← België

Arrest 255511 - Tucht (openbaar ambt) - 17/01/2023

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 januari 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.255.511 Rolnummer: A. 236366/X-18147 Zaak: Arrest 255511 - Tucht (openbaar ambt) - 17/01/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-01-27 Raadplegingen: 84 - laatst gezien 2026-06-10 08:13 Fiches 1 - 2 Arrest nr 255.511 van 17 januari 2023 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE Xe KAMER nr. 255.511 van 17 januari 2023 in de zaak A. 236.366/X-18.147 In zake : Thierry ROUIN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Christian Lemache en Greet Louwet kantoor houdend te 3800 Sint-Truiden Tongersesteenweg 60 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : HULPVERLENINGSZONE ZUID-WEST LIMBURG bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Koen Geelen en Jarien Bloemen kantoor houdend te 3500 Hasselt Gouverneur Roppesingel 131 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Met verzoekschriften, ingediend op 9 mei 2022 en 19 mei 2022, vordert Thierry Rouin de schorsing van de tenuitvoerlegging, respectievelijk de nietigverklaring, van de beslissing van het zonecollege van de hulpverleningszone Zuid-West-Limburg van 28 maart 2022 waarbij hij met onmiddellijke ingang van ambtswege ontslagen wordt. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. Eerste auditeur Iris Verheven heeft een verslag opgesteld over het beroep tot nietigverklaring, op grond van artikel 93 van het besluit van de X-18.147-1/15 Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’, en over de vordering tot schorsing. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 16 december
  3. Verzoeker legt ter zitting een nota van 15 december 2022 neer. Kamervoorzitter Johan Lust heeft verslag uitgebracht. Advocaat Greet Louwet, die verschijnt voor verzoeker, en advocaat Jarien Bloemen, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Iris Verheven heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. Verzoeker is sinds 1992 in dienst als vrijwillig brandweerman, eerst bij de stad Sint-Truiden en vervolgens bij de hulpverleningszone Zuid-West Limburg. Wegens feiten tijdens een interventie op 23 september 2015 wordt hem op 18 januari 2016 door de zoneraad de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege opgelegd. De tuchtstraf wordt door de Raad van State bij arrest nr. 235.520 van 15 juli 2016 geschorst en bij arrest nr. 238.049 van 28 april 2017 vernietigd. Op 26 juni 2017 beslist de zoneraad verzoeker voor de feiten van 23 september 2015 opnieuw met het ontslag van ambtswege te bestraffen. X-18.147-2/15 Die tuchtstraf wordt bij arrest nr. 240.158 van 12 december 2017 geschorst en bij arrest nr. 246.855 van 28 januari 2020 vernietigd. 3.
  6. Met een beslissing van het zonecollege van 4 mei 2020 wordt verzoeker een derde keer van ambtswege ontslagen, dit keer met toepassing van artikel 302, eerste lid, 6°, van het koninklijk besluit van 19 april 2014 ‘tot bepaling van het administratief statuut van het operationeel personeel van de hulpverleningszones’ (hierna: het koninklijk besluit van 19 april 2014) omdat hij “niet voldoet aan de voortgezette opleiding voor de jaren 2015 tot 2018”. De beslissing wordt door de Raad van State geschorst bij arrest nr. 249.020 van 25 november
  7. 3.
