← België

Arrest 255440 - Tucht (openbaar ambt) - 10/01/2023

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 januari 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.255.440 Rolnummer: A. 237169/XIV-39069 Zaak: Arrest 255440 - Tucht (openbaar ambt) - 10/01/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-01-13 Raadplegingen: 93 - laatst gezien 2026-06-10 08:10 Fiche Arrest nr 255.440 van 10 januari 2023 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 255.440 van 10 januari 2023 in de zaak A. 237.169/XIV-39.069 In zake : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter Crispyn kantoor houdend te 9030 Mariakerke Mazestraat 16 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de POLITIEZONE

(5411)VILVOORDE-MACHELEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ann Coolsaet kantoor houdend te 2018 Antwerpen Arthur Goemarelei 69 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
  1. De vordering, ingesteld op 2 september 2022, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van het politiecollege van de politiezone Vilvoorde-Machelen van 5 juli 2022, waarbij aan verzoeker de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege is opgelegd. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een verslag opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 14 december
  3. XIV-39.069-1/27 Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht. Advocaat Peter Crispyn, die verschijnt voor verzoeker, en advocaat Ann Coolsaet, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. Verzoeker is adviseur - bijzonder rekenplichtige bij de lokale politiezone 5411 Vilvoorde-Machelen. 3.
  6. Met het inleidend verslag van 3 april 2019 stelt de hogere tuchtoverheid voor om verzoeker de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege op te leggen en dit voor de volgende feiten die als tuchtvergrijp worden gekwalificeerd: “[…]. 3, Uiteenzetting van de feiten De ten laste gelegde feiten worden als volgt omschreven: 3.1 Het veelvuldig uiten van beschuldigingen en verwijten over de korpschef ten aanzien van derden (onder meer ten aanzien van het politiecollege, de medewerkster die de telefoonlijn bemande ten tijde van zijn oproepen, de provinciegouverneur als toezichthoudende overheid) terwijl hij weet of moet weten dat de beschuldigingen en verwijten onjuist zijn. 3.2 Het veelvuldig uiten van beschuldigingen en verwijten over mevrouw [C.G.], boekhoudster ten aanzien van derden (onder meer ten aanzien van het politiecollege, andere personeelsleden van de politiezone) 3.3 De weigering op 8 juni 2021 om aan [M.V.], aangesteld als tijdelijke bijzonder rekenplichtige , de toestemming te geven om documenten open te stellen op de persoonlijke X-schijf van [verzoeker]. [M.V.] heeft deze toestemming gevraagd omdat zij vaststelde dat bepaalde bestanden nodig voor het financieel en budgettair beheer van de politiezone niet werden teruggevonden op het netwerk, zodat ze met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid op de persoonlijke dataschijf van [verzoeker] worden bewaard. Het gaat onder meer om de details XIV-39.069-2/27 inzake de samenstelling van de artikelen in de begroting, de berekening van de federale toelagen, het overzicht van de regeling van de detacheringen, het overzicht van de regeling van de NAVAP ( = non-activiteit voorafgaand aan het pensioen), De gevraagde toestemming werd haar geweigerd op 8 juni
  7. Dit had tot gevolg dat [M.V.] veel extra werk en tijd heeft moeten steken in het opnieuw verzamelen van deze gegevens.” De feiten vermeld onder de punten 3.1 (verwijten en beschuldigingen geuit over de korpschef) en 3.2 (het veelvuldig uiten van beschuldigingen en verwijten over de boekhoudster) worden geïllustreerd aan de hand 24 feiten met betrekking tot het feit onder punt 3.1 en 3 feiten met betrekking tot de feiten onder punt 3.
  8. 3.
  9. Op 23 november 2021 beslist de hogere tuchtoverheid om aan verzoeker de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege op te leggen. 3.
  10. Op 6 december 201 dient verzoeker een verzoek tot heroverweging in bij de Tuchtraad. 3.
  11. Op 25 januari 2022 vindt de (eerste) hoorzitting voor de Tuchtraad plaats. Uit het proces-verbaal van die hoorzitting blijkt dat verzoeker afwezig was, maar vertegenwoordigd was door twee syndicale afgevaardigden en een raadsman. In het proces-verbaal van die hoorzitting is voorts te lezen: De hoorzitting kan als volgt worden samengevat: […].
  12. De Tuchtraad stelt voor om de oplijsting van de tenlastelegging aanhangig op dit ogenblik in de procedure als volgt te omschrijven: zie bijlage aan dit proces-verbaal. De partijen hebben de bijlage aan dit proces-verbaal ontvangen en worden uitgenodigd stelling te nemen over de vraag of de tenlastelegging niet beperkt dient te worden tot deze door de Tuchtraad voorgestelde oplijsting.
  13. De afgevaardigde van de hogere tuchtoverheid geeft verslag over de feiten, de kwalificatie ervan en het strafvoorstel.
  14. De voorzitter verwijst naar de lijst van de tenlasteleggingen zoals voorgesteld door de Tuchtraad en stelt dat dit impliciet inhoudt om in de door de hogere tuchtoverheid omschreven tenlasteleggingen telkens de woorden 'onder meer' te laten vallen.
  15. De verdediging van verzoeker krijgt het woord. XIV-39.069-3/27
  16. De zaak wordt uitgesteld naar de zitting van dinsdag 22 maart 2022 om 09.30 uur om de inspecteur-generaal toe te laten zijn advies te geven en de partijen de mogelijkheid te bieden te repliceren. [….]” De bijlage bij het proces-verbaal luidt: “3.
  17. Verwijten en beschuldigingen geuit door [verzoeker] over de korpschef ten aanzien van: [volgt een opsomming van 24 feiten] 3.
  18. Verwijten en beschuldigingen geuit door [verzoeker] over de boekhoudster [C.G.] ten aanzien van. [volgt een opsomming van 2 feiten] 3.
  19. De weigering op 8 juni 2021om aan [MVO], aangesteld als tijdelijke bijzonder rekenplichtige, de toestemming te geven om documenten open te stellen op de persoonlijke X-schijf van [verzoeker]. [MVO] heeft deze toestemming gevraagd omdat zij vaststelde dat bepaalde bestonden nodig voor het financieel en budgettair beheer van de politiezone niet werden teruggevonden op het netwerk, zodat ze met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid op de persoonlijke dataschijf van [verzoeker] worden bewaard. Het gaat onder meer om de details inzake de samenstelling van de artikelen in de begroting, de berekening van de federale toelagen, het overzicht van de regeling van de detacheringen, het overzicht van de regeling van de NAVAP ( = non-activiteit voorafgaand aan het pensioen). De gevraagde toestemming werd haar geweigerd op 8 juni
  20. Dit had tot gevolg dat [MVO] veel extra werk en tijd heeft moeten steken in het opnieuw verzamelen van deze gegevens. 3.
  21. Op 22 maart 2022 vindt de tweede hoorzitting voor de Tuchtraad plaats. Uit het proces-verbaal van die hoorzitting blijkt dat verzoeker aanwezig was en werd bijgestaan door een syndicale afgevaardigde en een raadsman. In het proces-verbaal van die hoorzitting is voorts te lezen: “[…].
  22. De afgevaardigde van de inspecteur-generaal legt het deskundigenverslag neer en licht dit toe.
  23. De voorzitter vraagt aan de afgevaardigde van de hogere tuchtoverheid de tenlasteleggingen 3.1.23 en 3.1.24 te verduidelijken aangezien niet duidelijk blijkt ten aanzien van wie verzoeker de verwijten zou geuit hebben.
  24. De afgevaardigde van de hogere tuchtoverheid repliceert.
  25. De verdediger van verzoeker repliceert.
  26. De afgevaardigde van de inspecteur-generaal repliceert.
  27. De afgevaardigde van de hogere tuchtoverheid repliceert op het deskundigenverslag. B. Verzoeker beantwoordt de vragen die hem worden gesteld door de voorzitter.
  28. De verdediger van verzoeker neemt het woord.
  29. De zaak wordt uitgesteld; met akkoord van de partijen, naar de zitting van XIV-39.069-4/27 woensdag 18 mei 2022 om 09.00 uur teneinde de hogere tuchtoverheid de mogelijkheid te bieden de tenlasteleggingen 3.1.23 en,3.1.24 te specifíceren en voor verdere pleidooien.
  30. De verdediging van verzoeker legt drie nota's en één stuk neer.” 3.
  31. Op 18 mei 2022 vindt de derde hoorzitting voor de Tuchtraad plaats. Uit het proces-verbaal van die hoorzitting blijkt dat verzoeker aanwezig was en werd bijgestaan door een raadsman. In het proces-verbaal van die hoorzitting is voorts te lezen: “[…]
  32. De afgevaardigde van de hogere tuchtoverheid legt een synthesenota met vier stukken neer.
  33. Door de hogere tuchtoverheid wordt de tenlastelegging 3.129 als volgt gespecificeerd namelijk dat het een schrijven van 29.04.2021 betreft jegens het Politiecollege en wat de tenlastelegging 3.1.24 betreft een schrijven van 25.01.2021 eveneens jegens het Politiecollege.
