← België

Arrest 255540 - Voedselveiligheid (FAVV) - 19/01/2023

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 januari 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.255.540 Rolnummer: A. 228663/VII-40589 Zaak: Arrest 255540 - Voedselveiligheid (FAVV) - 19/01/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-01-26 Raadplegingen: 84 - laatst gezien 2026-06-10 08:14 Fiches 1 - 2 Arrest nr 255.540 van 19 januari 2023 Sociale zaken en volksgezondheid - Voedselveiligheid (FAVV) Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 255.540 van 19 januari 2023 in de zaak A. 228.663/VII-40.589 In zake : de BVBA PIT-STOP 2 bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dirk De Keuster kantoor houdend te 2980 Sint-Antonius - Zoersel Handelslei 60 bij wie woonplaats wordt gekozen eveneens bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dirk Van Heuven kantoor houdend te 2600 Antwerpen Cogels Osylei 61 tegen : het FEDERAAL AGENTSCHAP VOOR DE VEILIGHEID VAN DE VOEDSELKETEN (FAVV) bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Rik Depla kantoor houdend te 8310 Sint-Kruis (Brugge) Karel van Manderstraat 123 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 16 juli 2019, strekt tot de nietigverklaring van de “beslissing van het Federaal Agentschap van de Veiligheid van de Voedselketen dd. 23 juli 2019 ‘conform de beslissing van Minister Ducarme van 9 mei 2019 de toelating 1.1. Detailhandel in levensmiddel en de toelating 2.1 Vleeswinkel verkregen met nummer AER/BRU/028577 voor de activiteiten Detailhandelaar - productie en niet-ambulante detailhandel in levensmiddelen (PL29 AC96 PR52) en Slagerij - productie en niet-ambulante detailhandel in levensmiddelen PL9 AC96 PR168) van uw inrichting Pit-Stop 2 met ondernemingsnummer 0543.317.388 en vestigingseenheidsnummer 2.235.990.253 VII-40.589-1/26 gelegen in Vier-Windenstraat 7 te 1080 Sint-Jans-Molenbeek worden ingetrokken”. II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij arrest nr. 245.230 van 24 juli 2019 is de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing ingewilligd en wordt “[o]p verbeurte van een dwangsom van 100.000 euro per dag vanaf de dag volgend op de betekening per fax van dit arrest […] aan de verwerende partij bij wege van voorlopige maatregel verbod opgelegd om op grond van de vaststellingen gedaan bij de controle van 12 juli 2019 door controleur/inpecteur K.V.R. en L.D. een nieuwe beslissing te nemen die ertoe strekt dat de verzoekende partij haar inrichting, Vier-Windenstraat 7 te 1080 Sint-Jans-Molenbeek moet sluiten”. De verwerende partij heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Anja Somers heeft op 26 juli 2022 een verslag opgesteld. De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verzoekende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 1 december 2022. Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. VII-40.589-2/26 Advocaat Anne Duchez, die loco advocaten Dirk De Keuster en Dirk Van Heuven verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Joost Hoste, die loco advocaat Rik Depla verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Anja Somers heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. De verzoekende partij baat een detailhandel uit, enerzijds in (vers) vlees, anderzijds in andere levensmiddelen. Zij beschikt hiertoe over twee toelatingen vanwege de verwerende partij. De verzoekende partij verkoopt halalproducten, die zij invoert via groothandelaars, voornamelijk vanuit het buitenland. Zij bekwam deze toelatingen in de loop van het jaar 2017. 3.2. Na diverse ongunstige controles van de inrichting door de verwerende partij wordt aan de verzoekende partij op 1 maart 2019 de intentie tot intrekking van haar toelatingen overgemaakt, conform artikel 16, § 1, van het koninklijk besluit van 16 januari 2006 ‘tot vaststelling van de nadere regels van de erkenningen, toelatingen en voorafgaande registraties afgeleverd door het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen’ (hierna: koninklijk besluit van 16 januari 2006). 3.3. Conform artikel 16, § 2, van het koninklijk besluit van 16 januari 2006 heeft de verzoekende partij op 8 maart 2019 haar bezwaren geuit, waarbij zij VII-40.589-3/26 tevens gevraagd heeft om te worden gehoord. De verzoekende partij wordt bij monde van haar zaakvoerder gehoord op 18 maart 2019. Er wordt haar medegedeeld dat zij een laatste kans krijgt om corrigerende acties voor te stellen. 3.4. Op 28 maart 2019 vindt een hercontrole plaats. Negen van de twintig willekeurig geselecteerde producten zijn niet of niet afdoende geëtiketteerd. Opnieuw wordt een proces-verbaal van overtreding opgemaakt en worden de niet-conforme producten in beslag genomen. 3.5. De verwerende partij bevestigt op 3 april 2019 de intrekking van de toelating van de verzoekende partij op grond van artikel 16, § 3, van het koninklijk besluit van 16 januari 2006. De verzoekende partij tekent beroep aan bij de beroepscommissie. 3.6. Op 29 april 2019 wordt de verzoekende partij gehoord bij monde van haar twee zaakvoerders. 3.7. De beroepscommissie adviseert de intrekkingsbeslissing te schorsen, zij het onder voorwaarden: “1/ Dat naast eventuele geplande inspecties voorzien in het regulier inspectieplan van het FAVV voor uw vestiging, tevens een door de exploitant te betalen onaangekondigde inspectie van het FAVV wordt uitgevoerd, telkens in het derde en vierde kwartaal van 2019 en in het eerste kwartaal van 2020. 2/ Tijdens deze extra inspecties worden telkens: 2.1. Voor drie willekeurig gekozen voorverpakte producten het etiket volledig gecontroleerd aan de hand van de FAVV-checklist DIS 3352 Levensmiddelen: VERPAKKING EN ETIKETTERING (INCLUSIEF HANDELSNORMEN); VII-40.589-4/26 2.2. Voor zeventien willekeurig gekozen voorverpakte producten (andere producten dan de in punt 2.1 vermelde levensmiddelen) het etiket gecontroleerd op de taal, de vermelding van de allergenen, de houdbaarheidsdatum, het lotnummer zonder gebruik te maken van de checklist DIS 3352; 2.3. Een controle uitgevoerd van de infrastructuur en hygiëne aan de hand van de FAVV-checklist DIS 3309 detailhandel met toelating (zonder verwerking): INFRASTRUCTUUR, INRICHTING EN HYGIENE. 