  8. Onder verwijzing naar dit schorsingsarrest vraagt verzoeker op 15 december 2020 om zo snel mogelijk weer in het operationele team geïntegreerd te worden. De verwerende partij antwoordt op 4 januari 2021 dat er overleg is geweest in het zonecollege en dat er beslist werd dat verzoeker de basisopleiding en vervolgens de voortgezette vorming dient te volgen: “De reden hiervan ligt in het feit dat er sinds 2015 grondige hervormingen zijn geweest in de procedures en technieken voor brandweerlieden”. Met een bericht van 3 februari 2021 bezorgt de verwerende partij verzoeker nadere informatie over het wederindienstnemingstraject “dat hij dient te volgen”. In zijn antwoord van 20 maart 2021 dringt verzoeker aan op een “individueel aangepast opleidingsprogramma”. De verwerende partij noemt dat in haar bericht van 14 april 2021 onmogelijk en onwenselijk: “Terzake moet erop gewezen worden dat, op basis van de wet van 2007, het de zonecommandant is die verantwoordelijk is voor de opleiding en X-18.147-3/15 tegelijkertijd voor het operationeel inzetten van de brandweerlieden. Uw cliënt zal ongetwijfeld begrijpen dat, gelet op de grote risico’s waarmee brandweerlieden geconfronteerd worden bij de uitoefening van hun taken, de zonecommandant bij zijn discretionair oordeel terzake, geen enkel risico kan nemen. Dit betekent dat wanneer de zonecommandant moet beslissen over het door de heer Rouin te volgen opleidingstraject, hij het opleidingstraject zal kiezen dat de meeste garantie biedt op het veilig inzetten van de heer Rouin. Daarnaast moet hij uiteraard ook rekening houden met de praktische mogelijkheden inzake de inrichting van deze opleiding. Zoals reeds herhaaldelijk aangegeven, wordt de voortgezette vorming niet verzorgd door de hulpverleningszone zelf, maar door het [opleidingscentrum] PLOT. Bij het PLOT bestaat er geen mogelijkheid om een op maat uitgewerkt traject vast te stellen.” Voorts wijst de verwerende partij er in de mededeling van 14 april 2021 op dat “de te volgen opleiding een dienstopdracht is die vergoed wordt op basis van een normale uurvergoeding zodat uw cliënt daaromtrent geen inkomensverlies kan lijden”, en dat verzoeker, indien hij niet met de opleiding instemt, zich tot de Raad van State zal moeten richten. De cursus BO1 start op 13 september 2021 en er zijn inschrijvingen mogelijk tot 13 augustus 2021 of totdat het maximum aantal deelnemers is bereikt. Hierop volgt tussen partijen een heen-en-weer geschrijf, dat er de verwerende partij op 11 januari 2022 toe brengt te besluiten: “Gelet op de grote tussenperiodes waarmee uw cliënt reageert en gelet op de standpunten die hij inneemt, is het duidelijk dat uw cliënt het traject dat hem is voorgesteld, niet wenst uit te voeren.” Op 28 maart 2022 neemt het zonecollege de bestreden beslissing om verzoeker met onmiddellijke ingang te ontslaan. Overwogen wordt inzonderheid: “Art. 302 punt 4° van het administratief statuut bepaalt dat het ambt van de vrijwilliger eindigt door ontslag van ambtswege wanneer het vrijwillig personeelslid afwezig is zonder toelating of zonder geldige reden gedurende meer dan zesenzeventig prestatie-uren. Uit de feitelijke overwegingen volgt voldoende dat er aan vrijwillig brandweerman Thierry Rouin (711126 181 25), in navolging van de beslissing van het zonecollege, een concreet en duidelijk opleidingstraject X-18.147-4/15 werd opgelegd, dat het betrokken personeelslid hieraan meermaals werd herinnerd door de hulpverleningszone en dat van hem werd verwacht dat hij dit opleidingstraject ten laatste zou aanvatten op 13 september
  9. Betrokkene heeft de beslissing daartoe nooit juridisch bestreden maar zich ook niet heeft ingeschreven voor het opleidingstraject noch heeft hij dit gevolgd. Betrokkene heeft zelfs de tweede kans om de opleiding alsnog in januari 2022 te volgen niet aangegrepen. Het zonecollege kan niet anders dan vaststellen dat betrokkene pertinent weigert om zich in te schrijven voor het opgelegde opleidingstraject. Deze houding schendt artikel 14 § 1 tweede lid van het administratief statuut dat de personeelsleden verplicht om de noodzakelijke opleiding te volgen. De opleiding hoorde te starten op 13 september 2021 en zou na het volgen van de eerste drie modules (‘administratieve cultuur, houding en gedrag’, ‘fysieke paraatheid’ en ‘individuele bescherming’) reeds meer dan 76 uren beslagen hebben. Uit artikel 149 van het administratief statuut volgt dat opleidingsuren gelijk te stellen zijn met dienstprestaties. Sinds de start van de opleiding BO1 in september 2021, die aan Thierry Rouin (711126 181 25) werd voorgesteld om te volgen, zijn er meer dan 76 opleidingsuren verstreken. Geelt op de gelijkstelling tussen opleidingsuren en diensturen betekent dit dat Thierry Rouin (711126 181 25) reeds minimaal 76 uren dienstprestaties gemist heeft en afwezig is zonder toelating of zonder geldige reden. De pertinente weigering om zich in te schrijven voor dit voorgestelde en niet betwiste opleidingstraject heeft tot gevolg dat het betrokken personeelslid een dienstopdracht heeft geweigerd waardoor hij niet het vereiste aantal prestatie-uren heeft bereikt conform artikel 302.4 van het KB van 19 april 2014 betreffende het administratief statuut van operationeel personeel van de hulpverleningszones en hij op basis van dit artikel van ambtswege wordt ontslagen.” 3.
