← België

Arrest 255544 - Tucht (openbaar ambt) - 20/01/2023

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 januari 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.255.544 Rolnummer: A. 237529/XIV-39082 Zaak: Arrest 255544 - Tucht (openbaar ambt) - 20/01/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-02-02 Raadplegingen: 97 - laatst gezien 2026-06-10 08:15 Fiches 1 - 2 Arrest nr 255.544 van 20 januari 2023 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 255.544 van 20 januari 2023 in de zaak A. 237.529/XIV-39.082 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Walter Van Steenbrugge en Esther Theyskens kantoor houdend te 9030 Mariakerke Durmstraat 29 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de POLITIEZONE 5441 ERPE-MERE/LEDE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Tom De Sutter kantoor houdend te 9000 Gent Koning Albertlaan 128 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 20 oktober 2022, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van “de beslissing van het politiecollege van de politiezone van Erpe-Mere/Lede d.d. 23 september 2022, ter kennis gebracht aan verzoeker bij aangetekend schrijven in ontvangst genomen op 26 september 2022”. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een verslag opgesteld. XIV-39.082-1/12 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 18 januari
  3. Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht. Advocaat Esther Theyskens, die verschijnt voor verzoeker, en advocaat Tom De Sutter, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. Verzoeker is korpschef van de lokale politiezone Erpe-Mere/Lede (PZ 5441). 3.
  6. Op 25 mei 2021 beslist het politiecollege om verzoeker voorlopig te schorsen zonder inhouding van wedde van 26 mei 2021 tot 25 september
  7. 3.
  8. Op 22 september 2021, 24 januari 2022 en 24 mei 2022 beslist het politiecollege de voorlopige schorsing bij ordemaatregel te verlengen voor, respectievelijk een eerste, tweede en derde keer en zulks telkens voor een termijn van vier maanden zonder inhouding van wedde. Deze beslissingen maken het voorwerp uit van beroepen tot nietigverklaring. Bij respectievelijk de arresten nrs. 252.734 van 21 januari 2022 en nr. 253.706 van 10 mei 2022 werden de aangevoerde redenen voor de XIV-39.082-2/12 spoedeisende behandeling van de eerste en de tweede verlenging verworpen. Inzake de derde verlenging oordeelde de Raad van State, bij gebreke aan (tijdige) betaling van het rolrecht, dat de vordering tot schorsing als niet verricht moest worden beschouwd. 3.
  9. Op 23 september 2022 beslist het politiecollege de voorlopige schorsing bij ordemaatregel een vierde keer te verlengen voor een termijn van vier maanden (van 26 september 2022 tot en met 25 januari 2023), zonder inhouding van wedde. Dit is de bestreden beslissing. IV. Schorsingsvoorwaarden
  10. Krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden. V. Spoedeisendheid Uiteenzetting in het verzoekschrift
  11. In zijn inleidend verzoekschrift zet verzoeker onder het kopje “De spoedeisendheid” uiteen dat de bestreden beslissing “onherroepelijke schadelijke gevolgen met zich mee[brengt] voor verzoeker”. Hij stelt vooreerst dat zijn mentale welzijn “ernstig en langdurig [wordt] aangetast door de bestreden beslissing” en doet gelden dat “klinisch en forensisch psycholoog [P.B.], die verzoeker grondig onderzocht heeft in het kader van een psychologische expertise, besluit dat verzoeker door onder meer de herhaaldelijke verlengingen van zijn XIV-39.082-3/12 voorlopige schorsing lijdt aan een posttraumatische stressstoornis met mogelijke langetermijngevolgen.” Verzoeker citeert daartoe als volgt uit het psychologisch verslag van 2 februari 2022: “(...) In contrast met bovenstaande hebben de beschuldigingen in de pers, gevolgd door een langdurige schorsing door het politiecollege alsook het niet geïnformeerd zijn over de stand van het gerechtelijk onderzoek een traumatische impact op zijn huidig psychisch functioneren. Intrusieve herinneringen en ruminaties leiden tot chronisch negatieve gemoedstoestanden (angst en boosheid), toegenomen prikkelbaarheid en concentratieproblemen. De aandacht kent geen normaal basisniveau meer waardoor er actueel te weinig sprake is van een ontspannen alertheid