3/ Zodra enig resultaat van de inspecties bedoeld onder 1/ de beoordeling ‘ongunstig’ wordt vastgesteld bij toepassing van enige onder 2.1 en 2.3 opgenomen checklist gestuurde controle of indien minstens 1 van de onder 2.2 genoemde producten het resultaat niet conform is, wordt de intrekking van de toelatingen 1.1. en 2.1 onder nummer AER/BRU/028577 als detailhandel en vleeswinkel definitief. Indien voor of tijdens de voorziene periodes de versies van checklisten aangepast worden, zijn het de nieuwe versies die gehanteerd zullen worden en van tel zijn tijdens deze inspectie. Indien de resultaten van alle inspecties bedoeld onder 1/ voor alle checklisten hernomen onder 2.1 en 2.3 en de onder 2.2 genoemde producten ‘gunstig’ of ‘gunstig met opmerkingen’ beoordeeld worden en al deze controles dus als conform kunnen worden beschouwd, wordt de procedure tot intrekking van de toelating zonder voorwerp per 31 maart 2020”. 3.8. Op 9 mei 2019 beslist de minister het advies van de beroepscommissie integraal te volgen. Deze beslissing concludeert: “Op grond van al het voorgaande en gelet op artikel 16 §5 van het bovenvermelde Koninklijk besluit van 16 januari 2006 beslis ik om de toelating 1.1. Detailhandel in levensmiddel en de toelating 2.1 Vleeswinkel verkregen met nummer AER/BRU/028577 voor de activiteiten Detailhandelaar - productie en niet-ambulante detailhandel in levensmiddelen (PL29 AC96 PR52) en Slagerij - productie en niet-ambulante detailhandel in levensmiddelen (PL9 AC96 PR168) van Pit-Stop 2 met ondernemingsnummer 0543.317.388 en vestigingseenheidsnummer 2.235.990.253 gelegen in Vier-Windenstraat 7 te 1080 Sint-Jans-Molenbeek te behouden onder volgende voorwaarden: 1/ Dat naast eventuele geplande inspecties voorzien in het regulier inspectieplan van het FAVV voor uw vestiging, tevens een door u te betalen onaangekondigde inspectie van het FAVV wordt uitgevoerd, telkens in het derde en vierde kwartaal van 2019 en in het eerste kwartaal van 2020. 2/ Tijdens deze extra inspecties worden telkens: 2.4. Voor drie willekeurig gekozen voorverpakte producten het etiket volledig gecontroleerd aan de hand van de FAVV-checklist DIS 3352 Levensmiddelen: VERPAKKING EN ETIKETTER1NG (INCLUSIEF HANDELSNORMEN); VII-40.589-5/26 2.5. Voor zeventien willekeurig gekozen voorverpakte producten (andere producten dan de in punt 2.1 vermelde levensmiddelen) het etiket gecontroleerd op de taal, de vermelding van de allergenen, de houdbaarheidsdatum, het lotnummer zonder gebruik te maken van de checklist DIS 3352; 2.6. Een controle uitgevoerd van de infrastructuur en hygiëne aan de hand van de FAVV-checklist DIS 3309 detailhandel met toelating (zonder verwerking): INFRASTRUCTUUR, INRICHT1NG EN HYGIENE. 3/ Zodra enig resultaat van de inspecties bedoeld onder 1/ de beoordeling ‘ongunstig’ wordt vastgesteld bij toepassing van enige onder 2.1 en 2.3 opgenomen checklist gestuurde controle of indien voor minstens 1 van de onder 2.2 genoemde producten het resultaat niet conform is, wordt de intrekking van de toelatingen 1.1. en 2.1 onder nummer AER/BRU/028577 als detailhandel en vleeswinkel definitief. Indien voor of tijdens de voorziene periodes de versies van checklisten aangepast worden, zijn het de nieuwe versies die zullen gehanteerd worden en van tel zijn tijdens deze inspectie. Indien de resultaten van alle inspecties bedoeld onder 1/ voor alle checklisten hernomen onder 2.1 en 2.3 en de onder 2.2 genoemde producten ‘gunstig’ of ‘gunstig met opmerkingen’ beoordeeld worden en al deze controles dus als conform kunnen worden beschouwd, wordt de procedure tot intrekking van de toelating zonder voorwerp per 31 maart 2020”. 3.9. Op 12 juli 2019 vindt een onverwachte controle plaats in de inrichting van de verzoekende partij. De controle inzake infrastructuur, inrichting en hygiëne wordt als ‘gunstig met opmerkingen’ beoordeeld. De uitgebreide controle inzake etikettering, die ingevolge de beslissing van de minister moet worden uitgevoerd op drie producten, resulteert ook in de beoordeling ‘gunstig met opmerkingen’. Vervolgens wordt betreffende zeventien producten een ‘quick-scan’ uitgevoerd, waarbij telkens het etiket wordt gecontroleerd op de taal, de vermelding van de allergenen, de houdbaarheidsdatum en het lotnummer. Deze controle is ongunstig voor zeven van de zeventien producten. VII-40.589-6/26 3.10. Op 12 juli 2019 beslist de verwerende partij tot de definitieve intrekking op grond van volgende vermeldingen: VII-40.589-7/26 VII-40.589-8/26 VII-40.589-9/26 3.11. De verzoekende partij tekent tegen de uitvoering van deze beslissing een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid aan, en bij arrest nr. 245.214 van 19 juli 2019 beveelt de Raad van State deze schorsing. 3.12. Na deze schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid beslist de verwerende partij op 23 juli 2019 “conform de beslissing van Minister Ducarme van 9 mei 2019 de toelating 1.1. Detailhandel in levensmiddel en de toelating 2.1 Vleeswinkel verkregen met nummer AER/BRU/028577 voor de activiteiten Detailhandelaar - productie en niet-ambulante detailhandel in levensmiddelen (PL29 AC96 PR52) en Slagerij - productie en niet-ambulante detailhandel in levensmiddelen (PL9 AC96 PR168) van uw inrichting Pit-Stop 2 met ondernemingsnummer 0543.317.388 en vestigingseenheidsnummer 2.235.990.253 gelegen in Vier-Windenstraat 7 te 1080 Sint-Jans-Molenbeek” in te trekken. VII-40.589-10/26 Dit is de bestreden beslissing. IV. Onderzoek van het eerste, het derde en het vierde middel Standpunten van de partijen 4. Het eerste middel wordt genomen uit de schending van het gezag van gewijsde van arrest nr. 245.214 van 19 juli 2019: “9. Uw Raad heeft duidelijk gemaakt dat onvoldoende gemotiveerd werd in de eerste sluitingsbeslissing van de bescheiden inbreuken op de etiketteringsreglementering van die aard zouden dat de sluiting van de inrichting van verzoekende partij redelijk verantwoord was. […] 11. Het zal uw Raad opvallen dat (

  1. a)de geschorste beslissing van 12 juli 2019 niet wordt ingetrokken; (
  2. b)de bestreden beslissing op exact dezelfde documenten gesteund als de eerste, geschorste, sluitingsbeslissing; (
  3. c)geen enkele kruisverwijzing wordt gemaakt naar uw arrest nr. 245.214 van 19 juli 2019; (
