id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 januari 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:202
§ 2
van het KB van 16 januari 2006 tot vaststelling van de nadere regels van de erkenningen, toelatingen en voorafgaande registraties afgeleverd door het Federaal Agentschap voor Veiligheid van de Voedselketen […]. B) De beslissing van 5 oktober 2018 met als kenmerk CONT/DIS/ACH/nr. 1539078 houdende kennisgeving van de intentie tot weigering van de door verzoeker gevraagde toelating voor zijn inrichting conform artikel 4§3 van het KB van 16 januari 2006, in toepassing van artikel 13§ 1 van het KB van 16 januari 2006 tot vaststelling van de nadere regels van de erkenningen, de toelatingen en voorafgaande registraties afgeleverd door het Federaal Agentschap voor Veiligheid van de Voedselketen […].” VII-40.485-1/15 II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Anja Somers heeft op 19 mei 2022 een verslag opgesteld. De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 1 december
- Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Saskia Beeckmans, die verschijnt voor verzoeker en advocaat Joost Hoste, die loco advocaat Rik Depla verschijnt voor de verwerende partij zijn gehoord. Eerste auditeur Anja Somers heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoeker is gepensioneerd beenhouwer. Naar aanleiding van een klacht van FOD Economie betreffende illegale verkoop van vlees op het adres van verzoeker en het verzorgen van VII-40.485-2/15 eetfestijnen zonder correcte toelating bij het FAVV, vindt er op 15 maart 2018 een controle plaats. 3.
- Verzoeker weigert zijn medewerking. Artikel 3, §7, van het koninklijk besluit van 22 februari 2001 houdende organisatie van de controles die worden verricht door het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen en tot wijziging van diverse wettelijke bepalingen bepaalt: “Verzet tegen bezoeken, controles, inbeslagnemingen, monsternemingen of verzoeken om inlichtingen of documenten door de in § 1 bedoelde personen, of het verstrekken van kennelijk onjuiste inlichtingen of documenten, wordt gestraft met een gevangenisstraf van acht dagen tot drie maand en met een geldboete van honderd tot duizend euro of met één van deze straffen alleen”. 3.
- Op 1 juni 2018 vindt een nieuwe controle plaats. Er worden documenten in beslag genomen en er worden toestellen en kasten verzegeld. 3.
- Verzoeker wordt op 26 juli 2018 verhoord. 3.
- Op 14 augustus 2018 dient hij een aanvraag voor een registratie, en voor een toelating en/of erkenning in met als activiteit vleeswinkel en detailhandel in levensmiddelen met als activiteiten andere gemeenschapskeuken en traiteur. 3.
- Op 5 oktober 2018 brengt de verwerende partij verzoeker op de hoogte van haar intentie om de toelating te weigeren: “Sinds 15 maart 2018 werden in uw inrichting verschillende inbreuken vastgesteld. De inbreuken werden opgenomen in volgende processen- verbaal (PV), waarvan u een afschrift ontving: - PV nummer PV/2532/18/0030/OVB van 15/04/2018 - PV nummer PV/2716/18/0071/NOE van 14/08/2018 Het FAVV heeft op 1 juni 2018 een controle uitgevoerd in uw inrichting. Tijdens deze controle werden overtredingen vastgesteld ten opzichte van de voorwaarden opgenomen in de reglementaire bepalingen. Ten gevolge van de gedane vaststellingen werd op 14 augustus 2018 een proces-verbaal VII-40.485-3/15 opgemaakt met nummer PV/2716/18/0071/NOE. Tijdens deze controle werden de verschillende aanwezige toestellen en messen verzegeld. De procureur des Konings van Dendermonde heeft beslist het beslag van de verschillende toestellen niet vrij te geven in het kader van het strafrechtelijk onderzoek met notitienummer DE.62.97 1528/
- Gelet op het feit dat de uitrusting onder verzegeling staat, verkeert het FAVV in de onmogelijkheid om de naleving van de wettelijke bepalingen en reglementeringen en/of van de Europese reglementeringen te onderzoeken en bijgevolg de veiligheid van de voedselketen te garanderen. In deze omstandigheden, na administratief onderzoek conform de bepalingen n artikel 4 § 3 van het bovenvermeld KB van 16 januari 2006 in toepassing van artikel 13 §1 van het bovenvermelde KV van 16 januari 2006, heb ik de intentie tot weigering van de gevraagde toelating voor uw inrichting”. Dit is de bestreden beslissing sub B) van het verzoekschrift. 3.
