id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 11 januari 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.255.447 Rolnummer: A. 233685/IX-9885 Zaak: Arrest 255447 - O.C.M.W. - 11/01/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-01-16 Raadplegingen: 94 - laatst gezien 2026-06-15 02:00 Fiche Arrest nr 255.447 van 11 januari 2023 Sociale zaken en volksgezondheid - O.C.M.W. Beslissing : heropening debatten Depersonalisatie Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 255.447 van 11 januari 2023 in de zaak A. é.685/IX-9885 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Wim Mertens en Sarah Houben kantoor houdend te 3580 Beringen Paalsesteenweg 81 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen:
- de VLAAMSE GEMEENSCHAP, vertegenwoordigd door: a. de Vlaamse Regering b. de beroepscommissie voor tuchtzaken bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Staelens kantoor houdend te 8000 Brugge Gerard Davidstraat 46 bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen
- het OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN VAN LEUVEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Thomas Beelen kantoor houdend te 3000 Leuven Justus Lipsiusstraat 24 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 18 mei 2021, strekt tot de nietigverklaring van: “- de beslissing van 23 maart 2021 van de Beroepscommissie voor Tuchtzaken van het statutaire gemeente-, provincie- en OCMW-personeel waarbij het beroep van [XXXX] tegen het besluit van het vast bureau van het OCMW van Leuven van 18 december 2020 houdende het opleggen aan [XXXX] van de tuchtstraf van het ‘ontslag van ambtswege’ ontvankelijk, IX-9885-1/9 doch ongegrond wordt verklaard en de beslissing van de Tuchtoverheid van 18 december 2020 bevestigd wordt […] - de beslissing van 18 december 2020 van het vast bureau van het OCMW van Leuven waarbij aan [XXXX] de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege wordt opgelegd […].” II. Verloop van de rechtspleging
- Bij arrest nr. 252.539 van 23 december 2021 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen verworpen. De verzoekende partij heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Iris Verheven heeft een verslag opgesteld overeenkomstig artikel 51 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ (hierna: het algemeen procedurereglement). De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 19 december
- Staatsraad Bert Thys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Lars Motmans, die loco advocaten Wim Mertens en Sarah Houben verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Bart Staelens, die verschijnt voor de eerste verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Iris Verheven heeft advies gegeven. IX-9885-2/9 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördi- neerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoeker is directeur van de sociale dienst van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn (OCMW) van Leuven. 3.
- Op 6 maart 2020 beslist het vast bureau van het OCMW, naar aanleiding van een klachtbrief van “een significant aantal medewerkers van het OCMW” gericht aan de arbeidsgeneesheer en de vaststelling van “onaangepast gedrag” van verzoeker, om een tuchtonderzoek tegen hem op te starten en de algemeen directeur van de stad Leuven en het OCMW aan te stellen als tuchtonderzoeker. 3.
- Op 27 mei 2020 beslist het vast bureau, na kennis te hebben genomen van een tussentijds verslag van de tuchtonderzoeker over het verloop van het tuchtonderzoek na de uitbraak van het coronavirus, dat het tuchtonderzoek zal worden voortgezet. 3.
- Op 27 juli 2020 vraagt verzoeker om de tuchtonderzoeker te wraken “gelet op haar grote betrokkenheid en (mogelijke) vooringenomenheid in het dossier”. Op 31 juli 2020 verwerpt het vast bureau die vraag. 3.
- Op 5 augustus 2020, na kennis te hebben genomen van het tuchtverslag en het tuchtdossier, oordeelt het vast bureau dat daaruit voldoende aanwijzingen blijken dat verzoeker zich mogelijk schuldig heeft gemaakt aan “diverse tuchtfeiten, die als volgt werden geclusterd”: IX-9885-3/9 “
- cluster Grensoverschrijdend gedrag tegen medewerkers: deze cluster omvat feiten m.b.t. agressieve en dreigende houding naar het personeel, roepen, verbale agressie, intimidatie, ongepaste uitspraken, onaangepast gedrag, dreigen, vernederingen, machtsmisbruik, buitensporige en ongepaste reacties.
- cluster Ongepaste Houding en onaangepast gedrag bij en over externen: deze cluster omvat feiten m.b.t. ongepast gedrag, deloyaal gedrag ten aanzien van de werkgever, zeggen dat de stad niet te vertrouwen is, buitensporige en ongepaste reacties, gedrag dat imagoschade buiten de organisatie aanricht.