  4. c)a forteriori niet wordt ingegaan op de kritische bedenkingen van uw Raad over de ernst van de in het proces-verbaal van 12 juli 2019 vastgestelde inbreuken. Verwerende partij beperkt zich tot enkele algemene beschouwingen over de relatie van voedselveiligheid en etikettering, zonder in concreto duidelijk te maken waar de voedselveiligheid geraakt werd door de vaststellingen van 12 juli 2019. Daardoor heeft verwerende partij het gewijsde van uw schorsingsarrest miskend”. 5. Het derde middel wordt genomen uit de schending van de materiëlemotiveringsplicht en van de zorgvuldigheidsplicht als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De verzoekende partij verwijst naar de controles van 11 en 12 juli en overloopt de vaststellingen. Zij meent in essentie dat de vastgestelde tekortkomingen manifest onvoldoende zwaarwichtig zijn om hiervoor een ongunstige score toe te kennen. Niet elke non-conformiteit kan zomaar leiden tot een ongunstige score of tot een sluiting. VII-40.589-11/26 De bestreden beslissing steunt niet op deugdelijke motieven waardoor de materiëlemotiveringsplicht werd geschonden. Het nader onderzoek van de beweerde non-conformiteiten heeft ook aangetoond dat de controleur van het FAVV niet zorgvuldig is te werk gegaan bij haar onderzoek. Twee van de producten, zijnde nr. 9 ‘Superfresh Puff Pastry’ en 16 ’Laayoune-China Groene thee’ staan onterecht op de lijst als zijnde niet-conform. Er is bovendien geen enkele aanwijzing te vinden over de methode die gehanteerd is voor de steekproef. Er kan niet met zekerheid bepaald worden of de steekproef op een onpartijdige wijze is verlopen. In elk geval is er volgens de verzoekende partij geen deugdelijk motief op basis van de vastgestelde non-conformiteiten om ook de toelating als vleeswinkel/slagerij in te trekken. De discussie over de etikettering slaat volledig op de voorverpakte producten. 6. Het vierde middel wordt genomen uit de schending van het evenredigheidsbeginsel en de formelemotiveringplicht. In een eerste onderdeel wordt uiteengezet dat het FAVV met zijn beslissing tot intrekking het evenredigheidsbeginsel heeft geschonden. De beroepscommissie heeft vastgesteld dat er grote vooruitgang is gemaakt. Ook tijdens de laatste controle waren twee van de drie beoordelingen gunstig. Het aantal inbreuken op de etikettering is ook beperkt. Daarenboven is er geen gevaar voor de voedselveiligheid. De maatregel tot intrekking is dan ook disproportioneel gelet op de zware gevolgen, zijnde de bedrijfssluiting. De intrekking betreft een beveiligingsmaatregel en geen strafmaatregel betreffende de bescherming van de voedselveiligheid. Te dezen is er geen gevaar voor de voedselveiligheid. Er zijn minder verregaande maatregelen die hetzelfde doel bereiken en die minder gevolgen hebben voor de verzoekende partij. VII-40.589-12/26 In een tweede onderdeel wordt uiteengezet dat de bestreden beslissing minstens formeel had moeten motiveren in het licht van de vastgestelde inbreuken waarom een dergelijke verregaande maatregel als een intrekking van de erkenning noodzakelijk is, mede gelet op de afwezigheid van een gevaar voor de voedselveiligheid en de volksgezondheid. De motieven zijn veel te algemeen en houden geen verband met de concrete vaststellingen opgenomen in de processen-verbaal. De betrokken producten zijn conform de verordening 1169/2011 en mogen in gans de Unie verkocht worden. Volgens de verzoekende partij neemt de verwerende partij revanche voor het arrest van 19 juli 2019. In een derde onderdeel wordt aangegeven dat de etiketteringsproblematiek in feite deze is van de leveranciers en dat het aanpakken van een enkele halalwinkel kennelijk onredelijk en onevenwichtig is. In het vierde onderdeel wordt uiteengezet dat de bestreden beslissing in elk geval disproportioneel is ten aanzien van de intrekking van de toelating voor de slagerij/versafdeling. 7. De verwerende partij antwoordt in essentie het volgende. Het eerste middel is ongegrond in het kader van huidig vernietigingsberoep aangezien er slechts een prima facie beoordeling werd gemaakt in het kader van het administratief kortgeding. De verwerende partij meent dat zij gerechtigd is om een nieuwe beslissing te nemen terwijl een eerdere beslissing werd geschorst. Volgens de verwerende partij vormt het geen probleem dat de bestreden beslissing op dezelfde documenten is gebaseerd. Door niet te verwijzen naar het eerdere arrest wordt het gezag van gewijsde niet geschonden. De verwerende partij is geen erkenningsverstrekkende overheid. Zij dient zich bij haar vaststellingen en de gevolgen van haar vaststellingen te beperken tot het doen van vaststellingen zonder dat zij daar enige appreciatiemogelijkheid over heeft; indien inbreuken worden vastgesteld en deze VII-40.589-13/26 vallen binnen de voorwaarden van de ministeriële beslissing dan kan zij enkel vaststellen dat aan de voorwaarden is voldaan om de beslissing in te trekken. In het licht van het schorsingsarrest werden door de verwerende partij de feiten en vaststellingen herbekeken en werd de thans bestreden beslissing genomen. Volgens de verwerende partij was het de bedoeling om bij de bestreden beslissing tegemoet te komen aan de opmerkingen van de Raad van State in het schorsingsarrest. Er werd een bijkomende motivering voorzien waarom de inbreuken nopen tot de intrekking. Voorts zet de verwerende partij uiteen dat de vastgestelde inbreuken een aanwijzing zijn van een onderliggend, lang aanslepend probleem. De verzoekende partij slaagt er niet in om haar etiketteringssysteem op orde te krijgen. Met betrekking tot het derde middel stelt de verwerende partij: “Voorafgaandelijk, wat de opgeworpen schendingen betreft van de materiële motiveringsplicht en de zorgvuldigheidsplicht. Het behoort uiteraard niet aan Uw Raad om dienaangaande zich in de plaats te gaan stellen van het FAVV en een nieuw onderzoek en beoordeling te gaan uitvoeren. Verzoekende partij stelt dat de vastgestelde non-conformiteiten deels onterecht als niet conform zijn aangeduid. Daarenboven stelt zij dat deze non-conformiteiten niet tot een ongunstig resultaat kunnen leiden. Verwerende partij mag allereerst opmerken dat verzoekster het debat tracht te verengen tot de vaststellingen en non-conformiteiten in het laatste missierapport dd. 12.07.2019. De ‘gescande’ producten