- De raadsman van verzoeker brengt de verwerende partij ervan op de hoogte dat verzoeker nieuwe toestellen zal aanschaffen en dat een controle mogelijk is vanaf november. 3.
- Op 9 november 2018 vindt een controle plaats. In het proces- verbaal PV/2532/18/0095/OVB worden volgende vaststellingen opgesomd: ● Een nieuwe productieruimte waarvan de infrastructuur voldoet aan de algemene en specifieke eisen opgenomen in de reglementaire bepalingen, er ontbreekt een deur van de productieruimte naar de garage toe. ● Er hangen 2 affiches uit van aangekondigde eetfestijnen. ● Een recent gereinigde gehaktmolen en kommen in de nieuwe productieruimte. ● Aanwezigheid van rode kunststoffen vleesstapelbakken in de nieuwe productieruimte. ● In de productieruimte staat een elektrische weegschaal in werking. ● Aanwezigheid van enkele isomo dozen van ISPC, één ervan is geëtiketteerd met “leverdatum 21/09/2018”. ● Een gasbekken in de garage waar een gasfles is op aangesloten. ● Twee recent gebruikte friteuses in de garage. VII-40.485-4/15 ● Een verpakking met 2,5 kg “chiconettes”. ● Grote hoeveelheden artisanaal ingevroren vacuüm verpakt vlees in drie staande diepvriezers. 3.
- Op 5 december 2018 weigert de verwerende partij de toelating voor verzoekers inrichting. De beslissing is als volgt gemotiveerd: “In toepassing van het Koninklijk Besluit (KB) van 16 januari 2006 tot vaststelling van de nadere regels van de erkenningen, toelatingen en voorafgaande registraties afgeleverd door het Federale Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen (FAVV), heeft u op 14 augustus 2018 een aanvraag ingediend voor een toelating voor uw inrichting Lootens André met vestigingseenheidsnummer 2.186.669.911 gelegen Grote Snijdersstraat 2 te 9280 Lebbeke als vleeswinkel (toelating 2.1) met als activiteit: - vleeswinkel (PL9 AC96 PR168) En als detailhandel in levensmiddelen (toelating 1.1) met als activiteiten: - andere g[e]meenschapskeuken (PL6 AC66 PR152) - traiteur (PL83 AC66 PR152) Op 5 oktober 2018 deelde ik u mijn intentie tot weigering van uw toelating mee van bovenvermelde vestigingseenheid en u beschikte over een termijn van 30 dagen na de kennisgeving van dat schrijven om tegemoet te komen aan de redenen van de weigering. U heeft in uw schrijven van 24 oktober 2018 verbeteringen (aankoop van nieuwe toestellen) voorgesteld. Het FAVV heeft op 9 november 2018 een controle uitgevoerd teneinde na te gaan of de voorgestelde verbeteringen werden nagekomen voor uw inrichting. Ten gevolge van de gedane vaststellingen werd op 27 november 2018 een proces-verbaal van vaststelling opgemaakt met nummer PV/2535/18/0095/OVB alsook een proces-verbaal zegelverbreking PV/2532/18/0093/OVB, dat overgemaakt werd aan het Parket. Tevens werden deze feiten opgenomen in het missierapport van 9 november 2018, waarvan u een afschrift ontving en waarin u uw eventuele bemerkingen kon meedelen. Volgende inbreuken werden vastgesteld: Op 9 november 2018 werd vastgesteld dat van volgende toestellen en kasten de zegels verbroken werden: De oven in de keuken welke verzegeld was met verzegelstrip. De snijmachine welke verzegeld was met verzegelstrip. De kruidenkast in de garage welke verzegeld was met rode tape. Tevens werd vastgesteld dat de beschreven toestellen in gebruik genomen werden. Deze feiten zijn een inbreuk op het strafwetboek van 8 juni 1867, artikel 284, dat bepaalt: ‘Hij die opzettelijke zegels verbreekt, wordt gestraft met een gevangenisstraf van zes maanden tot twee jaar, en indien het de bewaarder zelf is of de openbare ambtenaar die de verzegeling heeft gelast of verricht, wordt hij gestraft met gevangenisstraf van een jaar tot drie jaar. VII-40.485-5/15 Poging tot dit wanbedrijf wordt in het eerste geval van dit artikel gestraft met gevangenis van drie maanden tot een jaar, en in het twee geval met een gevangenisstraf van zes maanden tot twee jaar’. Daarnaast werd vastgesteld dat er tal van aanwijzingen zijn dat u toch activiteiten uitvoert zonder te beschikken over de vereiste toelating: Een nieuwe productieruimte (maar er ontbreekt wel een deur van de productieruimte naar de garage toe). Er hangen twee affiches van aangekondigde eetfestijnen. Een recent gereinigde gehaktmolen en kommen in de nieuwe