  34. De afgevaardigde van de hogere tuchtoverheid krijgt het woord.
  35. De raadsman van verzoeker krijgt het woord.
  36. De verzoeker krijgt het laatste woord.
  37. De voorzitter stelt dat in de oplijsting door de .Tuchtraad die werd meegedeeld aan de partijen op de eerste zitting, bij de tenlastelegging 3.2.1 de zin "in een emailbericht van 03.09.2020 gericht aan de korpschef" dient geschrapt te worden.
  38. De voorzitter sluit de debatten en de Tuchtraad neemt de zaak in beraad. […].” 3.
  39. Op 14 juni 2022 adviseert de Tuchtraad in zijn advies “dat de ten laste gelegde feiten, zoals heromschreven in punt 5.1, bewezen zijn en aan verzoeker dienen te worden toegerekend; dat de feiten een tuchtinbreuk uitmaken in de zin van art. 3 van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten; dat de door de hogere tuchtoverheid voorgestelde zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege een gepaste straf is.” Punt 5.
  40. van het advies luidt: “
  41. Betreffende de feiten 5.1 Samenvatting van de ten laste gelegde feiten Op basis van het dossier oordeelt de Tuchtraad dat aan verzoeker door de tuchtoverheid nog de volgende feiten worden ten laste gelegd:
  42. Het veelvuldig uiten van beschuldigingen en verwijten over de korpschef ten aanzien van derden (onder meer ten aanzien van het politiecollege, de medewerkster die de telefoonlijn bemande ten tijde van zijn oproepen, de provinciegouverneur als toezichthoudende overheid) terwijl hij weet of moet weten XIV-39.069-5/27 dat de beschuldigingen en verwijten onjuist zijn meer bepaald de verwijten en beschuldigingen geuit door [verzoeker] over de korpschef ten aanzien van: 1.
  43. Politie-inspecteur [S.L.] tijdens een telefonisch gesprek op 30/04/2021 en de Provinciegouverneur Vlaams Brabant in zijn klacht van 01/06/2021 betreffende het feit dat [verzoeker] geëxcommuniceerd zou zijn op 29/04/2021 door het feit dot hij van het netwerk PZ VIMA zou afgehaald zijn, wat bovendien een beproefde techniek zou zijn vanwege de Korpschef, 1.2 Politie-inspecteur [S.L.] tijdens een telefonisch gesprek op 30/04/2021, de Provinciegouverneur Vlaams Brabant in zijn klacht van 07/06/2021 en de Burgemeesters van de Stad Vilvoorde en de Gemeente Machelen in zijn schrijven van 25/04/2021 betreffende het feit dat [verzoeker] druk zou hebben ervoren en zou gedwongen zijn geweest om te moeten blijven werken als bijzonder rekenplichtige tijdens zijn ziekteverlof na zijn arbeidsongeval op 05/08/
  44. 1.
  45. Politie-inspecteur [S.L.] tijdens een telefonisch gesprek op 30/04/2021 en de Provinciegouverneur Vlaams Brabant in zijn klacht van 01/06/201 waarbij de financiële regelgeving met betrekking tot de overheidsopdracht inzake de aanbestedingsprocedure voor een extern privé-schoonmaakbedrijf voor de schoonmaak van de politiegebouwen PZ VIMA, niet zou zijn gevolgd geweest, met name : o Hij niet vooraf en tijdig in kennis zou zijn gesteld geweest als bijzonder rekenplichtige van deze aanbestedingsprocedure. 1.4 Politie-inspecteur [S.L.] tijdens een telefonisch gesprek op 30/04/2021 en de Provinciegouverneur Vlaams Brabant in zijn klacht van 01/06/2021 waarbij de financiële regelgeving met betrekking tot de overheidsopdracht inzake de aankoopprocedure voor nieuwe politiekledij voor de politieambtenaren PZ VIMA niet zou zijn gevolgd geweest, met name: o Hij niet vooraf en tijdig in kennis zou zijn gesteld geweest als bijzonder rekenplichtige van deze aanbestedingsprocedure; o Er onvoldoende budgettaire middelen hiervoor zouden zijn voorzien geweest in de begroting PZ VIMA 202L en evenmin in de meerjarenbegroting, aangezien deze overheidsopdracht een meerjarige budgettaire impact zou hebben; o Er geen begrotingscommissie zou zijn bijeengekomen om een begrotingswijzing hiervoor voor te bereiden; o De Politieraad hiervoor geen begrotingswijziging zou hebben goedgekeurd. 1.
  46. De Provinciegouverneur Vlaams Brabant in zijn klacht van 01/06/2021 en de Burgemeesters van de Stad Vilvoorde en de Gemeente Machelen in zijn schrijven van 25/04/2021 betreffende het feit dat er volgens [verzoeker] sprake zou zijn van schriftvervalsing toen een reeds goedgekeurd bestek door de Politieraad in zitting van 27/10/2017 aan zijn persoon zou zijn voorgelegd geweest op 06/12/2017 voor aanpassing aan de wetgeving. 1.6 Politie-inspecteur [S.L.] tijdens een telefonisch gesprek op 30/04/2021, de Provinciegouverneur Vlaams Brabant in zijn klacht van 01/06/2021 en de Burgemeesters van de Stad Vilvoorde en de Gemeente Machelen in zijn schrijven van 25/04/2021 betreffende het feit dat van zijn persoon zou geëist zijn geweest door de Korpschef vanaf diens aanstelling in 2016, dat [verzoeker] steeds via de Korpschef diende te passeren als hij wou rapporteren aan het Politiecollege, zo niet zou de Korpschef hem weten te vinden en zou zijn leven in de PZ VIMA en ook op privé-vlak onmogelijk worden gemaakt. [Verzoeker] sprak hier van machtsmisbruik en een personencultus vanwege de Korpschef. 1.7 De Burgemeesters van de Stad Vilvoorde en de Gemeente Machelen in zijn schrijven van 25/04/2021 betreffende het feit dat [verzoeker] getuige zou zijn geweest van een uitlating door de Korpschef op 26/02/2019 waarbij deze laatste toen meegedeeld zou hebben aan 1ste Commissaris [F.A.] dat ‘de laatste uren van Commissaris [V.L.] in de politiezone waren ingegaan’ en dat hij het aanvoelen had XIV-39.069-6/27 dat hem hetzelfde overkwam door de reactie van de Korpschef ‘Ik zal mij verantwoorden maar zal ook mijn conclusies trekken’ toen de nota van [verzoeker] inzake nalatigheidsinteresten werd geagendeerd op het Politiecollege van 14/04/
  47. 1.8 Politie-inspecteur [S.L.] tijdens een telefonisch gesprek op 30/04/2021 betreffende het feit dat de korpschef al jaren niet loyaal zou zijn geweest naar [verzoeker] en dat de Korpschef recent een aantal giftige zaken op mail zou hebben gezet, gericht aan de persoon van [verzoeker]. 1.9 Politie-inspecteur [S.L.] tijdens een telefonisch gesprek op 30/04/2021 betreffende het feit dat 1ste Commissaris [F.A.] heel goed zou weten dat de Korpschef niet enkel [verzoeker], de laatste jaren heel smerig zou hebben behandeld maar tevens ook dat [verzoeker] zeker het recht zou hebben om klacht in te dienen tegen de Korpschef. 1.10 Politie-inspecteur [S.L.] tijdens een telefonisch gesprek op 30/04/2021 betreffende het feit dat de Korpschef zelf zou zondigen aan 180 km/uur tegen de deontologische waarden (integriteit, eerlijkheid,...) waarvoor hij officieel zou staan. 1.11 De Burgemeesters van de Stad Vilvoorde en de Gemeente Machelen in zijn schrijven van 25/04/2021 betreffende het feit dat [verzoeker] aanhaalde dat de motivering van de beslissing om hem tijdelijk te vervangen als bijzondere rekenplichtige dewelke hem werd meegedeeld door de Korpschef op 19/04/2021, met name: ‘Noodzakelijk voor een effectieve continuïteit voor het budgettair en financieel beheer van de PZ’ impliceerde dat hij zijn taken als bijzonder rekenplichtige niet of onvoldoende zou verzekerd hebben tijdens zijn ziekteverlof. 1.12 De Burgemeesters van de Stad Vilvoorde en de Gemeente Machelen in zijn schrijven van 25/04/2021 betreffende het feit dat de Korpschef geweigerd zou hebben op 16/01/2018 om zijn aanvraag voor ouderschapsverlof aanvankelijk voor te leggen aan het Politiecollege omwille van het feit dat er een eerder Politiecollegebesluit bestond dat o.a. vermeldde dat de bijzonder rekenplichtige hierop geen beroep kon doen. Pas nadat [verzoeker] de Korpschef confronteerde met een EU-richtlijn hieromtrent heeft de Korpschef het nodige gedaan dat [verzoeker] van dit recht kon genieten. 