: vreemdelingenwet). Hij licht dit als volgt toe: “Op grond van artikel 62 van de Vreemdelingenwet dienen de administratieve beslissingen met redenen omkleed te zijn. Bovendien schrijft artikel 57/6, in fine van de Vreemdelingenwet voor dat de beslissingen tot weigering van de erkenning met redenen dienen te worden bekleed met vermelding van de omstandigheden van de zaak.
  20. Aangezien verwerende partij tevens niet grondig de redenen heeft uiteengezet in de bestreden beslissing waarom zij de mening toegedaan is dat verzoeker ouder zou zijn dan 18 jaar, is tevens niet voldaan aan artikel 57/6 in fine en 62 Vreemdelingenwet.
  21. De Dienst Voogdij verwijst naar een beweerde eerdere aanvraag tot internationale bescherming in Polen onder een beweerde andere naam. Verzoeker heeft zich hierop niet kunnen verdedigen. Ook het medisch onderzoek werd aan verzoeker niet voorgelegd, zodat hij in de onmogelijkheid was om een tegenexpertise te vragen. Verzoeker heeft nog belangrijke documenten aangevraagd die kunnen aantonen dat hij wel degelijk minderjarig is. Verzoeker heeft echter niet de kans gekregen deze voor te leggen aan de Dienst Voogdij. Het feit dat de Dienst Voogdij verzoeker niet nader de kans heeft gegeven zijn verweer te voeren en zonder meer tot het besluit komt dat verzoeker meer dan 18 jaar zou zijn en zonder meer heeft besloten tot zijn ongeloofwaardigheid druist absoluut in tegen artikel 57/6 in fine en 62 Vreemdelingenwet. Alle ‘redenen’ die in de bestreden beslissing worden aangehaald getuigen enkel van foute veronderstellingen die op niks gebaseerd zijn. Uit al het voormelde dient derhalve te worden besloten dat de Dienst Voogdij niet grondig de redenen heeft uiteengezet om tot het bestreden besluit te komen en derhalve niet voldaan is aan de vereisten van artikel 57/6 in fine en 62 Vreemdelingenwet.” VII-41.555-8/11 Beoordeling
  22. De bestreden beslissing is genomen met toepassing van de voogdijwet en niet van de vreemdelingenwet. Een mogelijke schending van artikel 62 van de vreemdelingenwet kan derhalve niet dienstig worden aangevoerd tegen de bestreden beslissing. Hetzelfde geldt voor artikel 57/6 van de vreemdelingenwet, dat enkel betrekking heeft op beslissingen van de commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen.
  23. Het derde middel is niet-ontvankelijk. D. Vierde middel Uiteenzetting van het middel
  24. Verzoeker werpt in een vierde middel de schending op van “de elementaire rechten van de mens”, met name de artikelen 1, 6 en 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend te Rome op 4 juni 1950 (hierna: EVRM). Hij licht dit als volgt toe: “Er kan niet worden miskend dat er ook inbreuk is gepleegd op artikel 8, 6 en 1 E.V.R.M. Artikel 8 E.V.R.M. bepaalt: ‘Een ieder heeft recht op respect voor zijn privé leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.’ Verzoeker heeft niet de kans gekregen om bijkomende elementen voor te leggen of een tegenexpertise te vragen om zijn minderjarigheid aan te tonen. Er was derhalve ten aanzien van verzoeker geen respect voor zijn privé leven, correspondentie e.d. Artikel 6 E.V.R.M. bepaalt dat een ieder recht heeft op een eerlijk proces en derhalve een onafhankelijke en onpartijdige beoordeling. Aangezien verzoeker niet de kans heeft gekregen om zijn verweer te voeren, bijkomende documenten voor te leggen en/of een tegenexpertise te vragen vooraleer tot het bestreden besluit werd gekomen, is ook aan dit artikel niet voldaan. Artikel 1 E.V.R.M. bepaalt: ‘De Hoge Verdragsluitende Partijen verzekeren eenieder, die ressorteert onder haar rechtsmacht, de rechten en vrijheden welke zijn vastgesteld in de VII-41.555-9/11 Eerste Titel van dit verdrag.’ De bestreden beslissing van het Commissariaat-Generaal is derhalve genomen met miskenning van de artikelen van het E.V.R.M.” Beoordeling
  25. Zoals supra reeds opgemerkt, geeft verzoeker niet aan welke bijkomende elementen hij had willen voorleggen of welk verweer hij had willen voeren, noch maakt hij aannemelijk dat hij dergelijke elementen of verweer niet zou kunnen laten gelden in het voorliggende beroep tot nietigverklaring om de onwettigheid van de bestreden beslissing aan te tonen.
  26. Het vierde middel is alleen al om die redenen minstens ongegrond. BESLISSING
  27. De Raad van State verwerpt het beroep.
  28. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 140 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. VII-41.555-10/11 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negen januari tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Carlo Adams VII-41.555-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.255.435 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.