productieruimte. Aanwezigheid van rode kunststoffen vleesstapelbakken in de nieuwe productieruimte. In de productieruimte staat een elektrische weegschaal in werking. Aanwezigheid van enkele isomo dozen van ISPC, één ervan is geëtiketteerd met ‘leverdatum 21/09/2018’. Een gasbekken in de garage waar een gasfles is op aangesloten. Twee recent gebruikte friteuses in de garage. Een verpakking met 2,5kg chiconettes. Grote hoeveelheden artisanaal ingevroren vacuüm verpakt vlees in drie staande diepvriezers. Gelet op het feit dat de zegels verbroken werden en gelet op het strafrechtelijk onderzoek bij het Parket van Oost-Vlaanderen, verkeert het FAVV in de onmogelijkheid om de naleving van de wettelijke bepalingen en reglementeringen en/of van de Europese reglementeringen te onderzoeken en bijgevolg de veiligheid van de voedselketen te garanderen. Gelet op het voorgaande in toepassing van artikel 13, §
§ 2van het bovenvermelde KB van 16 januari 2006, weiger ik uw gevraagde toelating”.
Dit is de bestreden beslissing sub A) van het verzoekschrift. IV. Ontvankelijkheid Standpunten van de partijen
- De verwerende partij voert als exceptie aan dat het beroep onontvankelijk is in de mate dat het gericht is tegen de “intentie tot weigering van de toelating” van 5 oktober 2018 omdat dit geen eindbeslissing, maar slechts een voorbereidende handeling is.
- In zijn memorie van wederantwoord zet verzoeker uiteen dat deze beslissing van 5 oktober 2018 wel degelijk een aanvechtbare handeling vormt VII-40.485-6/15 aangezien het een administratieve handeling betreft die hem een onmiddellijk en rechtstreeks nadeel berokkent. Deze voorlopige beslissing wordt bevestigd en wordt definitief tenzij de betrokkene tegemoetkomt aan de redenen van weigering binnen een termijn van dertig dagen. Volgens verzoeker doet de intentie van niet-toelating een vervaltermijn lopen en dient zij als een volwaardige beslissing te worden beschouwd. Beoordeling
- Overeenkomstig artikel 13, § 2, van het koninklijk besluit van 16 januari 2006 ‘tot vaststelling van de nadere regels van de erkenningen, toelatingen en voorafgaande registraties afgeleverd door het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen’ (hierna: koninklijk besluit van 16 januari 2006) deelt het Agentschap de redenen van de weigering mee aan de exploitant bij een ter post aangetekende brief of door afgifte tegen ontvangstbewijs. De exploitant beschikt over een periode van 30 dagen om tegemoet te komen aan de redenen van weigering. Op basis van de voorgestelde verbeteringen en in voorkomend geval, na een nieuwe controle ter plaatse, neemt het Agentschap een eindbeslissing en deelt het deze mee bij een ter post aangetekende brief of door afgifte tegen ontvangstbewijs aan de exploitant. Hieruit blijkt dat de intentie om de toelating te weigeren geen eindbeslissing vormt. Het Agentschap bezit in deze nog een ruime appreciatiemarge en kan vervolgens op basis van de argumenten van de betrokkene en/of een controle besluiten om de toelating te weigeren of toe te kennen. Bijgevolg heeft de intentie om de toelating te weigeren geen onmiddellijke rechtsgevolgen voor de aanvrager. Deze kan de redenen tot weigering weerleggen en er kan nog een controle plaatsvinden op basis waarvan het Agentschap een definitief besluit neemt inzake de toelating. VII-40.485-7/15 De intentie om de toelating te weigeren overstijgt derhalve het voorbereidend karakter niet en komt niet voor als een definitieve beslissing. Het beroep is niet ontvankelijk ten aanzien van de beslissing van 5 oktober 2018 “intentie tot weigering van de toelating”. V. Onderzoek van het eerste middel Standpunten van de partijen
- In een eerste middel voert verzoeker de schending aan van de artikelen 2, § 2, 4 en 11 van het voormelde koninklijk besluit van 16 januari