betreffen slechts willekeurig gekozen producten uit het zeer ruime assortiment (duizenden producten) van verzoekster. Het steeds opnieuw vaststellen van non-conformiteiten inzake etikettering is een symptoom van een diepgaand, structureel probleem. Verzoekster is immers niet in staat om op lange termijn haar etiketteringssysteem op punt te krijgen. Het is net dit probleem dat de beroepscommissie en navolgend de Minister heeft willen aankaarten. Teneinde wat dit betreft garanties te hebben werd dan ook de beslissing genomen om de toelating van verzoekster te behouden, doch onder bepaalde voorwaarden. De beslissing van de Minister dd. 09.05.2019 is duidelijk: 3/ Zodra enig resultaat van de inspecties bedoeld onder 1/ de beoordeling ‘ongunstig’ wordt vastgesteld bij toepassing van enige onder 2.1 en 2.3 VII-40.589-14/26 opgenomen checklist gestuurde controle of indien minstens 1 van de onder 2.2 genoemde producten het resultaat niet conform is, wordt de intrekking van de toelatingen 1.1. en 2.1 onder nummer AER/BRU/028577 als detailhandel en vleeswinkel definitief. Het gaat hierbij aldus niet om ‘ongunstige scores’ zoals verzoekster stelt, doch één non-conformiteit is voldoende om de intrekking definitief te laten worden. Verzoekster geeft in haar verzoekschrift zelf toe dat er sprake is van 4 non-conformiteiten. Aangezien er minstens van één non-conformiteit sprake is, is het middelonderdeel alleen al om die reden niet gegrond. Verwerende partij mag er andermaal op wijzen dat verzoekster geen beroep bij Uw Raad heeft ingesteld tegen de beslissing van de Minister en dat de termijn om dit te doen inmiddels verstreken is. Deze beslissing is aldus definitief en verzoekster wordt geacht hiermee akkoord te zijn gegaan. Het is uiteraard in geen geval die beslissing die thans aan de toetsing van Uw Raad wordt onderworpen. Echter geldt ook opnieuw voor dit derde middel, dat verzoekende partij hiermee wezenlijk de niet bestreden Ministeriële beslissing aanvalt. Zoals ook de auditeur - weze het uiteraard prima facie - oordeelde voor wat betreft de eerste intrekkingsbeslissing, is dit middel bijgevolg niet ontvankelijk. Ten andere, vergist verzoekster zich wanneer zij stelt dat de vastgestelde non conformiteiten niet tot een ongunstige score kunnen leiden. Deze opmerking is niet pertinent. Nogmaals, de Minister legde drie controles op waaronder de controle van de etiketten op 17 willekeurig gekozen voorverpakte producten op taal, vermelding allergenen, houdbaarheidsdatum enz... De Minister bepaalde hierbij uitdrukkelijk dat indien er één niet conform resultaat was de intrekking definitief werd... Welnu, verzoekster erkent zelve meerdere inbreuken, ook thans wederom per verzoekschrift... Wat dient het FAVV alsdan te doen? De beslissing van de Minister naast zich neerleggen en aan verzoekster nog eens een kans geven? Dan miskent zij de beslissing van de Minister... Men zou nog kunnen stellen dat de beslissing van het FAVV als onzorgvuldig, dan wel onredelijk zou zijn indien zij deze zou nemen op basis van één twijfelachtige overtreding... (dan nog uiteraard zou de beslissing terecht zijn) Doch, deze situatie stelt zich op heden niet waar verzoekster zelve erkent meerdere overtreding WEDEROM en OPNIEUW begaan te hebben... Aldus, over of er sprake is van een overtreding is er zelfs geen discussie... Dienvolgens kan het FAVV dan ook niet anders dan beslissen tot intrekking. Zij heeft hieromtrent, wat dit punt betreft, geen enkele beoordelingsmarge waar dit nu éénmaal de beslissing van de Minister is. Beslissing waarmee verzoekster ingestemd heeft.... Uw Raad oordeelde hieromtrent prima facie in het arrest nr. 245.214 van 19.07.2019: ‘In redelijkheid kan evenwel niet worden aangenomen dat eender welke dergelijke onvolkomenheid, ongeacht de ernst of de mogelijke gevolgen VII-40.589-15/26 ervan, blindweg, automatisch, moet aanleiding geven tot de gevolgen die de bestreden beslissing met zich meebrengt. De beslissing van 9 mei 2019 kan in rechte dan ook niet in die zin worden begrepen dat de minste - eventueel zelfs futiele - tekortkoming, bijvoorbeeld op het vlak van vertaling van de vereiste gegevens op een etiket, automatisch tot de definitieve volledige intrekking van de toelatingen voor de detailhandel én de vleeswinkel moet aanleiding geven.’ Verwerende partij kan zich niet vinden in dit standpunt en verzoekt in het kader van de vernietigingsprocedure een heroverweging wat dit betreft. Immers, kan huidig vernietigingsberoep niet remediëren aan het feit dat verzoekster niet is opgekomen tegen de beslissing van de Minister dd. 09.05.2019. De beslissing van de Minister is duidelijk. Het is aan de verwerende partij om deze uit te voeren, hetgeen zij gedaan heeft. Het enige punt dat verzoekster zou kunnen aanvechten, is of er al dan niet sprake is van (een) niet-conformiteit(
  5. en)op het vlak van etikettering. Echter, zij geeft zelf aan dat er sprake is van minstens één niet-conformiteit. Volgens de Ministeriële beslissing volgt aldus de intrekking. De Minister heeft in zijn beslissing geen onderscheid gemaakt naargelang de ‘ernst van de inbreuk’. Het komt niet aan het FAVV toe om dit wel te doen, in weerwil van het hierboven aangehaalde schorsingsarrest. De beslissing van de Minister wordt immers geacht wettig te zijn, totdat het tegendeel wordt beslist. Aangezien de termijn is verstreken om dergelijke vordering in te stellen, is ook de thans bestreden ‘beslissing’ wettig”. De verwerende partij tracht voorts aan te tonen dat de opmerkingen van de verzoekende partij niet correct zijn en besluit dat de non-conformiteiten alle terecht zijn. Met betrekking tot het vierde middel antwoordt de verwerende partij: “Opnieuw dient verwerende partij te benadrukken dat het evenredigheidsbeginsel en de formele motiveringsplicht terzake niet van toepassing zijn; Verzoekende partij mag dienaangaande verwijzen naar haar argumentatie onder het tweede middel waaruit blijkt dat verwerende partij in casu geen beslissingsmacht had en louter voorzag in de uitvoering van een eerder genomen, en niet bestreden beslissing, van minister Ducarme. Inderdaad, het FAVV had en heeft dan ook geen appreciatiemarge meer betreffende de te nemen maatregel. Zij heeft in wezen enkel nog appreciatie betreffende