- cluster Tegenwerkende en niet-actieve houding: deze cluster omvat feiten m.b.t. on(aan)gepast gedrag, geen beslissingen nemen, medewerkers niet sturen, gewichtig doen, problemen niet aanpakken, onsamenhangendheid, initiatief en samenwerking van medewerkers i.k.v. inkanteling van OCMW naar de stad tegenwerken, integratie van de stad en OCMW in de weg staan.” Het vast bureau beslist om de tuchtprocedure voort te zetten. 3.
- De voorzitter van het vast bureau stelt verzoeker met een aangetekende brief van 5 augustus 2020 in kennis van de voormelde beslissing van het vast bureau. Verzoeker wordt daarbij opgeroepen om op 27 augustus 2020 te worden gehoord. Onder meer het tuchtverslag en het tuchtdossier, zoals samengesteld door de tuchtonderzoeker, zijn als bijlage bij dit schrijven gevoegd. Op vraag van verzoeker wordt de hoorzitting uitgesteld naar 28 augustus
- Met een brief van 27 augustus 2020 gericht aan het vast bureau vraagt verzoeker opnieuw uitstel. Hij herhaalt deze vraag vóór de zitting van het vast bureau van 28 augustus
- Bij besluit van het vast bureau van laatstgenoemde datum wordt de hoorzitting uitgesteld naar 2 oktober
- 3.
- Met een e-mailbericht van 21 september 2020 vraagt verzoeker om verscheidene stukken aan het tuchtdossier toe te voegen, zo onder meer: • alle formele (ondertekende) plannings-, functionerings- en evaluatieverslagen, die aanwezig zijn in zijn personeelsdossier; • de brieven van de werknemers van het OCMW gericht aan de arbeidsgeneesheer; • alle verslagen en rapporten vanwege de bedrijfsgeneeskundige dienst Idewe in verband met de welzijnsanalyse. IX-9885-4/9 3.
- Op 2 oktober 2020 worden opgeroepen getuigen door het vast bureau gehoord. Het vast bureau wijst verzoekers verzoek tot wraking van de voorzitter en van een lid af. Op vraag en met instemming van verzoeker wordt het vervolg van de hoorzitting uitgesteld naar 16 oktober
- 3.
- Op 16 oktober 2020 wordt verzoeker, bijgestaan door zijn raadsman, gehoord. Verzoekers raadsman legt bij die gelegenheid een “nota” neer, verzoeker zelf een “verweerschrift”. 3.
- De besluiten van het vast bureau van 2 en 16 oktober 2020 en het proces-verbaal van de hoorzitting worden met een aangetekend schrijven van 22 oktober 2020 toegezonden aan verzoeker, alsook met een e-mailbericht van 23 oktober 2020 verzonden naar verzoeker en zijn raadsman. Op 2 november 2020 formuleert verzoeker zijn opmerkingen. Hij geeft daarbij te kennen dat zijn raadsman geen gewone of aangetekende zending heeft ontvangen en de bestanden bij de e-mail van 23 oktober 2020 niet heeft kunnen openen. Met aangetekende brieven van 4 november 2020 worden de besluiten van het vast bureau van 2 en 16 oktober 2020 en het proces-verbaal van de hoorzitting nogmaals toegezonden aan verzoeker en zijn raadsman, waarbij zij een termijn van zeven dagen krijgen om hierbij opmerkingen te maken. Met een aangetekend schrijven van 10 november 2020 en met een e-mailbericht van 12 november 2020 bezorgt verzoeker zijn aanvullende opmerkingen. Tevens bezorgt zijn raadsman met een e-mailbericht van 12 november 2020 zijn opmerkingen. IX-9885-5/9 3.
- Bij besluit van 18 december 2020 beslist het vast bureau om verzoeker de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege op te leggen. Dat is de tweede bestreden beslissing. 3.