- Verzoeker meent dat hij in de periode vóór de aanvraag van 14 augustus 2018 dient te worden beschouwd als een operator in de zin van artikel 2, § 2, die zonder winstoogmerk handelt, of in het algemeen belang, in de hoedanigheid van de verenigingen en organisaties die in het belang van hun vereniging of organisatie een activiteit maximaal vijf keer per jaar en met een totale duur van maximum tien dagen uitoefenen. Hij zet met verwijzing naar de opgestelde processen-verbaal uiteen dat het FAVV de intentie tot weigering van zijn aanvraag tot toelating baseert op de inhoud van een aantal processen-verbaal die alle dateren van vóór de aanvraag. Verzoeker stelt dat hij in de periode vóór de aanvraag, ressorteerde onder de uitzonderingsregel vervat in voormeld artikel 2, § 2, wat maakt dat hij op dat ogenblik niet over een voorafgaande toelating, registratie of erkenning vanwege het FAVV diende te beschikken. Het kon hem derhalve bezwaarlijk ten kwade worden geduid dat hij op een aantal eetfestijnen gaat helpen en hij in zijn woning als vroegere beenhouwer voor privé-gebruik over een aantal professionele machines beschikt. VII-40.485-8/15 Door de vaststellingen vervat in de processen-verbaal daterend van vóór de aanvraag tot toelating, schendt het FAVV volgens hem duidelijk artikel 2, § 2, van het koninklijk besluit van 16 januari 2006, door in de intentie tot weigering naar de processen-verbaal te verwijzen. Hij merkt daarbij op dat hij in die periode geen commerciële activiteit uitoefende, zodat onmogelijk naar de inhoud van deze processen-verbaal en de verzegeling (door het FAVV zelf) van bepaalde toestellen en voorwerpen kan verwezen worden om te besluiten dat het onmogelijk is de veiligheid van de voedselketen te onderzoeken om aldus de intentie tot weigering te ondersteunen. Dit geldt volgens verzoeker evenzeer voor de weigeringsbeslissing van 5 december 2018 aangezien men zich aldaar beroept op de zegelverbreking van de toestellen die door hem voor privé-gebruik aangewend worden. Naar aanleiding van de intentie tot weigering heeft verzoeker tal van nieuwe toestellen aangekocht om zich in orde te stellen. Ook deze toestellen worden in beslag genomen naar aanleiding van het controlebezoek van 7 december
- Naar aanleiding van het controlebezoek van 9 november 2018 dat ertoe strekt na te gaan of hij wel degelijk de aangekondigde verbeteringen aangebracht heeft, grijpt men volgens verzoeker zonder meer de aanwezigheid van deze toestellen aan om te besluiten dat er aanwijzingen zouden zijn dat er activiteiten worden uitgevoerd zonder over de vereiste toelating te beschikken en wordt andermaal de zegelverbreking (periode voor de aanvraag tot toelating waarbij verzoeker onder artikel 2, § 2, ressorteert) aangegrepen om te stellen dat het FAVV in de onmogelijkheid verkeert om de naleving van de wettelijke bepalingen en reglementeringen en/of van de Europese reglementeringen te onderzoeken. Verzoeker verwijst hierbij naar het Verslag aan de Koning bij het koninklijk besluit van 16 januari 2006 dat stelt: “Voor wat de toelatingen betreft: - een aanvraag tot het bekomen van een toelating wordt steeds gevolgd door een administratief onderzoek van de aanvraag. - Afhankelijk van de aard van de activiteit of het risicoprofiel van de operator kan overgegaan worden tot een voorwaardelijke toelating. (…)”. VII-40.485-9/15 Volgens verzoeker heeft het FAVV te dezen niet de moeite genomen om een administratief onderzoek van de aanvraag te doen, waardoor men aan verzoeker een voorwaardelijke toelating had kunnen geven. Noch in de intentie tot weigering, noch in de weigeringsbeslissing, is er sprake van dergelijk administratief onderzoek. Verzoeker wijst er voorts op dat in het Verslag aan de Koning bij het koninklijk besluit van 16 januari 2006 tevens wordt gesteld dat, indien het FAVV geen onderzoek uitvoert binnen een periode van dertig dagen volgend op de aanvraag, de toelating wordt beschouwd als zijnde afgeleverd, en dat dit principe eveneens wordt verankerd in de artikelen, 4, § 3, en 11 van het koninklijk besluit van 16 januari
- De aanvraag tot toelating werd ingediend op 14 augustus
- Er bestaat geen betwisting over de volledigheid van de aanvraag. Verzoeker werd pas op 5 oktober 2018 gecontacteerd door het FAVV ingevolge de mededeling van een intentie tot weigering. De termijn van dertig dagen is dus overschreden. Bijgevolg dient ervan uitgegaan te worden dat de toelating beschouwd wordt als zijnde afgeleverd. Deze termijn is een vervaltermijn. Het FAVV was op 5 oktober 2018 niet langer gerechtigd om een intentie tot weigering aan verzoeker ter kennis te brengen of om op 5 december 2018 een weigeringsbeslissing aan verzoeker te betekenen.