1.13 De Burgemeesters van de Stad Vilvoorde en de Gemeente Machelen in zijn schrijven van 25/04/2021 betreffende het feit dat de Korpschef [B.D.] het voordeel van de twijfel zou hebben gegeven op 22/03/2018 toen [verzoeker] zich samen met [M.A.C.] bij de Korpschef had aangeboden om aan te kaarten dat [B.D.], [verzoeker] en [M.A.C.] tegen elkaar wou opzetten, waarna [verzoeker] tweemaal hard de deur van zijn bureau heeft dichtgeslagen. 1.14 De Burgemeesters van de Stad Vilvoorde en de Gemeente Machelen in zijn schrijven van 25/04/2021 betreffende het feit dat de Korpschef [verzoeker] naar aanleiding van een functioneringsgesprek op 26/03/2018 zwaar aanvalt op zijn houding en [verzoeker] ook zou verboden hebben om nog buiten werkaangelegenheden, contact te hebben met [P.G.] (CP/DIT), [M.A.C.] (Dienst logistiek) en de voltallige verkeersdienst. 1.15 De Provinciegouvemeur Vlaams Brabant in zijn klacht van 01/06/2021 betreffende het feit dot de Korpschef [verzoeker] door middel van een functioneringsgesprek op 26/03/2018 helemaal buiten spel wou zetten en [verzoeker] van veel informaties wou onttrekken (= ‘kaltstellen’), waarbij [verzoeker] ook betwist dat de Korpschef zijn functionele meerdere zou zijn. 1.16 De Burgemeesters van de Stad Vilvoorde en de Gemeente Machelen in zijn schrijven van 25/04/2021 betreffende het feit dat een voertuig van een collega op datum van 10/01/2018 werd beschadigd door Weco-knallers. Volgens [verzoeker] zou het uitzoeken van een eventuele schadedekking in handen van de Korpschef, [B.D.] en [C.D.] zijn misgelopen. [Verzoeker] zou verantwoordelijk zijn geweest hiervoor maar werd niet gehoord. XIV-39.069-7/27 1.17 De Burgemeesters van de Stad Vilvoorde en de Gemeente Machelen in zijn schrijven van 25/04/2021 betreffende het feit dat [verzoeker] zou doodgezwegen zijn geweest op de periodiek verspreide interne beschermingsmaatregelen door de Korpschef naar aanleiding van Covid 19 en hij evenmin de mogelijkheid heeft gekregen om zich in te schrijven om een Covid-vaccin te krijgen. 1.18 De Burgemeesters van de Stad Vilvoorde en de Gemeente Machelen in zijn schrijven van 25/04/2021 betreffende het feit dat [verzoeker] verschillende personeelsleden zou kennen die zouden willen praten maar dat niet zouden durven onder de blijvende terreur en gekende represailles van de Korpschef. 1.19 De Burgemeesters van de Stad Vilvoorde en de Gemeente Machelen in zijn schrijven van 25/04/2021 betreffende het feit dat het intrekken van zijn mandaattoelage als bijzonder rekenplichtige, bij [verzoeker] overkomt als een mogelijk wraakmaatregel vanwege de Korpschef, wegens het inlichten door [verzoeker] van het Politiecollege op 14/04/2021 van een nota aangaande nalatigheidsinteresten, wat zou geleid tot de aanstelling van [MVO] als tijdelijke bijzonder rekenplichtige ter vervanging van [verzoeker] door de Politieraad op 28/04/2021 1.20 De burgemeester van de Stad Vilvoorde (cc: [M.C.] en [D.O.]) in zijn email van 29/04/2021 om 11:24 uur waarin [verzoeker] melding maakt van het feit dat de Korpschef doelbewust beslissingen voorstelt met meerjarige impact achter zijn rug om tijdens zijn ziekteverlof. 1.21 Het politiecollege op 29/04/2021 : Onder druk van de Burgemeester (volgens [verzoeker) werd een nieuwe interne werkwijze geïmplementeerd op 14/09/2020 voor een efficiëntere werking o.a. van de registratie, verwerking (inboeken,...) en afhandeling van de facturen om tegemoet te komen aan zijn verzuchtingen als bijzonder rekenplichtige op dit vlak en waarbij de Korpschef bij de communicatie hiervan aan het Korps vermeld zou hebben: ‘Je ziet wat er gebeurt als je achter mijn rug naar de burgemeester gaat, die komt toch naar mij en ik zal [verzoeker] wel terug hebben.’ 1.22 Het politiecollege op 25/04/2021: [B.D.] zou naar aanleiding van een schadegeval aan de toegangspoort van de loods op 07/02/2021 bewust een formulering van [verzoeker] hebben verdraaid in een email waarbij hij van ‘geen uitgave’ ‘een uitgave’ heeft gemaakt en deze ter kennis heeft gebracht, zowel aan de verzekeringsmaatschappij als aan [verzoeker] met in cc de Korpsleiding en de Burgemeesters van de Stad Vilvoorde en de Gemeente Machelen. Hier is geen enkele reactie op gekomen, ook niet van de Korpschef.
  48. Het veelvuldig uiten van beschuldigingen en verwijten over mevrouw [C.G.], boekhoudster ten aanzien van derden (onder meer ten aanzien van het politiecollege, andere personeelsleden van de politiezone) meer bepaald de verwijten en beschuldigingen geuit door [verzoeker] over de boekhoudster [C.G.] ten aanzien van: 2.1 In een emailbericht van 16/01/2020 om 10:27 uur en om 12:25 uur gericht aan [C.G.] (telkens met in cc: De Korpschef), stelde [verzoeker] dat [C.G.]: ‘de leveranciers zou gijzelen’, ‘zeer bewust speelt met de voeten van velen en de Korpschef ook van alles op de mouw zou spellen’ en ‘er weer geslaagd is om stokken in de wielen te steken’. [Verzoeker] heeft op 16/03/2021 tevens de aangerekende arbeidstijdsprestaties van [C.G.] geverifieerd in Galop en stelde zich vragen omtrent haar tijdsbesteding. 2.2 Politie-inspecteur [S.L.] tijdens een telefonisch gesprek op 30/04/2021 betreffende het feit dat [C.G.] van de Korpschef alles zou mogen en dat de Korpschef er niet tegen zou kunnen als de vinger op de pols zou worden gelegd en deze in kennis zou worden gesteld dat er iets niet zou kloppen in het financieel beheer.
  49. De weigering op 8 juni 2021 om aan [M.V.O.], aangesteld als tijdelijke bijzonder XIV-39.069-8/27 rekenplichtige, de toestemming te geven om documenten open te stellen op de persoonlijke X-schijf van [verzoeker]. [M.V.O.] heeft deze toestemming gevraagd omdat zij vaststelde dat bepaalde bestanden nodig voor het financieel en budgettair beheer van de politiezone niet werden teruggevonden op het netwerk, zodat ze met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid op de persoonlijke dataschijf van [verzoeker] worden bewaard. Het gaat onder meer om de details inzake de samenstelling van de artikelen in de begroting, de berekening van de federale toelagen, het overzicht van de regeling van de detacheringen, het overzicht van de regeling van de NAVAP ( = non-activiteit voorafgaand aan het pensioen). De gevraagde toestemming werd haar geweigerd op 8 juni
  50. Dit had tot gevolg dat [M.V.O.] veel extra werk en tijd heeft moeten steken in het opnieuw verzamelen van deze gegevens.” Punt 5.2 van het advies luidt: “5.
  51. Bewijs van de feiten en de toerekening ervan […]. Beoordeling door de Tuchtraad De verzoeker betwist in se niet dat hij al de voormelde verwijten heeft geuit (maar werpt nogmaals op dat deze waar zijn) noch dat hij geweigerd heeft op 8 juni 2021 de toestemming te geven de documenten op zijn persoonlijke X-schijf over te dragen aan zijn opvolgster [M.V.O.]. Daarnaast zijn er objectieve elementen, zoals de desbetreffende documenten zelf waarin de verwijten werden geformuleerd als de getuigenverklaringen van de ontvangers/getuigen van de door verzoeker geuite verwijten, ten bewijze van de ten laste gelegde feiten. De Tuchtraad is, eveneens als de inspecteur-generaal, de mening toegedaan dat het element van de tenlastelegging sub 3.