het al dan niet bestaan van een eventuele overtreding doch deze worden in dezer tevens niet meer betwist door verzoekende partij. Van zodra er dan ook een overtreding vaststaat dient het FAVV de erkenningen in te trekken. Anders schendt zij zelve de beslissing van de Minister. VII-40.589-16/26 De beginselen van behoorlijk bestuur zijn aldus enkel van toepassing op de beslissing van minister Ducarme die aan verzoekende partij werd betekend in datum van 09.05.2019, doch die in het kader van huidig beroep niet ter discussie kunnen worden gesteld. In het licht van deze zienswijze diende en kòn verwerende partij, bij haar vaststelling dat de intrekking van de erkenning definitief was geworden, dan ook geen afweging meer maken op vlak van evenredigheid. Verwerende partij maakt terzake eenvoudigweg geen beoordeling of de vaststelling van verschillende non-conformiteiten op vlak van etikettering en de mededeling van allergeneninformatie in proportie is tot de sluiting van de inrichting. Verwerende partij kon enkel de vastgestelde procedure, zoals uiteengezet in de beslissing van minister Ducarme, volgen en diende dan ook in geval van enige non[-]conformiteit de definitieve intrekking van de toelating als detailhandel en vleeswinkel vast te stellen. De beslissing van minister Ducarme vermeldde dienaangaande als volgt: ‘Zodra enige resultaat van de inspecties bedoeld onder 1/ de beoordeling ‘ongunstig’ wordt vastgesteld bij toepassing van enige onder 2.1 en 2.3 opgenomen checklist gestuurde controle of indien voor minstens 1 van de onder 2.2 genoemde producten het resultaat niet conform is, wordt de intrekking van de toelatingen 1.1 en 2.1 onder nummer AER/BRU/028577 als detailhandel en vleeswinkel definitief’ De niet conforme resultaten zijn er, de beslissing dient dan ook gevolgd te worden. Van een schending van het evenredigheidsbeginsel is dan ook geen sprake, noch kan er sprake zijn van een schending van de formele motiveringsplicht waar in wezen een louter verwijzen naar de eerder genomen beslissing van minister Ducarme dd. 9.05.2019 en de vastgestelde overtredingen hierop volstaat ter motivering. Wanneer dan ook verzoekende partij opnieuw de formele motivering ter discussie stelt waarbij volgens haar uitdrukkelijk diende te worden gemotiveerd waarom een dergelijke verregaande maatregel in het licht van de vastgestelde inbreuken verantwoord is, stelt zij opnieuw enkel en alleen de beslissing van minister Ducarme dd. 9.05.2019 aan de kaak, dewelke niet de thans bestreden beslissing is... Het [vierde] middel is bijgevolg tevens niet ontvankelijk. […] In Uw arrest van 19.07.2019 (schorsingsprocedure eerste beslissing) mocht zoals reeds gesteld Uw Raad dit derde en vierde middel, toen in de procedure tweede en derde middel, oordelen dat deze in de volgende mate ernstig waren: […] Uw Raad stelde dan ook in wezen dat er wel degelijk sprake was van overtredingen op de (niet bestreden) beslissing van de Minister doch, met de verzoekende partij, werden deze overtredingen gerelativeerd naar overtredingen op de regelgeving inzake vertaling en werd hieromtrent gesteld dat de beslissing van de Minister van 09.05.2019 niet kan worden begrepen dat de minste tekortkoming, bijv. op het vlak van vertaling, leidt tot de automatische intrekking en dan ook verwerende partij moest formeel motiveren waarom de weerhouden tekortkomingen tot deze zware gevolgen VII-40.589-17/26 moest leiden. Uw Raad stelde dan ook in wezen louter een probleem van formele motivering vast van de aldaar bestreden beslissing. Inderdaad, de overtreding op de beslissing van de Minister werden erkend en betreffende de evenredigheid en redelijkheid werd enkel gesteld dat het FAVV moest motiveren waarom de overtredingen de intrekking verantwoorden. Betreffende dit laatste, waarmee het FAVV in wezen niet akkoord kan gaan. Uw Raad stelde in wezen dus - prima facie uiteraard - dat het FAVV wel degelijk nog appreciatiemarge had om te oordelen welk gevolg zij verbindt aan de vastgestelde overtredingen hetwelk het FAVV wel betwist. Immers en nogmaals, men dient de beslissing van de Minister van 09.05.2019 en de ‘beslissing’ van het FAVV uiteraard te bekijken in het licht van de vele voorgaanden in dezer waar reeds jaar en dag dergelijke overtredingen vastgesteld zijn geweest bij verzoekende partij. En dewelke door verzoekende partij erkend zijn geweest en waaromtrent zij steeds stelde deze te kunnen remediëren hetwelk niet het geval bleek te zijn. Verzoekende partij heeft dan ook reeds diverse kansen gekregen om zich, net zoals iedere andere operator, te conformeren aan de regelgeving doch slaagt hier kennelijk niet in... Het zijn dan ook geen ‘futiele’ tekortkomingen dewelke vastgesteld zijn geweest, het betreffen tekortkomingen die voor de zoveelste keer wederom vastgesteld worden en die door de Minister als ultieme en laatste voorwaarde gesteld werden teneinde aan verzoekster alsnog de kans te geven haar erkenningen te behouden. Merk overigens op dat tegen deze voorwaarden, die tevens voorgesteld werden door de Beroepscommissie, in wezen nimmer bezwaar werd aangetekend door verzoekster. Verzoekster weet en wist dus dat zij aan deze voorwaarde onderworpen was. Nu, in het licht van dit schorsingsarrest werd door het FAVV de feiten en vaststellingen herbekeken en werd de thans bestreden beslissing van 23.07.19 genomen. Deze motiveert thans als volgt de intrekking: [...] Het FAVV komt aldus thans wel degelijk tegemoet aan de opmerkingen van Uw Raad per schorsingsarrest en motiveert thans waarom de overtredingen, die in wezen niet betwist worden door Uw Raad en verzoekende partij, dienen te leiden tot de intrekking. (Let wel: verwerende partij is thans van oordeel dat zij eigenlijk niet hoeft te motiveren waarom zij tot intrekking overgaat, nu dit automatisch volgt uit de niet-bestreden ministeriële beslissing dd. 09.05.2019.) Verwezen wordt wat dat betreft naar de voorgaanden, naar uiteraard de beslissing van de Minister en de hierin gestelde voorwaarden én bijkomend wordt een motivering verschaft - zoals geëist door Uw Raad - waarom de vastgestelde overtredingen dienen te nopen tot de intrekking. Volgens verzoekende partij zou deze motivering te ‘algemeen’ zijn en geen verband houden met de concrete vaststellingen