- De verwerende partij zet uiteen dat verzoeker niet onder het uitzonderingsregime van artikel 2, § 2, van het koninklijk besluit van 16 januari 2006 valt aangezien hij geen vereniging of organisatie is en betaald werd voor zijn prestaties. Volgens de verwerende partij heeft er wel degelijk een administratief onderzoek plaatsgevonden binnen de dertig werkdagen na het VII-40.485-10/15 indienen van de aanvraag. Uit interne communicatie van het FAVV zou blijken dat het administratief onderzoek afgerond was op 26 september
- Dat de intentie tot weigering van de toelating pas op 5 oktober 2018 is opgesteld, doet hieraan geen afbreuk. Het koninklijk besluit schrijft immers enkel voor dat het administratief en/of technisch onderzoek moet worden uitgevoerd binnen de dertig dagen na ontvangst van de aanvraag.
- In haar laatste memorie merkt de verwerende partij op dat de uitkomst van het administratief onderzoek telkens pas schriftelijk wordt weergegeven in de intentie tot weigering van de toelating of erkenning, dan wel in de beslissing tot toekenning ervan, en steeds vrij beperkt is. Beoordeling
- Overeenkomstig artikel 2, § 2, 1°, van het koninklijk besluit van 16 januari 2006 is het besluit niet van toepassing op operatoren die handelen zonder winstoogmerk of in het algemeen belang, in de hoedanigheid van verenigingen en organisaties die in het belang van hun vereniging of organisatie een activiteit maximaal vijf keer per jaar en met een totale duur van maximum tien dagen uitoefenen. Een operator wordt in artikel 1, 5°, van hetzelfde besluit gedefinieerd als de onbezoldigde natuurlijke persoon, de onderneming in de zin van artikel 4 van de wet van 16 januari 2003 ‘tot oprichting van een Kruispuntbank van Ondernemingen, tot modernisering van het handelsregister, tot oprichting van erkende ondernemingsloketten en houdende diverse bepalingen’, of de vereniging, zowel publiek- als privaatrechtelijk, die al dan niet met winstoogmerk actief is, in enig stadium van de productie, verwerking en distributie van een product.
- Het wordt niet betwist dat verzoeker, een natuurlijk persoon, als operator kan beschouwd worden. Verzoeker beweert dat hij voor de aanvraag van 14 augustus 2018 onder de uitzondering bepaald in artikel 2, § 2, 1°, van het koninklijk besluit van 16 januari 2006 ressorteerde en dat hij als vrijwilliger voor een tweetal verenigingen meehielp met een eetfestijn. Verzoeker toont echter niet VII-40.485-11/15 aan dat hij aan de voorwaarden van deze uitzondering voldeed. Hij toont niet aan dat hij zonder winstoogmerk handelde en dat de activiteiten slechts vijf keer per jaar plaatsvonden en met een totale duur van maximum tien dagen. Er blijkt niet dat verzoeker in de hoedanigheid van vereniging of organisatie optrad. Overeenkomstig artikel 4, § 3, van het koninklijk besluit van 16 januari 2006 voert het Agentschap binnen de dertig werkdagen na ontvangst van de aanvraag, in zoverre deze volledig is, een administratief of technisch onderzoek uit. Ten behoeve van dit onderzoek maakt de exploitant samen met zijn aanvraag alle door het Agentschap gevraagde gegevens en documenten over, meer bepaald met het oog op de vaststelling van de naleving van de voorwaarden voor de erkenning of de toelating. Artikel 11 van hetzelfde besluit bepaalt dat indien het Agentschap voor wat betreft de aanvraag tot toelating binnen de termijn van dertig werkdagen geen onderzoek heeft uitgevoerd, deze toelating wordt beschouwd als zijnde afgeleverd op de datum van het verstrijken van deze termijn. Het Verslag aan de Koning laat geen twijfel bestaan over de aard van deze bepaling: “Voor wat de toelatingen betreft: - een aanvraag tot het bekomen van een toelating wordt steeds gevolgd door een administratief onderzoek van de aanvraag. - Afhankelijk van de aard van de activiteit of het risicoprofiel van de operator kan overgegaan worden tot een voorwaardelijke toelating. - Indien het FAVV geen onderzoek uitvoert binnen een periode van dertig werkdagen volgend op een aanvraag, wordt de toelating beschouwd als zijnde afgeleverd”. De aanvraag van 14 augustus 2018 is door het FAVV op dezelfde dag ontvangen. De termijn om het administratief onderzoek te verrichten verstreek op 26 september