  52. meer bepaald ‘terwijl hij weet of moet weten dat de beschuldigingen en verwijten onjuist zijn’ eigenlijk overbodig is teneinde te kunnen spreken van tuchtfeiten inzake. Met andere woorden, of de vermeende verwijten en beschuldigingen in hoofde van de opgesomde derden nu waar zijn of niet, feit is dat de houding van de verzoeker onaanvaardbaar is. Het tuchtrecht maakt geen onderscheid tussen opzettelijke of onopzettelijke fouten en zelfs de lichtste fouten kunnen in aanmerking worden genomen voor het opleggen van een tuchtsanctie. Evenmin wordt vereist dat met de gedraging of de handeling schade wordt berokkend of dat men deze wou toebrengen. Aldus is de Tuchtraad van oordeel dat de zinsnede 'terwijl hij weet of moet weten dat de beschuldigingen en verwijten onjuist zijn" in de tenlastelegging sub 3.
  53. dient weggelaten te worden. Het komt de Tuchtraad niet toe de juistheid van deze verwijten te onderzoeken. De materialiteit van de nog ten laste gelegde feiten is bewezen. […].” 3.
  54. De hogere tuchtoverheid legt op 5 juli 2022 aan verzoeker de zware tuchtstraf van ontslag van ambtswege op. Dit is de bestreden beslissing. XIV-39.069-9/27 Inzake de uiteenzetting van de feiten steunt deze beslissing op de volgende motivering: “
  55. Uiteenzetting van de feiten […]. In navolging van het advies van de Tuchtraad (p. 15 e.v,) worden de ten laste gelegde feiten thans als volgt omschreven: 3.
  56. het veelvuldig uiten van beschuldigingen en verwijten over de korpschef ten aanzien van derden (onder meer ten aanzien van het politiecollege, de medewerkster die de telefoonlijn bemande ten tijde van zijn oproepen, de provinciegouverneur als toezichthoudende overheid), meer bepaald de verwijten en beschuldigingen geuit door [verzoeker] over de korpschef ten aanzien van: [Volgt dezelfde opsomming van de 22 feiten als in het advies van de Tuchtraad] 3.
  57. Het veelvuldig uiten van beschuldigingen en verwijten over mevrouw [C.G.], boekhoudster ten aanzien van derden (onder meer ten aanzien van het politiecollege, andere personeelsleden van de politiezone) meer bepaald de verwijten en beschuldigingen geuit door [verzoeker] over de boekhoudster [C.G.] ten aanzien van: [volgt dezelfde opsomming van de 2 feiten als in het advies van de Tuchtraad] 3.3.De weigering op 8 juni 2021 om aan [M.V.O.], aangesteld als tijdelijke bijzonder rekenplichtige, de toestemming te geven om documenten open te stellen op de persoonlijke X-schijf van [verzoeker]. [M.V.O.] heeft deze toestemming gevraagd omdat zij vaststelde dat bepaalde bestanden nodig voor het financieel en budgettair beheer van de politiezone niet werden teruggevonden op het netwerk, zodat ze met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid op de persoonlijke dataschijf van [verzoeker] worden bewaard. Het gaat onder meer om de details inzake de samenstelling van de artikelen in de begroting, de berekening van de federale toelagen, het overzicht van de regeling van de detacheringen, het overzicht van de regeling van de NAVAP ( = non-activiteit voorafgaand aan het pensioen). De gevraagde toestemming werd haar geweigerd op 8 juni
  58. Dit had tot gevolg dat [M.V.O.] veel extra werk en tijd heeft moeten steken in het opnieuw verzamelen van deze gegevens. In zijn advies overwoog de Tuchtraad het volgende: ‘De Tuchtraad is, eveneens als de inspecteur-generaal, de mening toegedaan dat het element van de tenlastelegging sub 3.
  59. meer bepaald 'terwijl hij weet of moet weten dat de beschuldigingen en verwijten onjuist zijn" eigenlijk overbodig is teneinde te kunnen spreken van tuchtfeiten inzake. Met andere woorden, of de vermeende verwijten en beschuldigingen in hoofde van de opgesomde derden nu waar zijn of niet, feit is dat de houding van de verzoeker onaanvaardbaar is. Het tuchtrecht maakt geen onderscheid tussen opzettelijke of onopzettelijke fouten en zelfs de lichtste fouten kunnen in aanmerking worden genomen voor het opleggen van een tuchtsanctie. Evenmin wordt vereist dat met de gedraging of de handeling schade wordt berokkend of dat men deze wou toebrengen. Aldus is de Tuchtraad van oordeel dat de zinsnede 'terwijl hij weet of moet weten dat de beschuldigingen en verwijten onjuist zijn" in de tenlastelegging sub 3.
  60. dient weggelaten te worden.’ De hogere tuchtoverheid sluit zich in de hierboven weergegeven omschrijving van de tuchtfeiten aan bij dit advies.” XIV-39.069-10/27 Inzake de kwalificatie van de tuchtvergrijpen, stelt de bestreden beslissing het volgende: “
  61. Kwalificatie van de tuchtvergrijpen. Na analyse van het tuchtdossier is het politiecollege van oordeel dat de feiten bedoeld in punt 3 een tuchtvergrijp uitmaken in de zin van artikel 3 van de tuchtwet. De ten laste gelegde feiten maken tekortkomingen uit aan de professionele en deontologische verplichtingen, in het bijzonder: Punt 14 van de deontologische code: ‘De professionele relaties tussen de personeelsleden zijn gebaseerd op onder meer wederzijds respect, solidariteit, ploeggeest, zelfdiscipline, loyauteit en billijkheid, en dit onafhankelijk van het ambt, de taak, de graad, het actuele statuut of het statuut van oorsprong, van het zogenaamde ras, de huidskleur, de afstamming, de nationale herkomst, het geslacht of de seksuele geaardheid, de burgerlijke stand, de geboorte, het patrimonium, de leeftijd, de taal, de religieuze of filosofische overtuigingen, de gezondheid, de handicap of de fysieke kenmerken. De personeelsleden onthouden zich van elke uiting van elitarisme of van het in diskrediet brengen van een dienst, een kader, een graad, een ambt of een persoon. De personeelsleden onthouden zich van iedere daad van geweld, pesterijen of van ongewenst seksueel gedrag op het werk (Art. 33bis van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk.). De personeelsleden hebben het recht met waardigheid behandeld te worden (Art. III.VII.2 RPPol.). Zij onthouden zich van elk verbaal of non-verbaal gedrag, dat die waardigheid in het gedrang kan brengen." Tuchtfeiten 1 en 2 kunnen alzo worden gekwalificeerd. Het veelvuldig uiten van verwijten en beschuldigingen over andere personeelsleden - de korpschef en de boekhoudster - en de bewoordingen die daarbij vaak zijn gebruikt, zijn wel degelijk in strijd met de waarden die deze bepaling van de deontologische code vereist. Het vertoonde gedrag is niet te herleiden tot de normale rapporteringsplicht van de bijzonder rekenplichtige. Punt 12 van de deontologische code: ‘Bij het vervullen van hun opdrachten verlenen de personeelsleden elkaar te allen tijde wederzijdse bijstand en zorgen zij voor een doeltreffende samenwerking’ (Art. 43, eerste lid WPA (zou nu enkel voor operationele leden zijn..). Tuchtfeit 3 kan alzo worden gekwalificeerd. De weigering toestemming te verlenen om documenten nodig voor de uitoefening van de functie te kunnen raadplegen, voldoet niet aan deze bepaling. Punt 24 van de deontologische code: ‘De personeelsleden eerbiedigen de waardigheid van elke persoon, ongeacht de redenen of omstandigheden die hen in contact brengen met die persoon.’ Tuchtfeiten 1 en 2 kunnen alzo worden gekwalificeerd. Het veelvuldig uiten van verwijten en beschuldigingen over andere personeelsleden - de korpschef en de boekhoudster - en de bewoordingen die daarbij vaak zijn gebruikt, eerbiedigen niet de waardigheid van deze personen. Het vertoonde gedrag is niet te herleiden tot de normale rapporteringsplicht van de bijzonder rekenplichtige. Punt 41 van de deontologische code: ‘De personeelsleden zijn weloverwogen in hun handelingen en woorden en weren grof taalgebruik, vrijpostigheden en misplaatste gebaren. De personeelsleden behandelen eenieder op beleefde, tactvolle en hoffelijke wijze. Ze bewaren hun zelfbeheersing en vermijden elke vorm van vijandig, agressief, provocerend, minachtend of vernederend gedrag. De personeelsleden onthouden zich van pesterijen en geven blijk van doorzicht, zin XIV-39.069-11/27 voor maat maar ook van vastberadenheid. De personeelsleden gedragen zich voorbeeldig, in het bijzonder door zelf de wetten en reglementen na te leven.’ Tuchtfeiten 1 en 2 kunnen alzo worden gekwalificeerd. Het veelvuldig uiten van verwijten en beschuldigingen over andere personeelsleden - de korpschef en de boekhoudster - en de bewoordingen die daarbij vaak zijn gebruikt, zijn wel degelijk in strijd met de waarden die deze bepaling van de deontologische code vereist. Het vertoonde gedrag is niet te herleiden tot de normale rapporteringsplicht van de bijzonder rekenplichtige. Alle ten laste gelegde feiten zijn daarenboven in strijd met de waardigheid van het ambt. Het vertoonde gedrag is een personeelslid met een dergelijk hoge graad als [verzoeker] onwaardig. In tegenstelling tot wat de raadsman van [verzoeker] aanvoerde is niet vereist dat hij zich ‘abnormaal’ heeft gedragen. Opdat een tuchtfeit kan worden vastgesteld volstaat een tekortkoming aan de beroepsplichten of een schending van de waardigheid van het ambt. Verder verwijst de hogere tuchtoverheid naar het advies van de Tuchtraad die eveneens oordeelt dat de feiten als tuchtvergrijp moeten worden gekwalificeerd (p. 54-57). De hogere tuchtoverheid sluit zich hierbij aan.” Tot slot stelt de bestreden beslissing het volgende: “