  10. Met het arrest nr. 253.700 van 9 mei 2022 vernietigt de Raad van State de eerdere, geschorste, ontslagbeslissing van 4 mei
  11. IV. Ontvankelijkheid Exceptie
  12. Volgens de verwerende partij is verzoeker zonder het vereiste belang. Hij heeft nooit de opdracht van de zonecommandant om zich in te schrijven voor de cursus BO1 aangevochten, noch motiveert hij dat de opgedragen opleiding onredelijk zou zijn. Dit betekent dat de verplichting om het X-18.147-5/15 opleidingstraject te volgen ook nog na een vernietiging van de bestreden beslissing blijft bestaan. Beoordeling
  13. Het onderzoek van de exceptie gaat op in het onderzoek van de grond van de zaak, meer bepaald van het eerste middel. V. Onderzoek van het beroep tot nietigverklaring A. Eerste middel Uiteenzetting van verzoeker
  14. Een eerste middel is “genomen uit een schending van artikel 302, 4°, artikel 14, artikel 149, artikel 150 §1, artikel 174, artikel 176 §1, artikel 177, artikel 302,6° en artikel 308, §1, 1° van het koninklijk besluit van 19 april 2014 […], alsmede uit een schending van artikel 67 §1 van het koninklijk besluit van 18 november 2015 betreffende de opleiding van de leden van de openbare hulpdiensten en tot wijziging van diverse koninklijke besluiten [hierna: het koninklijk besluit van 18 november 2015], alsmede uit een schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, inzonderheid het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel”. Volgens een eerste middelonderdeel kan men enkel ongewettigd of ongeldig “afwezig” zijn bij het verrichten van prestatie-uren als men is uitgenodigd of verplicht is om “aanwezig” te zijn op de dienst om aldaar prestaties te verrichten. Daaraan is hier niet voldaan. Er werd niet ingegaan op de herhaalde verzoeken tot re-integratie van verzoeker. Hij werd niet opgeroepen of ingeschakeld in de kazerne van Sint-Truiden. Er werd ook niet naar zijn beschikbaarheid als vrijwilliger gevraagd of naar zijn mogelijkheden om opnieuw tewerkgesteld te worden. Verzoeker is behandeld als geen deel meer uitmakend van het brandweerkorps “zodat hem niet verweten kan worden verzaakt te hebben X-18.147-6/15 aan het verrichten van prestatie-uren noch ongewettigd of zonder toelating afwezig te zijn geweest op zijn dienst”. Met betrekking tot een tweede middelonderdeel wordt toegelicht dat artikel 302 van het koninklijk besluit van 19 april 2014 duidelijk een onderscheid heeft gemaakt tussen het niet volgen van voortgezette opleidingsuren en het ongewettigd afwezig zijn tijdens prestatie-uren: “Hieruit volgt dat verwerende partij ter rechtvaardiging van een ontslag gesteund op artikel 302, 4° van voormeld KB aldus dient aan te tonen dat verzoekende partij op het vlak van ‘prestatie-uren’ ongewettigd of ongeldig afwezig zou zijn op zijn dienst – quod non est (cfr. eerste onderdeel van het eerste middel). Het louter afwezig zijn tijdens opleidingsuren, lijkt aldus geen aanknopingspunt te vinden in voormeld artikel 302,4° van het KB om verzoeker als personeelslid te ontslaan.” In een derde middelonderdeel betwist verzoeker “dat er door [de verwerende partij] een beslissing zou zijn genomen, waarbij aan [hem] een traject werd opgelegd, zijnde het verplicht volgen van de basisopleiding BO1 gevolgd door de vervolgopleiding dat hij nooit heeft bestreden en dat hij diende te volgen vanaf 13 september 2021, waarbij intussen reeds meer dan 76 uren zouden zijn verstreken”. Het blijven eisen dat verzoeker de gehele basisopleiding BO1 opnieuw dient te doen is onwettig en miskent artikel 67, § 1, van het koninklijk besluit van 18 november