- Na 26 september 2018 werd de toelating dan beschouwd als zijnde afgeleverd. VII-40.485-12/15 Volgens verzoeker vond er geen administratief onderzoek plaats. De intentie tot weigering werd pas op 5 oktober 2018 opgesteld, dit is buiten de voormelde termijn. De verwerende partij verwijst naar interne communicatie van 25 september 2018 en 26 september 2018 waaruit zou moeten blijken dat het administratief onderzoek tijdig werd afgerond. Op 25 september 2018 wordt een ontwerp voor een dringende “P30” (procedure weigering) doorgestuurd waarbij vermeld wordt dat de vaststellingen uit het proces-verbaal van NOE niet werden opgenomen in de brief omdat de termijn van vijf dagen reeds verstreken is en omdat enkel het feit dat alle toestellen verzegeld zijn ervoor zorgt dat verzoeker geen toelating kan krijgen. Als bijlage wordt het aanvraagformulier van de toelating en een mail van de NOE om de toelating te weigeren op basis van een administratieve controle vermeld. Uit deze mail blijkt niet dat er een administratief onderzoek gebeurde van de aanvraag of van de gegevens en documenten die nodig zijn om de voorwaarden te controleren. Er wordt enkel verwezen naar de toestellen die verzegeld zijn. De mail van 26 september 2018 meldt dat “DIS HB” geen enkele actieve rol moet spelen om ervoor te zorgen dat dit dossier in allerijl correct wordt afgehandeld. Er wordt voorgesteld om rechtstreeks contact op te nemen met de juridische dienst en samen met hen te bepalen hoe deze brief moet worden opgemaakt en afgehandeld. Voorts is er een bericht dat het juridisch “OK” is aangezien het administratief onderzoek conform het besluit binnen dertig dagen is afgerond. Er is geen termijn om een brief te sturen. Uit deze interne communicatie blijkt niet dat de aanvraag of de gegevens en documenten noodzakelijk om de aanvraag te beoordelen aan een administratief onderzoek werden onderworpen. VII-40.485-13/15 Op basis van artikel 11 van het koninklijk besluit van 16 januari 2006 kon verzoeker vanaf 26 september 2018 de toelating beschouwen als zijnde afgeleverd. Hieruit volgt dat, aangezien het administratief onderzoek niet binnen de termijn van dertig dagen was afgerond, de verwerende partij geen beslissing houdende kennisgeving van de intentie tot weigering van de gevraagde toelating kon nemen, noch de beslissing tot weigering van de toelating. De opmerking in de laatste memorie van de verwerende partij over het beperkte karakter van het administratief onderzoek, doet aan het voorgaande niet af.
- Het middel is in de aangegeven mate gegrond. BESLISSING
- De Raad van State vernietigt de beslissing van het FAVV “van 5 december 2018 met als kenmerk CONT/DIS/ACH/ nr. 1549944 houdende weigering van de […] gevraagde toelating in toepassing van artikel 13, §
§2
van het KB van 16 januari 2006 tot vaststelling van de nadere regels van de erkenningen, toelatingen en voorafgaande registraties afgeleverd door het Federaal Agentschap voor Veiligheid van de Voedselketen”.
- De Raad van State verwerpt het beroep voor het overige.
- Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit.
- De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan verzoeker. VII-40.485-14/15 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negentien januari tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Carlo Adams VII-40.485-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.255.542 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div