van 12.07.2019 en de reële effecten op de volksgezondheid... Zij zou ook de inspanningen van verzoekende partij negeren en de verantwoordelijkheden tegenover de producenten en de leveranciers onverlet VII-40.589-18/26 laten... Betreffende deze motivering. Verwerende partij ziet werkelijk niet in hoe en op welke wijze deze motivering dan te ‘algemeen’ zou zijn. De verzuchtingen van Uw Raad betroffen het feit dat het FAVV niet zou aanduiden waarom de beslissing tot intrekking diende genomen te worden. Welnu, thans wordt formeel gemotiveerd waarom de vaststellingen en overtreding nopen tot de intrekking. Er is vooreerst de beslissing van de Minister dewelke een ‘zero tolerantie’ aangaande overtredingen bepaalde en er wordt thans wel degelijk uiteengezet waarom de overtredingen inbreuken betreffen op de volksgezondheid en welke het belang is van de etikettering en voedingslabels. Uiteraard betreft dit een reden tot intrekking, hetgeen ook nimmer door verzoekster betwist is geweest en zoals tevens uiteengezet onder het tweede middel. Het FAVV moet dan ook geen rekening meer houden met de inspanningen van verzoekster, de Minister had hiermede reeds rekening gehouden, precies daarom werd de beslissing onder voorwaarden genomen. Zij dient tevens geen rekening te houden met de verantwoordelijkheden van andere producenten en leveranciers. Immers, verzoekster is uiteraard verantwoordelijk voor de zaken dewelke zij aanbiedt en dient ervoor te zorgen dat deze zaken conform zijn op alle gebieden. Verwerende partij mag wat dat betreft terug verwijzen naar artikel 1, punt 3 van de Europese Verordening nr. 1169/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 betreffende de verstrekking van voedselinformatie aan consumenten alle criteria vast op vlak van etikettering, het volgende bepaalt: 1. Deze verordening is van toepassing op exploitanten van levensmiddelenbedrijven in alle schakels van de voedselketen wier activiteiten de verstrekking van voedselinformatie aan de consumenten betreffen. Zij is van toepassing op alle voor de eindverbruiker bestemde levensmiddelen, inclusief door grote cateraars geleverde levensmiddelen, en op voor levering aan grote cateraars bestemde levensmiddelen. De redenering als zou de sluiting van een enkele halalwinkel niet zijn verantwoord zonder dat ook de leverancier wordt houdt helemaal geen steek. Daarenboven worden door verwerende partij stelselmatig controles verricht naar de conformiteit met de regelgeving inzake voedselveiligheid in alle inrichtingen die aan haar controle zijn onderworpen. Indien zich non-conformiteiten voordoen bij leveranciers van verzoekende partij zullen door verwerende partij ook ten aanzien van deze inrichtingen gepaste maatregelen worden getroffen. Laat het duidelijk zijn dat dit gegeven geen verschoning kan betekenen in hoofde van verzoekende partij die evident zelf verantwoordelijk is voor de producten die [zij] aan de consument aanbiedt. Overigens, betreffende het feit als zou verwerende partij thans wel voorhouden dat er sprake is van een gevaar voor de volksgezondheid terwijl zij dit per advies van de beroepscommissie niet stelde... Verzoekster dient het verslag en advies van de beroepscommissie correct te lezen. VII-40.589-19/26 De beroepscommissie stelt dat er geen direct en onmiddellijk gevaar is gezien de inspanningen van verzoekster, gezien het gewijzigde aankoopbeleid en gezien het feit dat men van start was gegaan met het verwijderen van de niet conforme producten. Doch tezelfdertijd mocht de beroepscommissie tevens verzoekster waarschuwen dat deze aldus ‘continue’ van aard moet zijn en er aldus geen overtredingen meer vast te stellen zijn... Dit bleek aldus niet het geval te zijn. […] Verzoekende partij werpt ten andere op dat de niet-conforme producten toch perfect in overeenstemming zouden zijn met de etiketteringsvoorschriften gesteld door Vo. 1169/2011. Dit is nochtans niet het geval. In de eerste plaats kan verwerende partij verwijzen naar hetgeen uiteengezet is onder randnummer 30, waar verwerende partij repliceert op de feitelijke kritiek van verzoekster en zij tevens verwijst naar artikel 9, 1, 1) Vo. 1169/2011. Verder dient verwerende partij te wijzen op artikel 15 Vo. 1169/2011, dat in haar eerste lid inderdaad stelt dat de verplichte vermeldingen op het etiket in een voor de consument begrijpbare taal moeten worden opgesteld. Echter, het is nogal logisch dat in het tweetalig gebied Brussel de vermeldingen zowel in het Nederlands als in het Frans dienen te staan. Het tweede lid van artikel 15 Vo. 1169/2011 bepaalt immers: ‘2. De lidstaten waar een levensmiddel in de handel wordt gebracht, kunnen eisen dat op hun grondgebied voor de vermeldingen op de etikettering gebruik wordt gemaakt van één of meer talen die tot de officiële talen van de Unie behoren.’ Verder bepaalt het laatste lid van voormeld artikel nog dat de leden 1 en 2 geen beletstel vormen voor het aanbrengen van vermeldingen in meer dan één taal. Wat dit betreft vereist in België artikel 8, §1 van de Wet van 24 januari 1977 betreffende de bescherming van de gezondheid van de gebruikers op het stuk van de voedingsmiddelen en andere produkten: ‘De gegevens die op het etiket voorkomen en die dwingend zijn voorgeschreven in uitvoering van deze wet, zijn minstens gesteld in de taal of de talen van het taalgebied waar de produkten op de markt worden aangeboden.’ Uiteraard worden de dwingende voorschriften inzake etikettering thans opgelegd door Vo. 1169/2011. Bijgevolg zijn de producten niet in overeenstemming met voornoemde Europese verordening. Ten slotte betreft deze kritiek in wezen opnieuw kritiek op de beslissing van de Minister dd. 09.05.2019. Lopende de intrekkingsprocedure heeft verzoekende partij nooit opgeworpen als zouden dergelijke taalvoorschriften in feite niet nodig zijn. […] Volgens het vierde onderdeel van het vierde middel zou in elk geval de intrekking van de toelating van de slagerij/versafdeling als disproportioneel zijn aan te merken ten aanzien van de vastgestelde inbreuken. Verwerende partij kan terzake enkel stellen dat het de beslissing van de VII-40.589-20/26 Minister betrof die de intrekking van de toelating als detailhandel en als vleeswinkel definitief zou maken bij vaststelling van ‘enige’ onregelmatigheid. Ook op dit vlak had verwerende partij terzake geen enkele beoordelingsbevoegdheid”. 