- Verzoeker stelt tegen deze beslissing een beroep in bij de Beroepscommissie voor Tuchtzaken. Op 23 maart 2021 beslist de voornoemde beroepscommissie dat verzoekers beroep ontvankelijk, maar ongegrond is en dat de opgelegde tuchtstraf van het ontslag van ambtswege wordt gehandhaafd. Dat is de eerste bestreden beslissing. IV. Toepassing van artikel 51 van het algemeen procedurereglement
- In zijn memorie van wederantwoord zet verzoeker “preliminair” uiteen: “Verzoekende partij heeft 24 januari 2022 strafklacht met burgerlijke partijstelling neergelegd wegens mogelijke valsheid in geschrifte[...] jegens [G.V.], [B.V.] en [L.P.] (stuk 48: bewijs neerlegging strafklacht). Deze klacht handelt zowel over materiële als immateriële vervalsingen van diverse beslissingen en kennisgevingen in het kader van de tuchtprocedure, die in verschillende vormen (de ene keer niet ondertekend en zonder garantie van authenticiteit, de andere keer wel ondertekend – en waarbij geen gebruik wordt gemaakt van digitale handtekeningen, maar van ‘gescande’ handtekeningen die geenszins authenticiteit waarborgen) verschijnen en mogelijke aanwijzingen dat bepaalde documenten geantidateerd zijn, dat een getuigenverklaring na ondertekening van het PV gewijzigd werd. Een deel van de met de strafklacht geviseerde stukken wordt aangewend in het kader van de tuchtprocedure en maakt onderdeel uit van het tuchtdossier. Lopende de procedure werd er door verzoekende partij (in zijn schriftelijke verweerstukken) ook meermaals op gewezen dat het oorspronkelijk tuchtdossier in verschillende versies circuleert en dat documenten uit het oorspronkelijk tuchtdossier plots ontbreken of zelfs niet meer overeenkomen met de oorspronkelijke documenten.” IX-9885-6/9 Verzoeker legt het bewijs neer van de neerlegging van de strafklacht met burgerlijke partijstelling.
- Artikel 51 van het algemeen procedurereglement luidt: “Zo een partij een overgelegd stuk van valsheid beticht, wordt de partij die het stuk heeft overgelegd door de staatsraad of het lid van het auditoraat belast met het onderzoek, of door de kamer bij dewelke de zaak aanhangig is, verzocht zonder verwijl te verklaren of zij volhardt in haar bedoeling er van gebruik te maken. Zo de partij op deze vraag niet ingaat, of zo zij verklaart dat zij van het stuk geen gebruik wenst te maken, wordt het verworpen. Zo zij verklaart dat zij er gebruik wil van maken, wordt er zonder verwijl verslag over uitgebracht bij de kamer bij dewelke de zaak aanhangig is. Wanneer deze oordeelt dat het van valsheid beticht stuk geen invloed heeft op haar eindbeslissing, wordt er geen rekening mede gehouden. Zo zij, integendeel, oordeelt dat het stuk van wezenlijk belang is voor de oplossing van het geschil, dan schorst zij het geding tot het bevoegd rechtscollege over de valsheid uitspraak heeft gedaan.”
- De tweede bestreden beslissing is mede gesteund op verklaringen waarvan verzoeker beweert dat ze zijn gewijzigd of geantidateerd. Tevens doet verzoeker gelden dat met twee verschillende tuchtdossiers werd gewerkt en dat stukken uit het tuchtdossier niet meer overeenstemmen met de oorspronkelijke documenten.
- Op 9 oktober 2022 bevestigt de tweede verwerende partij op vraag van het met het onderzoek van de zaak belaste lid van het auditoraat dat zij het administratief dossier zoals neergelegd bij de Raad van State wenst te gebruiken.
- De stukken die verzoeker middels een strafklacht met burgerlijke partijstelling beticht van valsheid, zijn van wezenlijk belang voor de oplossing van het voorliggende geschil, aangezien de betwiste tuchtmaatregel erop steunt. De Raad van State is zelf niet bevoegd om zich over het bestaan van de valsheid uit te spreken. Het onderzoek van en oordeel over de betichting van IX-9885-7/9 valsheid behoren tot de uitsluitende bevoegdheid van de gewone rechter, te dezen de strafrechter. Zo de klacht met burgerlijke partijstelling van verzoeker leidt tot een procedure voor een strafgerecht en zo dat strafgerecht tot het oordeel komt dat de kwestieuze stukken inderdaad vals zijn, zoals verzoeker beweert, dan heeft dat een weerslag op de huidige procedure voor de Raad van State. Valse stukken hebben immers geen bewijskracht en de Raad van State mag met niet-bewijskrachtige stukken geen rekening houden. Een definitieve uitspraak over de ingediende strafklacht is dan ook vereist alvorens het thans voorliggende beroep verder kan worden behandeld. Overeenkomstig artikel 51, vijfde lid, van het algemeen procedurereglement dient daartoe het geding te worden geschorst totdat het bevoegde rechtscollege over de valsheid definitief uitspraak heeft gedaan. BESLISSING
- De Raad van State heropent het debat.
- De Raad van State schorst het geding totdat het bevoegde rechtscollege definitief uitspraak zal hebben gedaan over de klacht van XXXX wegens valsheid.
- Het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat wordt ermee belast, zodra het bevoegde rechtscollege definitief uitspraak heeft gedaan over de klacht wegens valsheid en de meest gerede partij de Raad van State daarvan in kennis heeft gesteld, het onderzoek van de zaak voort te zetten.
- Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. IX-9885-8/9 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van elf januari tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-9885-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.255.447 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.252.539 gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.747 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.