  62. Tuchtstraf Gelet op de bepalingen van de tuchtwet, meer bepaald de artikelen 2, 3, 4, 5, 38 en 38bis; Gelet dat het politiecollege meent dat de feiten uit punt 3 kunnen worden vastgesteld en toegerekend en als tuchtvergrijp worden gekwalificeerd; Overwegende dat zo een gedrag in geen enkel geval kan getolereerd worden in hoofde van een personeelslid van de politiediensten, waarvan rechtmatig kan verwacht worden dat het de wettelijke voorschriften en de deontologie respecteert; Overwegende dat uw gedrag de waardigheid van het politieambt in het gedrang brengt en totaal in tegenspraak is met hetgeen van een personeelslid van de politiediensten verwacht mag worden; Overwegende dat zulke handelingen onaanvaardbaar zijn vanwege een personeelslid van de politiediensten; dat ze het principe van integriteit in het gedrang brengen; Gelet op de afwezigheid van tuchtvoorgaanden, wat een verzachtende omstandigheid is; Overwegende dat elk van de drie tuchtfeiten bijzonder ernstig zijn en de goede werking van de politiezone belemmeren; dat dit manifest duidelijk is met het derde tuchtfeit, wat het werk van de vervangende bijzonder rekenplichtige bemoeilijkte; dat dit ook geldt voor de eerste twee tuchtfeiten, daar de voortdurende verdachtmakingen ten aanzien van de korpschef en de boekhoudster de goede werking van de politiezone belemmeren; het zijn immers feiten die zwaar wegen op deze personen; Overwegende dat het hier niet over een eenmalig feit gaat, het derde ten laste gelegde feit uitgezonderd, maar dat de eerste twee ten laste gelegde feiten getuigen van een herhaaldelijk beschuldigen van de korpschef en de boekhoudster van allerlei zaken; Overwegende dat het niet gaat om feiten die uit nalatigheid of per vergissing zijn gepleegd; alle feiten betreffen een doelbewust handelen gepleegd vanuit de overtuiging van het eigen grote gelijk en getuigen van een zeer negatieve XIV-39.069-12/27 ingesteldheid ten aanzien van de politiezone in het algemeen en de korpschef in het bijzonder; Overwegende dat uit het adviesverslag van Premed blijkt dat de impact van de ten laste gelegde feiten op de organisatie bijzonder groot is: ‘Alle/verschillende nuttige personen bevestigen de telkens terugkerende klachtenstroom van [verzoeker] ten aanzien van de boekhoudster en de directeur personeel. Zowel voor zijn afwezigheid, als bij huisbezoeken als tijdens de online meetings die achteraf volgden, benoemen nuttige personen een gelijkaardig stramien: een gesprek met [verzoeker] start vaak over iets werkgerelateerd of als een gewoon informeel sociaal contact, moor loopt telkens uit op een beklag van [verzoeker] over andere personen: de boekhoudster, de directeur personeel, de directeur logistiek (die verweten zou worden dat hij niets doet aan het disfunctioneren van de boekhoudster, volgens [verzoeker]), de korpschef. Al deze nuttige personen geven aan dit als negatief en energieslopend te ervaren. De nuttige personen die ik hoorde in het kader van dit onderzoek, gaven aan hun eigen samenwerking en contacten met [verzoeker] eerder als moeilijk of energie slopend te ervaren. (…) (onder de titel identificatie van de gevaren voor de betrokkenen en het geheel van werknemers:) Tot slot verwijs ik naar het gegeven dat de communicatiestijl en houding van [verzoeker] zelf wordt ervaren als ongepast tot grensoverschrijdend en naar het gevaar dat hij, in de felle verdediging van zijn gepercipieerde gelijk, zelf ook gedrag gaat stellen dat valt onder (verbaal/psychisch) geweld of pesterijen op het werk. De beschuldigingen die [verzoeker] in zijn verzoek uit t. a.v. [de korpschef] zijn niet gering: bedreiging van zowel carrière als privé-leven, nemen van represailles, afrekening, psychische dwang om iemand van uit ziekteverlof te laten doorwerken, tegenwerken van ouderschapsverlof, verbod om met collega’s te praten,… Dat daarenboven uit het onderzoek blijkt dat verschillende andere personen inschatten dat [de korpschef] net een van de personen is die nog het langst geduld en begrip is blijven opbrengen voor de houding van [verzoeker], maakt dit wellicht nog zwaarder te verteren. lk kon vaststellen dat [de korpschef], ondanks dat geen van deze beschuldigingen bevestigd werden in het onderzoek, aangedaan is van deze beschuldigingen en dat dit ook voor hem een impact heeft op zijn welzijn. (…). Zoals hierboven reeds vermeld heeft de indiening van dit verzoek door [verzoeker] het vertrouwen van verschillende collega's in hem een serieuze deuk gegeven. Het gedrag dat de korpschef volgens [verzoeker] zou stellen, blijkt voor niemand herkenbaar, zelfs integendeel. Dit heeft geleid tot een zeker wantrouwen van (sommige) collega's tegenover [verzoeker], wat een toekomstige samenwerking niet zal vergemakkelijken. Daarnaast blijkt dat een aantal personen ook voor de indiening van het verzoek reeds afstand had genomen van [verzoeker] omwille van zijn negatieve ingesteldheid, herhaalde kritiek op anderen en overtuiging van het eigen gelijk. Ook deze elementen zijn uiteraard niet bevorderlijk voor een vlotte samenwerking.’ De preventieadviseur psychosociale aspecten omschrijft zijn eigen contacten met [verzoeker] als volgt: ‘Persoonlijk onderhoud tussen [verzoeker] en de preventieadviseur psychosociale aspecten. In afwachting van dat onderhoud bezorgt [verzoeker] op19/04/2021 via-e mail een uitgebreide 'historiek' van zijn situatie. Tijdens het gesprek vertelt [verzoeker] gedetailleerd over zijn negatieve ervaringen met enkele collega’s en met de korpschef. [Verzoeker] maakt tijdens dit gesprek een agressieve indruk. Wanneer de preventieadviseur psychosociale aspecten hem de procedure uitlegt, geraakt [verzoeker] gefrustreerd. Hij verwacht dot de XIV-39.069-13/27 preventieadviseur psychosociale aspecten in zijn adviesverslag een ‘dader’ en een ‘slachtoffer’ aanwijst. [Verzoeker] is van mening dat ‘de kop van de korpschef moet rollen’ (…) Ook in de contacten met de preventieadviseur psychosociale aspecten bleek een sterke vastberadenheid van [verzoeker] om ‘zijn gelijk’ te halen. We merkten op dat de drive van [verzoeker] hierin zodanig groot is dat hij het moeilijk heeft om zichzelf te begrenzen in de informatie die hij kwijt wil. Dit resulteert in het zeer uitvoerig en bij herhaling beschrijven van elk feit, het terugkomen op gebeurtenissen die jaren terug plaatsvonden, het aanleveren van heel wat extra e-mails en bijlagen. Het betoog (aanval en verdediging) van [verzoeker] hierbij kan worden omschreven als ‘vurig tot agressief’. De eisende houding die door nuttige personen werd omschreven van [verzoeker], kan in die zin ook bevestigd worden in de contacten met de preventieadviseur psychosociale aspecten. Tot slot valt op te merken dat het voor [verzoeker] erg moeilijk lijkt om een situatie vanuit een ander perspectief te bekijken. Op basis van al die elementen besluit de preventieadviseur psychosociale aspecten dat de eerste vraag die moet warden beantwoord (door de politiezone) is of de terugkeer naar het werk van [verzoeker] nog