  15. Geen enkele redelijke en zorgvuldige overheid zou op dezelfde wijze handelen. Beoordeling
  16. In tegenstelling tot wat verzoeker in het derde middelonderdeel betoogt, blijkt er hem wel degelijk een vormingstraject te zijn opgelegd om weer operationeel te kunnen zijn. Anders dan de bestreden beslissing vermeldt, is dit weliswaar niet gebeurd door het zonecollege, maar door de zonecommandant, die daar ook effectief over gaat. X-18.147-7/15
  17. Zoals de zonecommandant op de vergadering van 17 december 2020 van de technische commissie van de hulpverleningszone, bij “Varia”, meedeelde, moet de zone verzoeker terug in dienst nemen, maar heeft hij al vijf jaar geen opleiding meer gevolgd en is er een veiligheidsrisico, zodat hij de cursus BO1 zal moeten volgen, en na één jaar permanente vorming en een individueel programma een operationaliteitstest moeten afleggen. Hoe het wederindienstnemingstraject er precies uit ziet, is vervolgens op 3 februari 2021 aan verzoeker – in de persoon van zijn raadsman die hem kennelijk inzake zijn wedertewerkstelling vertegenwoordigde – meegedeeld. Nadat (de raadsman van) verzoeker met een schrijven van 20 maart 2021 tegen dit traject protesteerde, schrijft (de raadsman van) de verwerende partij op 14 april 2021 dat de zonecommandant een ander opleidingstraject onmogelijk en onwenselijk acht en dat de redelijke onderbouwing van de gecommuniceerde beslissing niet kan worden betwist. Er wordt uitdrukkelijk op gewezen “dat de te volgen opleiding een dienstopdracht is die vergoed wordt op basis van een normale uurvergoeding zodat uw cliënt daaromtrent geen inkomensverlies kan lijden”. Ten slotte wordt opgemerkt dat als verzoeker niet instemt met het discretionair oordeel van de zonecommandant, hij zich binnen 60 dagen tot de Raad van State zal moeten richten.
  18. Tegen die beslissing van de zonecommandant over het te volgen opleidingstraject is geen annulatieberoep ingesteld. Wat er verder ook van aan is, ze is definitief.
  19. Aan verzoeker is dus de dienstopdracht gegeven een welbepaald opleidingstraject te volgen om na jarenlange inactiviteit als brandweerman weer operationeel inzetbaar te zijn. Overeenkomstig artikel 174 van het koninklijk besluit van 19 april 2014 maakt de uitvoering van die opdracht, te weten het volgen van de opleiding, diensttijd uit en betreft ze “uren die een vrijwillig personeelslid presteert” (cursivering door de Raad van State). X-18.147-8/15 De Raad van State kan dan ook niet bijvallen dat verzoeker “geen enkel prestatie-uur [heeft] mogen verrichten”.
  20. Het is voor de Raad van State niet gebleken dat de uitvoering van de prestatie-uren die aan verzoeker werden opgedragen, de (minimale) beschikbaarheid voor de dienst die van hem, als vrijwillig brandweerman, verwacht mag worden te boven ging.