8. In haar memorie van wederantwoord zet de verzoekende partij nog uiteen dat zolang er geen definitief vernietigingsarrest is, het gezag van gewijsde van het schorsingsarrest geschonden is aangezien de motivering omtrent de ernst van de vastgestelde inbreuken en de opgelegde maatregel ontbreekt. Met betrekking tot het derde middel repliceert de verzoekende partij dat de verwerende partij wel degelijk over appreciatiebevoegdheid beschikt met betrekking tot het resultaat. Met betrekking tot het vierde middel voegt de verzoekende partij toe dat bijkomend dient te worden vastgesteld dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord bevestigt dat de producten wel degelijk in overeenstemming zijn met de Europese Verordening 1169/2011. Hierbij is de redenering van verwerende partij dat het “nogal logisch” zou zijn dat in het tweetalig gebied Brussel de vermeldingen zowel in het Nederlands als in het Frans worden vermeld irrelevant. De Verordening 1169/2011 stelt immers uitdrukkelijk in artikel 15 dat de vermeldingen op het etiket in een voor de consument begrijpbare taal dient te zijn. Artikel 15, tweede lid, verwijst bijkomend naar de mogelijkheid voor lidstaten om te eisen dat gebruik wordt gemaakt van één of meer talen waarbij het derde lid van artikel 15 ten slotte stelt dat er geen beletsel vormen voor het aanbrengen van vermeldingen in meer dan één taal. Hieruit volgt dan ook dat één begrijpbare taal voor de consument wel degelijk afdoende is. De producten zijn dan ook in overeenstemming met Verordening 1169/2011. Beoordeling 9. In het tussenarrest nr. 245.230 van 24 juli 2019 werden de middelen als volgt beoordeeld: VII-40.589-21/26 “11. Prima facie dient te worden vastgesteld dat de in deze zaak bestreden beslissing terug volledig gesteund is op de vaststellingen die tot de met het arrest nr. 245.214 in zijn uitvoering geschorste beslissing van 12 juli 2019 hebben geleid. Evenwel wordt in de thans bestreden beslissing ook nog het volgende vermeld: ‘Echter is bij de controle van 12 juli 2019 gebleken dat de bij de controle van het tweede hierboven vermelde punt de etikettering nog steeds niet in orde is. Tijdens een steekproefsgewijze controle werden opnieuw tal van non-conformiteiten vastgesteld inzake de taal van etikettering, het niet correct weergeven van de allergeneninformatie en het ontbreken van tal van verplichte vermeldingen. Het belang van voedingslabels mag nochtans niet onderschat worden, vooral als het gaat om allergieën en voedselintoleranties. Consumenten moeten precies weten wat een voedingsproduct bevat om een weloverwogen aankoopbeslissing te kunnen nemen. En deze nieuwe vaststellingen tonen nogmaals aan dat u deze materie niet beheerst en ons dus onmogelijk een garantie kan bieden over de exacte inhoud en samenstelling van alle door u verkochte producten in gans uw inrichting en dit was nochtans een essentiële eis van de Minister. Dit zorgt voor een reëel en ernstig gevaar voor de gezondheid van al uw klanten, die zich onmogelijk kunnen baseren op de door u aangeleverde etiketten. Vanuit Europees niveau wordt enorm veel belang gehecht aan de verwezenlijking van een hoog niveau van consumentenbescherming. Het vrije verkeer van veilig en gezond voedsel is immers een wezenlijk aspect van de interne markt en levert een aanzienlijk bijdrage tot de gezondheid en het welzijn van de burgers en hun sociale en economische belangen. Om een hoog niveau van bescherming van de gezondheid van de consumenten te bereiken en hun recht op informatie te waarborgen, moet ervoor worden gezorgd dat de consumenten de nodige informatie krijgen over de levensmiddelen die zij consumeren.’ 12. In het arrest nr. 245.214 werd het volgende gewezen: ‘16. het wordt niet betwist dat op het vlak van de etikettering in de zgn. quickscan van 17 producten, bij de controle van 12 juli 2019 een aantal onvolkomenheden werden vastgesteld. Hierover ter zitting ondervraagd bevestigt de verwerende partij de vaststelling door de verzoekende partij, die ook prima facie blijkt uit de bestreden beslissing, dat deze onvolkomenheden in wezen uitsluitend betrekking hebben op een gebrekkige vertaling, soms in het Nederlands, vaker in het Frans, van een aantal vermeldingen die in de andere taal wel op het desbetreffende etiket voorkomen. Bovendien bevestigt de verwerende partij ook in haar nota, dat de controle van 12 juli 2019 ‘inzake infrastructuur, inrichting en hygiëne’ als gunstig met opmerkingen werd beschouwd. Bovendien wordt zelfs vastgesteld dat de ‘uitgebreide controle inzake etikettering, die […] moet worden uitgevoerd op drie producten’, ook resulteerde in de beoordeling ‘gunstig met opmerkingen’. 17. Met de verzoekende partij wordt vastgesteld dat, naar de letter, één van de in de ‘quickscan van zeventien producten’ weerhouden onvolkomenheden op het vlak van de etikettering, zelfs wanneer die enkel betrekking heeft op ‘de taal’, blijkens de libellering van de beslissing van 9 mei 2019, volstaat VII-40.589-22/26 om de erkenning definitief in te trekken zowel voor de detailhandel als voor de ‘vleeswinkel’. 18. In redelijkheid kan evenwel niet worden aangenomen dat eender welke dergelijke onvolkomenheid, ongeacht de ernst of de mogelijke gevolgen ervan, blindweg, automatisch, moet aanleiding geven tot de gevolgen die de bestreden beslissing met zich meebrengt. De beslissing van 9 mei 2019 kan in rechte dan ook niet in die zin worden begrepen dat de minste - eventueel zelfs futiele - tekortkoming, bijvoorbeeld op het vlak van vertaling van de vereiste gegevens op een etiket, automatisch tot de definitieve volledige intrekking van toelatingen voor de detailhandel en de vleeswinkel moet aanleiding geven. Er wordt in dit verband zelfs niet aangevoerd door de verwerende partij dat de weerhouden onvolkomenheden slaan op de inhoud zelf van de vermelding. Toegegeven wordt dat het in casu steeds gaat om onvolledige of gebrekkige vertalingen. 