haalbaar is (p. 20 onderaan adviesverslag). Voor het politiecollege moet deze vraag negatief worden beantwoord. Naast de ernst van de feiten en de vaststelling dat dit geen eenmalige feiten betreft, maar eerder feiten die getuigen van een constante houding en een voortdurend gedrag, meent het politiecollege ook rekening te moeten houden met de zware impact die deze feiten hebben op de organisatie en op het welzijn van andere personeelsleden van de politiezone, zoals blijkt uit het adviesverslag van Premed. Ingevolge deze feiten en hun impact stelt het politiecollege een volledige vertrouwensbreuk met [verzoeker] vast. Gelet op het advies van de Tuchtraad die oordeelt dat het ontslag van ambtswege een gepaste straf is, na te hebben geoordeeld dat de bescherming voorzien in artikel 15 van de wet van 15 september 2013 betreffende de melding van een veronderstelde integriteitsschending geen beletsel is om de tuchtprocedure verder te zetten, en waarbij de hogere tuchtoverheid zich aansluit; Om deze redenen, beslist het politiecollege, in haar hoedanigheid van hogere tuchtoverheid, om [verzoeker] voor de tuchtvergrijpen bedoeld in punt 3 de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege op te leggen.” IV. Schorsingsvoorwaarden
  63. Krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden. XIV-39.069-14/27 V. Ernst van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
  64. In het eerste middel voert verzoeker de schending aan van het recht van verdediging, van het zorgvuldigheidsbeginsel en van de materiëlemotiveringsplicht. In wat op het eerste gezicht als een eerste onderdeel kan worden gelezen, acht verzoeker het recht van verdediging geschonden doordat pas bij de bestreden beslissing en zonder dat er nog een gelegenheid tot verweer was, de hogere tuchtoverheid door de herkwalificatie het geweer van schouder veranderde door het geven van de beschuldigingen en verwijten op zich als een tuchtfeit te aanzien, waarbij de waardigheid van het ambt thans in het gedrang zou zijn gebracht door de uiting van verwijten en beschuldigingen op zich. Aldus acht verzoeker dat hij niet in de gelegenheid is gesteld om op een deugdelijke en goede manier zijn verdediging op te bouwen met kennis van de centrale elementen die de tuchtoverheid aanneemt om te besluiten dat een tuchtfeit voorhanden is en tot staving van de tuchtstraf. Verzoeker meent dat aldus zijn recht van verdediging geschonden is omdat hij zich niet tegen deze herkwalificatie heeft kunnen verdedigen. De tuchtoverheid had na ontvangst van het advies van de Tuchtraad, waarbij zij zich aangesloten heeft, een bijkomende termijn moeten geven om verzoeker in de mogelijkheid te stellen verweer in te dienen. Verzoeker is ook van oordeel dat de Tuchtraad de feiten niet anders gekwalificeerd heeft, maar andere feiten in aanmerking heeft genomen. In zoverre de feiten wel als geherkwalificeerd kunnen worden beschouwd meent verzoeker dat aan het Grondwettelijk Hof een prejudiciële vraag moet worden gesteld met betrekking tot artikel 54 van de wet van 13 mei 1999 ‘houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten’ (hierna: de tuchtwet) omdat daarin geen aanvullende verweertermijn wordt voorzien in het geval de Tuchtraad de feiten herkwalificeert of een andere benadering of invulling van het tuchtfeit adviseert en de XIV-39.069-15/27 tuchtoverheid dit volgt. Aldus schendt artikel 54 van de tuchtwet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zover het de personeelsleden, voor wie de Tuchtraad bij zijn advies een heromschrijving dan wel herkwalificatie van de tuchtfeiten voorstelt en waarbij de tuchtoverheid zich vervolgens aansluit, anders behandelt dan de personeelsleden die na advies van de Tuchtraad worden geconfronteerd met de situatie waarin de hogere tuchtoverheid beoogt af te wijken van het advies of waarin de hogere tuchtoverheid instemt met de door de Tuchtraad voorgestelde strafverzwaring. In wat op het eerste gezicht als een tweede onderdeel kan worden gelezen, acht verzoeker het zorgvuldigheidsbeginsel geschonden doordat de tuchtoverheid niet heeft nagegaan of elk der onderscheiden en in navolging van het advies van de Tuchtraad heromschreven feitelijkheden opgesomd onder de nummers 3.
  65. en 3.
  66. van punt 3 van de bestreden beslissing, de waardigheid van het ambt en de beroepsplichten schenden door een inbreuk te zijn op de punten 14, 12, 24 en 41 van de deontologische code. In wat op het eerste gezicht als een derde onderdeel kan worden gelezen, acht verzoeker de materiëlemotiveringsplicht geschonden doordat niet blijkt dat de feiten vermeld onder punt 3.1.3, 3.1.4, 3.1.11, 3.1.12 en 3.1.13 van de bestreden beslissing op deugdelijke gronden als beschuldiging of verwijt worden gekwalificeerd. Hij is van oordeel dat alle punten samen zijn beoordeeld om te besluiten tot een enkele tuchtstraf zodat niet kan worden uitgesloten dat zonder deze punten er op zijn minst sprake was van een minder zwaarwegende tenlastelegging met gebeurlijke repercussies naar de strafmaat toe. Beoordeling Eerste onderdeel
  67. Verzoeker betoogt vooreerst dat zijn recht van verdediging is miskend doordat hij geen mogelijkheid tot verweer meer had nadat de Tuchtraad in zijn eindadvies de feiten heeft geherkwalificeerd. XIV-39.069-16/27 Op een verzoeker, die zich beroept op de schending van het recht van verdediging, rust een stelplicht. Het komt hem toe aan te tonen dat in concreto de door hem gelaakte handeling van de hogere tuchtoverheid zijn recht van verdediging heeft miskend. Verzoeker levert op het eerste gezicht dit bewijs niet. Uit het hiervoor aangehaalde proces-verbaal van de eerste hoorzitting voor de Tuchtraad (zie supra, punt 3.5.) blijkt dat de voorzitter ervan een heromschrijving heeft voorgesteld van de opgelijste tenlasteleggingen - waaruit blijkt dat er in de libellering van punt 3.
  68. geen sprake meer is van “terwijl hij weet of moet weten dat de beschuldigingen en verwijten onjuist zijn ten aanzien van” - en dat de partijen expliciet uitgenodigd werden hierover standpunt in te nemen. Verzoeker is aldus uitdrukkelijk uitgenodigd om zich tegen de nieuwe heromschrijving te verdedigen, hetgeen overigens uitdrukkelijk is gesteld in het voornoemde proces-verbaal. Uit wat voorafgaat volgt dat verzoeker prima facie aldus zijn verdediging heeft kunnen voeren tegen die heromschrijving van de feiten zoals geadviseerd door de Tuchtraad en die nadien in de bestreden beslissing is bijgetreden door de hogere tuchtoverheid. In deze concrete context van de voorliggende zaak maakt verzoeker aldus in de huidige stand van het geding niet aannemelijk dat zijn recht op verdediging in concreto is geschonden doordat hem geen verweermogelijkheid is geboden na het advies van de Tuchtraad. Het middelonderdeel is in die mate niet ernstig.
  69. Verzoeker voert in het middelonderdeel ook aan dat de Tuchtraad geen andere kwalificatie van de feiten heeft voorgesteld maar een ander tuchtfeit heeft geadviseerd. Deze kritiek mist op het eerste gezicht feitelijke grondslag. De Tuchtraad mag immers tuchtvergrijpen herformuleren die door de hogere tuchtoverheid in haar voorstel van tuchtstraf in aanmerking waren genomen. Uit artikel 52, eerste lid, 1° van de tuchtwet volgt ook dat hij de feiten, zoals XIV-39.069-17/27 omschreven in het voorstel van (zware) tuchtstraf, kan heromschrijven in het licht van de hem beschikbare gegevens, zolang deze (her)omschrijving geen uitbreiding betreft van de ten laste gelegde feiten. Anders dan wat verzoeker meent, zijn de hem ten laste gelegde feiten in de loop van de procedure niet gewijzigd. Uit een vergelijking van de tuchtfeiten in aanmerking genomen in het inleidend verslag (en in het voorstel van tuchtstraf) en in het advies van de Tuchtraad dat de hogere tuchtoverheid bijtreedt, blijkt in deze stand van het geding dat het telkens gaat om dezelfde feiten die door de Tuchtraad worden geherformuleerd en heromschreven in het licht van het gevoerde onderzoek. Er is niet aangetoond dat de feitelijke grondslag van de tuchtvordering werd gewijzigd. Het middelonderdeel is in die mate niet ernstig.