  21. Niettemin heeft verzoeker de opleiding niet gevolgd. Voor zoveel de Raad van State kan nagaan, heeft dat finaal met onwil zijnentwege te maken. Op 14 april 2021 signaleerde de verwerende partij hem dat de cursus BO1 op 13 september 2021 zou starten, dat er inschrijvingen mogelijk zijn tot 13 augustus 2021 en dat het aantal plaatsen beperkt is. Hij gaf hieraan geen gevolg. Ook niet nadat de verwerende partij op 29 juli 2021 polste of hij intussen voor het opleidingstraject was inschreven. Op 7 augustus 2021 deed hij gelden dat hij geen toegang had tot het elektronisch systeem om zich bij het opleidingscentrum PLOT in te schrijven. De verwerende partij reageerde daarop terstond dat verzoeker die toegang niet nodig had en dat hij PLOT rechtstreeks kon contacteren om zich in te schrijven voor permanente of voortgezette opleidingen. Naar verzoeker op 16 oktober 2021 schrijft, heeft hij “ondertussen” ook effectief contact opgenomen met het PLOT, maar enig bewijs met betrekking tot dat contact waaruit mag blijken dat een inschrijving van verzoeker geweigerd werd, wordt niet bijgebracht. Niet onterecht, dan ook, concludeert de verwerende partij in een e-mail van 11 januari 2022 dat het duidelijk is dat verzoeker het opleidingstraject “niet wenst uit te voeren”.
  22. Het blijkt aldus dat aan verzoeker, anders dan hij in het eerste middelonderdeel beweert, wel degelijk kan worden aangewreven dat hij, zonder X-18.147-9/15 geldig excuus, heeft nagelaten de opleiding te presteren die de verwerende partij, bij monde van de zonecommandant, hem had opgelegd.
  23. Er volgt uit dat verzoeker in het tweede middelonderdeel ten onrechte beweert dat zijn afwezigheid op de opleiding “geen aanknopingspunt [lijkt] te vinden” bij artikel 302, eerste lid, 4°, van het koninklijk besluit van 19 april 2014, luidend: “Het ontslag van ambtswege wordt uitgesproken door de raad wanneer het personeelslid: […] 4° afwezig is zonder toelating of zonder geldige reden gedurende meer dan zesenzeventig prestatie-uren.” Verzoekers nota van 15 december 2022 doet daar niet anders over denken. In de nota brengt hij te berde dat artikel 302, eerste lid, 4°, “enkel van toepassing is op beroepspersoneelsleden”, terwijl verzoeker een vrijwillig brandweerman is en “een ‘vrijwilliger’ niet ongeldig of ongewettigd afwezig kan zijn gedurende 76 - prestatie-uren”. Verzoeker vergist zich. Artikel 301, 2°, van het koninklijk besluit van 19 april 2014 voorziet er uitdrukkelijk in dat (ook) het ambt van de vrijwillige personeelsleden kan eindigen door een ontslag van ambtswege krachtens artikel
  24. Ten slotte blijkt verzoeker de opleiding BO1 die hij moest volgen, te kennen (stuk 24 van verzoeker). Het maakt dan ook des te minder een onwettigheid uit dat er geen stuk met betrekking tot die opleiding bij de bestreden beslissing is gevoegd, noch wordt hierdoor ontkracht dat, zoals in de bestreden beslissing wordt overwogen, er op 28 maart 2022 al meer dan 76 opleidingsuren verstreken zijn sinds de start van de opleiding in september
  25. Uit wat voorafgaat, volgt dat het eerste middel in zijn geheel ongegrond is. X-18.147-10/15 X-18.147-11/15 B. Tweede middel Uiteenzetting van verzoeker
  26. Verzoeker leidt een tweede middel af “uit een schending van artikel 302, 4° en artikel 302, 6° van het koninklijk besluit van 19 april 2014 […], een schending van het verbod op machtsoverschrijding en machtsafwending opgenomen in artikel 14 van de gecoördineerde wetten van 12 januari 1973 op de Raad van State, in samenhang met een schending van het gezag van gewijsde van de vernietigingsarresten van de Raad van State, minstens een schending van het redelijkheids-, zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel”. Toegelicht wordt dat de handelwijze van de verwerende partij aantoont dat zij zich niet wenst te conformeren aan het gezag van gewijsde dat verbonden is aan de eerdere schorsings- en vernietigingsarresten van de Raad van State. De ontslagbeslissing gaat voorbij aan de juiste feitelijke en juridische context en aan de juridische en inhoudelijke draagwijdte van het schorsingsarrest nr. 249.020 van 25 november