19. Het valt dan ook nauwelijks in te zien, en minstens had de verwerende partij derhalve formeel moeten motiveren, waarom de weerhouden tekortkomingen in redelijkheid tot dergelijke zware gevolgen moesten leiden, nu de verwerende partij tegelijk ook vaststelt dat de - onverwachte - controle van 12 juli 2019 ‘inzake infrastructuur, inrichting en hygiëne … als ‘gunstig met opmerkingen (werd) beschouwd’, en zelfs dat de ‘uitgebreide controle inzake etikettering die … moet worden uitgevoerd op drie producten (ook) resulteerde … in de beoordeling ‘gunstig met opmerkingen’. 20. De middelen zijn in de hierboven besproken mate dan ook ernstig.’ 13. De thans bestreden beslissing beoogt blijkbaar tegemoet te komen aan de kritiek die in het arrest 245.214 werd geuit ten aanzien van de formele motivering van de opgelegde maatregel. Met de verzoekende partij dient echter te worden vastgesteld dat de hierboven geciteerde passages uit de bestreden beslissing niet meer dan een zeer algemene herinnering bevatten aan de ratio legis van de bestaande regelgeving op het vlak van de etikettering. Inhoudelijk wordt in deze motivering nergens ingegaan op de op dat vlak concreet vastgestelde inbreuken en met name op de ernst ervan. Die bijkomende motivering blijft uitgaan van de stelling dat, gelet op de eerdere beslissing van 9 mei 2019, eender welke inbreuk met betrekking tot de etikettering, hoe miniem ook, noodzakelijkerwijze tot de sluiting van de hele inrichting van de verzoekende partij moet leiden. Dit werd in het arrest 245.214 als een onredelijke interpretatie van die beslissing beschouwd. Bovendien staat het thans geformuleerde motief dat de vastgestelde inbreuken zorgen ‘voor een reëel en ernstig gevaar voor de gezondheid van al uw klanten, die zich onmogelijk kunnen baseren op de door u aangeleverde etiketten’ op zeer gespannen voet met de overige vaststellingen naar aanleiding van de controle van 12 juli 2019 waar ‘inzake infrastructuur, inrichting en hygiëne’ de inrichting van de verzoekende partij als ‘gunstig met opmerkingen’ werd beschouwd, en zelfs, op het vlak van de labels, dat “de uitgebreide controle inzake etikettering die … moet worden uitgevoerd op drie producten, (ook) resulteerde … in de beoordeling ‘gunstig met opmerkingen’. Een en ander klemt nog meer nu zich wat allergenen betreft, waarvan in VII-40.589-23/26 bijkomende motivering ook gewag wordt gemaakt, prima facie geen problemen stellen in de inrichting van de verzoekende partij. De enige non-conformiteit die daaromtrent werd vastgesteld bij de controle van 12 juli 2019 had betrekking op de zogenaamde ‘Marakesh’-gebakjes. Maar daarvan stelt de verwerende partij zelf wat volgt: ‘Op moment van controle heeft de operator de etiketten aangepast. Dit product is op 12/07/2019 vrijgegeven.’ Ook uit dit oogpunt lijkt het ‘reëel en ernstig gevaar voor de gezondheid’ van de klanten van de supermarkt van de verzoekende partij allerminst aangetoond. Een en ander lijkt nog te worden bevestigd door de beroepscommissie ingericht bij de verwerende partij, in haar advies van 29 april 2019, én door de bevoegde minister in zijn beslissing van 9 mei 2019 welke aangeven ‘op basis van de elementen in het dossier’ van oordeel te zijn ‘dat er geen direct en onmiddellijk gevaar bestaat voor de voedselketen’. Voor het overige beogen de argumenten van de verwerende partij in wezen kritiek op ‘s Raads arrest nr. 245.214, dat evenwel gezag van gewijsde heeft wat de ernst van de er in behandelde middelen betreft. De middelen zijn in de hierboven besproken mate ernstig”. 10. De schorsing van de tenuitvoerlegging van een beslissing door de Raad van State belet de overheid niet de aangelegenheid opnieuw te onderzoeken en een nieuwe beslissing te nemen vooraleer een uitspraak over de grond van de zaak is tussengekomen. Het gezag van gewijsde van het schorsingsarrest verplicht er haar wel toe bij het heroverwegen van de zaak acht te slaan op de motieven die bij de Raad van State tot het schorsingsbesluit hebben geleid. De verwerende partij heeft zich op dezelfde gegevens gebaseerd om opnieuw de toelating in te trekken. De Raad van State had echter in het schorsingsarrest geoordeeld dat de weerhouden tekortkomingen niet automatisch aanleiding kunnen geven tot de gevolgen van de bestreden beslissing, minstens dat de verwerende partij dit formeel had moeten motiveren. Hoewel de verwerende partij tracht tegemoet te komen door een motivering weer te geven, oordeelde de Raad van State dat deze slechts een zeer algemene herinnering bevatten aan de ratio legis van de bestaande regelgeving op het vlak van etikettering. De motivering blijft ervan uitgaan dat eender welke inbreuk met betrekking tot de etikettering noodzakelijkerwijze tot de sluiting van de algehele inrichting moet leiden. In dit opzicht houdt de verwerende partij geen rekening met de motieven die bij de Raad van State tot het schorsingsbesluit hebben geleid. VII-40.589-24/26 De verwerende partij voert geen elementen aan die ertoe zouden leiden om de aangevoerde middelen anders te beoordelen. De middelen zijn in de aangegeven mate gegrond. BESLISSING 1. De Raad van State vernietigt de “beslissing van het Federaal Agentschap van de Veiligheid van de Voedselketen dd. 23 juli 2019 ‘conform de beslissing van Minister Ducarme van 9 mei 2019 de toelating 1.1. Detailhandel in levensmiddel en de toelating 2.1 Vleeswinkel verkregen met nummer AER/BRU/028577 voor de activiteiten Detailhandelaar - productie en niet- ambulante detailhandel in levensmiddelen (PL29 AC96 PR52) en Slagerij - productie en niet-ambulante detailhandel in levensmiddelen PL9 AC96 PR168) van uw inrichting Pit-Stop 2 met ondernemingsnummer 0543.317.388 en vestigingseenheidsnummer 2.235.990.253 gelegen in Vier-Windenstraat 7 te 1080 Sint-Jans-Molenbeek worden ingetrokken’” 2. Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. 3. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid en het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro, een bijdrage van 40 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 840 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partij. VII-40.589-25/26 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negentien januari tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Carlo Adams VII-40.589-26/26 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.255.540 Gerelateerde publicatie(
  6. s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.230 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.