  70. In het middelonderdeel voert verzoeker ook nog aan dat artikel 54 van de tuchtwet ten onrechte slechts een bijkomende verweermogelijkheid voorziet voor het geval dat de tuchtoverheid beoogt af te wijken van het advies van de Tuchtraad, of voor het geval dat de hogere tuchtoverheid instemt met een door de Tuchtraad voorgestelde strafverzwaring, terwijl dit niet voorzien wordt in het geval de Tuchtraad de feiten anders kwalificeert. Verzoeker ziet hierin een schending van het gelijkheidsbeginsel en vraagt dat dienaangaande een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof zou worden gesteld. Op dit verzoek wordt in de huidige stand van de zaak niet ingegaan om de volgende reden: Het antwoord op een prejudiciële vraag moet nuttig zijn voor de oplossing van het bodemgeschil. Dat is te dezen niet het geval. Het verzoek gaat op het eerste gezicht uit van de premisse dat verzoeker zich niet nuttig heeft kunnen verweren tegen de nieuwe kwalificatie of omschrijving van de feiten door de Tuchtraad en dat artikel 54 van de tuchtwet evenmin in een dergelijke XIV-39.069-18/27 verweermogelijkheid voorziet. Hiervoor is evenwel vastgesteld dat op het eerste gezicht die premisse in de feiten faalt en dat verzoeker aldus niet verrast kon zijn door het advies wat de herkwalificatie of heromschrijving van de feiten betreft. Aldus gaat de gevraagde prejudiciële vraag uit van een verkeerde premisse, met name dat hij zich niet heeft kunnen verweren. Op het eerste gezicht is in die omstandigheden de vraag derhalve niet prejudicieel omdat ze niet relevant is voor de oplossing van het geschil en moet zij, in het licht van artikel 26, § 3, van de bijzondere wet van 6 januari 1989’ op het Grondwettelijk Hof’, in deze stand van het geding niet worden gesteld. Het verzoek tot het stellen van een prejudiciële vraag wordt afgewezen.
  71. Het eerste onderdeel is zijn geheel niet ernstig. Tweede onderdeel: schending van het zorgvuldigheidsbeginsel
  72. In dit onderdeel acht verzoeker het zorgvuldigheidsbeginsel geschonden doordat de tuchtoverheid in de bestreden beslissing abstractie maakt van de vraag of de beschuldigingen en verwijten waar waren en of verzoeker dit wist of moest weten, terwijl de tuchtoverheid niet heeft onderzocht of de feiten (de beschuldigingen of verwijten) indien ze waar zijn nog wel een tuchtvergrijp uitmaken omdat ze strijdig zijn met de waardigheid van het ambt of de beroepsplichten. Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt in dat het bestuur zijn beslissing op zorgvuldige wijze moet voorbereiden. Dit impliceert dat de beslissing dient te steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld. De overheid is onder meer verplicht om zorgvuldig te werk te gaan bij de voorbereiding van de beslissing en de feitelijke en juridische aspecten van het dossier deugdelijk te onderzoeken, zodat zij met kennis van zaken kan beslissen. XIV-39.069-19/27 Het komt aan verzoeker toe om met concrete gegevens aannemelijk te maken dat de handelwijze van de hogere tuchtoverheid niet doet blijken van het vereiste zorgvuldig handelen. Het formuleren door verzoeker van eigen aannames, veronderstellingen en kritieken zonder enig begin van bewijs, volstaat niet om aannemelijk te maken dat de bestreden beslissing op een onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen.
  73. De formele motivering van de bestreden beslissing is hiervoor weergegeven. (supra, punt 3.9.). Er wordt naar verwezen. Hieruit blijkt dat in de rubriek onder punt 9 “Kwalificatie van de tuchtvergrijpen” wordt uiteengezet waarom volgens de hogere tuchtoverheid de aan verzoeker in de bestreden beslissing ten laste gelegde tuchtfeiten 1 en 2 (en 3) tekortkomingen uitmaken van de in de bestreden beslissing aangegeven professionele en deontologische verplichtingen en waarom die daarenboven in strijd zijn met de waardigheid van het ambt: “vertoonde gedrag is een personeelslid met een dergelijk hoge graad als [verzoeker] onwaardig.” Ook blijkt dat de hogere tuchtoverheid zich wat de kwalificatie van de feiten als tuchtvergrijp aansluit bij het advies van de Tuchtraad, zodat ook met die motieven rekening moet worden gehouden. Verzoeker betwist op zich deze (uitgedrukte) motieven niet, maar beperkt zich tot de blote stelling dat de hogere tuchtoverheid “dit in realiteit niet [heeft] onderzocht na abstractie te [hebben] hebben gemaakt van het vraagstuk of deze beschuldigingen/verwijten al dan niet terecht waren en of verzoeker dit wist dan wel moest weten.” Het formuleren door verzoeker van een dergelijke kritiek zonder enig begin van bewijs, volstaat evenwel te dezen op het eerste gezicht niet om aannemelijk te maken dat de tuchtoverheid, zoals verzoeker beweert, bij de kwalificatie van de feiten niet in ogenschouw zou hebben genomen dat in de bestreden beslissing abstractie is gemaakt van “het vraagstuk of deze beschuldigen/verwijten al dan niet terecht waren en of verzoeker dit wist dan wel moest weten.” Voorts wijst de verwerende partij er in haar nota op het eerste gezicht terecht op dat “in vergelijking met het inleidend verslag […] in de bestreden beslissing juist wel [wordt] uiteengezet waarom de ten laste gelegde feiten een inbreuk vormen op de aangehaalde bepalingen van de deontologische XIV-39.069-20/27 code” en dat “daarenboven […] de ten laste gelegde feiten op een andere wijze in verband [worden] gebracht met de vastgestelde inbreuken precies rekening houdende met de andere kwalificatie van de feiten” en dat “dit bewijst dat de tuchtoverheid dit juist wel in overweging heeft genomen en aldus zorgvuldig heeft behandeld.” Verzoeker betrekt evenwel deze vaststelling niet in zijn kritiek.
  74. Om dezelfde redenen geldt eenzelfde conclusie voor wat verzoekers blote bewering betreft dat bij de afweging van de strafmaat niet zou zijn nagegaan of het feit dat de ten laste gelegde verwijten en beschuldigingen waar zouden zijn een impact heeft op de strafmaat. Uit de hiervoor weergegeven formele motivering van de bestreden beslissing (zie supra, punt 3.9.) blijkt dat onder de rubriek 11 “tuchtstraf” wordt uiteengezet dat “de voortdurende verdachtmakingen ten aanzien van de korpschef en de boekhoudster de goede werking van de politiezone belemmeren; het zijn immers feiten die zwaar wegen op deze personen.” Ook wordt uiteengezet dat al de feiten “een doelbewust handelen [betreffen] gepleegd vanuit de overtuiging van het grote gelijk en getuigen van een zeer negatieve ingesteldheid ten aanzien van de politiezone in het algemeen en de korpschef in het bijzonder” en wordt uiteengezet aan de hand van het adviesverslag van Premed dat “de impact van de ten laste gelegde feiten op de organisatie bijzonder groot is,” om te concluderen dat er een volledige vertrouwensbreuk is met verzoeker. Verzoeker plaatst tegenover deze concrete beoordeling waaruit blijkt dat de feiten de definitieve beëindiging van verzoekers ambt schragen, enkel de eigen, niet door enig begin van bewijs onderbouwde stelling dat niet is onderzocht “of dat wel zo is in de abstracte veronderstelling dat de beschuldigingen/verwijten juist zouden zijn en of en in welke mate dit dan nog wel dusdanig zwaar weegt dat zulks de tuchtstraf het ontslag van ambtswege kan schragen gelet dit een definitieve beëindiging van het ambt met zich brengt.” Zulks volstaat prima facie niet om te besluiten tot een schending van de zorgvuldigheidsplicht.
  75. Het middelonderdeel is in die mate niet ernstig. XIV-39.069-21/27 Vierde onderdeel – de schending van de materiëlemotiveringsplicht
  76. De materiëlemotiveringsplicht houdt in dat iedere administratieve rechtshandeling moet steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte ter verantwoording van die handeling in aanmerking kunnen worden genomen. Bij de beoordeling van de naleving van de materiëlemotiveringsplicht is de Raad van State niet bevoegd om zijn oordeel omtrent de feiten in de plaats te stellen van het oordeel van de administratieve overheid. Hij is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de administratieve overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen. Voorts mag enkel met de formeel uitgedrukte motieven rekening worden gehouden.