  27. De verwerende partij dient toch te weten dat er geen wettig ontslag kan worden gegeven aan een personeelslid dat reeds op 4 mei 2020 is ontslagen, “op een ogenblik dat er nog een niet-ingetrokken en niet-vernietigde ontslagbeslissing dd. 4 mei 2020 bestaat, waarvan de tenuitvoerlegging is opgeschort ingevolge het schorsingsarrest nr. 249.020 van de Raad van State dd. 25.11.2020”. Een normaal zorgvuldige en redelijke overheid zou de uitkomst in de vernietigingsprocedure tegen de ontslagbeslissing van 4 mei 2020 hebben afgewacht. Nog volgens verzoeker maakt de verwerende partij zich schuldig aan machtsafwending en streeft zij “in casu geen wettig doel meer na, nu duidelijk is dat nu verzoeker tuchtrechtelijk niets ten laste kan worden gelegd, prima facie evenmin [op] het vlak van de verplichte opleidingen uit het verleden, zij voor de zoveelste keer haar handelswijze aanpast en terugvalt op een andere mogelijkheid van ambtshalve ontslag van artikel 302 dat het operationeel statuut X-18.147-12/15 haar biedt, dat zij dan welbewust verkeerd toepast om verzoeker toch maar en opnieuw te kunnen ontslaan”. Beoordeling
  28. Met de bestreden beslissing ontslaat de verwerende partij verzoeker van ambtswege, met toepassing van artikel 302, eerste lid, 4°, van het koninklijk besluit van 19 april 2014, omdat hij weigert een hem begin 2021 opgelegd opleidingstraject te volgen. Zij gaat hiermee niet in tegen het gezag van gewijsde van de arresten tot vernietiging van de eerdere beslissingen tot ontslag van verzoeker. Deze eerdere beslissingen waren ingegeven door andere feitelijke en juridische motieven. Hun vernietiging staat de bestreden beslissing, die op nieuwe feiten van 2021 en een verschillende rechtsgrond berust, niet in de weg.
  29. Op 28 maart 2022, datum van het thans bestreden ontslag, was de tenuitvoerlegging van de ontslagbeslissing van 4 mei 2020 al sinds zestien maanden geschorst. Noch het zorgvuldigheids-, noch het redelijkheidsbeginsel gebood de verwerende partij eerst de vernietiging van die beslissing af te wachten alvorens tot het bestreden ontslag te mogen besluiten.
  30. Van machtsafwending kan er slechts sprake zijn indien het ongeoorloofde oogmerk het enige doel is. Uit de bespreking van het eerste middel volgt evenwel dat de verwerende partij in de bestreden beslissing niet onterecht geoordeeld heeft dat verzoeker zonder toelating of geldige reden afwezig is gebleven van de opleiding die hij moest presteren, gedurende meer dan zesenzeventig uur, zodat zij op goede grond jegens hem toepassing kon maken van artikel 302, eerste lid, 4°, van het koninklijk besluit van 19 april
  31. De indruk ten slotte, waarvan verzoeker zegt zich niet te kunnen ontdoen, dat de handelwijze van de verwerende partij er uitsluitend op gericht is “om een ongeoorloofd (pecuniair) voordeel te halen uit een situatie waarin X-18.147-13/15 verzoeker door de onrechtmatige handelswijze van zijn werkgever ongewild in terecht is gekomen”, is foutief. Zoals verzoeker al op 14 april 2021 is meegedeeld, is de opleiding die hij moet volgen een dienstopdracht “die vergoed wordt op basis van een normale uurvergoeding”.
  32. Ook het tweede, en laatste, middel wordt verworpen. VI. Onderzoek van de vordering tot schorsing
  33. Een vordering tot schorsing is het accessorium van het beroep tot nietigverklaring van dezelfde beslissing. De hierna uit te spreken verwerping van verzoekers beroep tot nietigverklaring brengt ipso facto dan ook de verwerping van zijn vordering tot schorsing mee. BESLISSING
  34. De Raad van State verwerpt het beroep.
  35. De Raad van State verwerpt de vordering tot schorsing.
  36. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 22 euro en op een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro die verschuldigd is aan de verwerende partij. X-18.147-14/15 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zeventien januari tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Johan Lust, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Silvan De Clercq, griffier. De griffier De voorzitter Silvan De Clercq Johan Lust X-18.147-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.255.511 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.