  77. In dit middelonderdeel voert verzoeker aan dat vijf van de tweeëntwintig feiten die het eerste tuchtfeit illustreren niet bewezen zijn en dat aldus de materiëlemotiveringsplicht geschonden is. Deze kritiek betreft het eerste van de drie ten laste gelegde feiten. Uit de bestreden beslissing (zie supra, punt 3.9.) blijkt dat ter zake aan verzoeker ten laste wordt gelegd “het veelvuldig uiten van beschuldigingen en verwijten over de korpschef ten aanzien van derden.” Aan verzoeker wordt derhalve een bepaald gedrag verweten, waarvan in de rubriek 9 “kwalificatie van de tuchtvergrijpen” voorts wordt gesteld dat dit gedrag in strijd is met de waarden die de deontologische code vereist en niet te herleiden is tot de normale rapporteringsplicht van de bijzonder rekenplichtige. Dit tuchtfeit wordt bewezen aan de hand van een opsomming van tweeëntwintig “verwijten en beschuldigingen geuit door [verzoeker] over de korpschef” ten aanzien van verschillende derden. Zonder dat in deze stand van het geding de kritiek van verzoeker inzake vijf van die opgesomde “verwijten en beschuldigen” op zijn merites moet worden onderzocht, wordt de verwerende partij bijgevallen in haar standpunt in de nota dat verzoeker geen belang heeft bij het middelonderdeel omdat, “zelfs indien XIV-39.069-22/27 men abstract[ie] zou maken van de vijf feiten die onder het eerste tuchtfeit vallen […] dan blijven er meer dan voldoende feiten over die onder het eerste tuchtfeit vallen om het eerste tuchtfeit, met name het veelvuldig uiten van beschuldigingen en verwijten over de korpschef ten aanzien van derden bewezen te verklaren.” Indien zoals te dezen een algemeen gedrag als tuchtfeit wordt verweten aan een personeelslid, is immers voldaan aan de materiëlemotiveringsplicht indien het feitelijk bestaan van dit gedrag naar behoren is bewezen. Te dezen bekritiseert verzoeker vijf “verwijten en beschuldigingen” die volgens de hogere tuchtoverheid dit laakbaar gedrag illustreren, maar hij maakt niet aannemelijk dat, indien de vijf feiten waarvan volgens hem het feitelijk bestaan niet naar behoren is bewezen buiten beschouwing moeten worden gelaten, de resterende zeventien “beschuldigen en verwijten” die het eerste tuchtfeit illustreren en die niet worden betwist, niet op afdoende wijze het hem verweten gedrag illustreren. De exceptie van de verwerende partij ter zake wordt derhalve in de aangegeven mate bijgetreden.
  78. Verzoeker heeft op het eerst gezicht geen belang bij het ernstig bevinden van dit middelonderdeel. Conclusie
  79. In de mate dat het middel ontvankelijk is, is het in al zijn onderdelen niet ernstig. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
  80. In het tweede middel voert verzoeker de schending aan van de materiëlemotiveringsplicht en van artikel 3 van de tuchtwet. Het middel betreft het derde feit dat verzoeker wordt verweten. Verzoeker doet gelden dat dit derde tuchtfeit geen tuchtinbreuk vormt in de zin van artikel 3 van de tuchtwet en dat de XIV-39.069-23/27 tuchtoverheid niet is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, deze niet correct heeft beoordeeld en op grond daarvan niet in redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen. Hij stelt dat er sprake is van een misverstand tussen hem en de tijdelijke bijzonder rekenplichtige en dat hij nooit de intentie had deze de documenten te ontzeggen welke zij nodig had, hetgeen hij omstandig detailleert en waarbij hij besluit dat er bij gebrek aan strafwaardig gedrag geen sprake kan zijn van een tuchtfeit in de zin van artikel 3 van de tuchtwet. Ook de materiëlemotiveringsplicht is geschonden omdat niet deugdelijk blijkt waarom er toch sprake is van een toerekenbaar feit. Volgens verzoeker kan uit zijn loutere uitlating de gestelde vraag negatief te moeten beantwoorden binnen de expliciete uitleg dat hij geen toegang meer heeft tot de X-schijf, in redelijkheid niet worden afgeleid dat hij onwillig was. Evenmin blijkt dat M.V.O. veel extra tijd en werk heeft moeten steken in het opnieuw verzamelen van de gevraagde gegevens. Beoordeling
  81. De draagwijdte van de materiëlemotiveringsplicht is hiervoor reeds bepaald (zie supra, punt 14.) Artikel 3 van de tuchtwet definieert het begrip “tuchtvergrijp” als volgt: “Elke handeling of gedraging, zelfs buiten de uitoefening van het ambt, die een tekortkoming aan de beroepsplichten uitmaakt of die van aard is de waardigheid van het ambt in het gedrang te brengen, is een tuchtvergrijp en kan aanleiding geven tot het opleggen van een tuchtstraf.” De tuchtoverheid heeft bij de uitoefening van haar tuchtbevoegdheid een discretionaire beoordelingsbevoegdheid op het vlak van de tuchtrechtelijke kwalificatie van de ten laste gelegde feiten. De tuchtoverheid beoordeelt aldus discretionair of zij de handeling of gedraging gepleegd door politiepersoneel als tuchtrechtelijk strafbare vergrijpen aanmerkt. Het komt aan de Raad van State binnen het raam van zijn wettigheidstoezicht, niet toe om zelf een beoordeling te maken van, te dezen, de kwalificatie van de aan verzoeker ten laste gelegde feiten als tuchtvergrijpen in de zin van artikel 3 van de tuchtwet. De Raad XIV-39.069-24/27 van State is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de tuchtoverheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is gekomen.
  82. Het derde tuchtfeit dat aan verzoeker wordt verweten is hiervoor weergegeven. Er wordt naar verwezen (supra, punt 15.). Verzoeker betwist op zich niet dat hij de toestemming weigerde, maar stelt dat die weigering geen tuchtrechtelijk strafbaar karakter heeft omdat verzoeker, naar hij stelt, die vraag heeft begrepen alsof van hem werd verlangd dat hij de documenten op de X-schijf ter beschikking zou stellen maar dat hij dat niet kon bij gebreke aan toegang tot deze schijf. Hij betrekt evenwel bij die kritiek niet het feit dat hem niet was gevraagd zelf die schijf open te stellen en de gevraagde data te leveren, maar enkel om daarvoor toestemming te verlenen. De tuchtoverheid blijft aldus binnen de perken van haar beoordelingsbevoegdheid door verzoekers antwoord als een weigering te kwalificeren. Dat verzoeker de vraag, naar hij stelt, verkeerd heeft begrepen, doet op zich niet blijken van dwaling in de feiten en kan derhalve de hogere tuchtoverheid niet worden aangerekend. Los van de feitelijke vaststelling dat de vraagstelling duidelijk lijkt - openstellen van de documenten op de X-schijf en niet het zelf openstellen van die schijf - mag overigens van een zorgvuldig optredend personeelslid in redelijkheid worden verwacht dat het, indien een aan hem gericht verzoek van een collega gesteund op professionele gronden niet duidelijk is, zich bevraagt bij de steller ervan, alvorens dat op het eerste gezicht legitiem verzoek naar eigen inzicht te weigeren. Voorts blijkt uit zowel het advies van de Tuchtraad als uit de bestreden beslissing dat de toestemming werd gevraagd om werkgerelateerde informatie, die zich op verzoekers persoonlijke X-schijf bevond, te delen. Op het eerste gezicht had het verzoek derhalve geen betrekking op "persoonlijke" documenten, maar wel op informatie en documenten die toebehoorden aan de politiezone en die verzoeker opsloeg op zijn persoonlijke schijf. Aldus maakt verzoeker niet aannemelijk dat het een verzoek betrof tot het verlenen van een XIV-39.069-25/27 “soort algemene toestemming” aan M.V.O., zodat zijn standpunt dat hij gerechtvaardigd kon weigeren, niet ter zake is. Dat voorts volgens verzoeker andere (technische) pragmatische oplossingen mogelijk waren, is op het eerste gezicht eigen opportuniteitskritiek op de door de tuchtoverheid aangewende oplossing die het tuchtrechtelijk karakter van verzoekers weigering niet wegneemt. Tot slot is verzoekers kritiek dat uit niets blijkt dat M.V.O. “veel extra tijd en werk heeft moeten steken in het opnieuw verzamelen van deze gegevens” en dat op grond van deze vaststelling het tuchtfeit niet deugdelijk is aangetoond, niet relevant. Centraal in het aan verzoeker tenlastegelegde feit is niet de weerslag van verzoekers weigering op de goede werking van de dienst, maar het feit van zonder reden de gevraagde toestemming te weigeren op 8 juni
  83. Mocht zijn kritiek gegrond zijn, kan die niet tot het ernstig bevinden van het middel leiden.
  84. Uit wat voorafgaat volgt dat verzoeker weliswaar blijk geeft van een eigen beoordeling van de tuchtrechtelijke strafwaardigheid van zijn gedrag, maar hij maakt hiermee niet aannemelijk dat de hogere tuchtoverheid in haar beoordeling van de kwalificatie van het feit als een tuchtfeit, tot een conclusie is gekomen waaruit een schending van de materiëlemotiveringsplicht en van artikel 3 van de tuchtwet zou moeten blijken.
  85. Het tweede middel is niet ernstig. VI. Conclusie
  86. Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. VII. Kosten
  87. Wat de vraag van de verwerende partij tot toekenning van een rechtsplegingsvergoeding betreft wordt de bijdrage in de betaling van de kosten XIV-39.069-26/27 bepaald in het arrest waarin uitspraak wordt gedaan over het beroep tot nietigverklaring. BESLISSING
  88. De Raad van State verwerpt de vordering.
  89. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van verzoeker niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van tien januari tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Geert Debersaques XIV-39.069-27/27 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.255.440 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.