met ernstige slaapproblemen als gevolg. De symptomen maken deel uit van een langdurend stresssyndroom en impliceren een ernstige psychische belasting voor [verzoeker], met een drastische afname van de kwaliteit van zijn dagelijks leven. In plaats daarvan is er een verhoogde arousal gekoppeld aan mentale vervlakking (TV kijken als verdoving). Concluderend kunnen we stellen dat er actueel sprake is van een ontwrichting van de psychische status ressorterend onder het PTSS syndroom. De traumatiserende feiten genereren een aanhoudende ontregeling van het stress-verwerkend systeem met mogelijks langetermijngevolgen in het interpersoonlijk contact, de slaap, de stemming en de emoties.” Volgens verzoeker zijn er bijzondere omstandigheden voorhanden die overtuigen dat de ondergane morele schade van die aard is dat een later tussen te komen vernietigingsarrest niet voldoende genoegdoening zal kunnen verschaffen zodat het resultaat ten gronde niet kan worden afgewacht. Verzoeker doet gelden dat, zoals blijkt uit het aanvullend verslag van klinisch en forensisch psycholoog [P.B.] van 9 juni 2022, (de verlenging van) de voorlopige schorsing van verzoeker rechtstreeks leidt tot een “ernstige breakdown van zijn identiteit”, hetgeen de “gevoelens van waardeloosheid en depressie” teweegbrengt. Om die reden stelt verzoeker dat de schorsing van de bestreden beslissing van cruciaal belang is om zijn mentale schade te herstellen, zelfs indien een eventueel schorsingsarrest pas zou tussenkomen kort voordat het politiecollege een nieuwe beslissing zou nemen aangaande de eventuele verlenging van de voorlopige schorsing van verzoeker. Hij steunt daartoe op de volgende passage uit het aanvullend verslag van [P.B.] dat hij citeert: “De identiteit van [verzoeker] berust quasi volledig op één criterium: politieman zijnde. Identiteit is geen neutraal geheel van persoonskenmerken, maar heeft alles te maken met de normen en waarden die een persoon zich eigen maakt. In het geval XIV-39.082-4/12 van [verzoeker] de normen en de waarden die hij zich als lid van het politiekorps heeft eigen gemaakt. Men kan het een vorm van zelfrealisatie noemen. Zijn fundamentele verhouding tot de ander vindt zijn basis in een samenhangende ideologie verworven als politieman, een geheel van opvattingen over menselijke verhoudingen en hoe die het best te regelen. Zijn schorsing als politieman resulteerde in een ernstige breakdown van zijn identiteit, de identificatie van zichzelf als politieman, deel uitmakend van een groter geheel met dezelfde normen en waarden. De schorsing verwijdert hem uit datgene wat hem het meest definieert en leidt tot gevoelens van waardeloosheid en depressie. Dit impliceert tevens dat een schorsing van de voorlopige schorsing een significant helend effect zal hebben op betrokkene, zelfs als die slechts korte tijd voor de eventuele nieuwe beslissing aangaande de verlenging van zijn voorlopige schorsing zou worden genomen. De opgelopen mentale schade kan hierdoor in belangrijke mate worden weggenomen.” Verzoeker voegt daar nog aan toe dat de schorsing van de bestreden beslissing voor hem op moreel vlak een enorme opsteker zou zijn, bijna anderhalf jaar na de aanvang van zijn voorlopige schorsing. In die gehele periode heeft hij op geen enkel vlak gehoor gekregen van het gerecht in het kader van de diverse démarches die hij heeft ondernomen, waardoor hij kampt met een ernstig gevoel van onrechtvaardigheid en machteloosheid. Verzoeker besluit dat de “bijzonder ernstige mentale gevolgen van de door de bestreden beslissing voortdurende schorsing van verzoeker, zoals blijkt uit de verslagen van psycholoog [P.B.],” de bijzondere omstandigheid vormt die de schorsing van de bestreden beslissing verantwoorden. Het nuttig effect van een eventueel schorsingsarrest zelfs kort voor de nieuwe beslissing van het politiecollege staat volgens verzoeker vast. Daarnaast doet verzoeker gelden dat het van essentieel belang is dat de beslissing van het politiecollege om over te gaan tot de voorlopige schorsing én tot de verlenging ervan in september 2021, januari 2022 en mei 2022 uitvoerig in de pers is verschenen waarbij tevens foutieve informatie werd verspreid omtrent de ordemaatregel die aan verzoeker werd opgelegd en de juridische draagwijdte ervan waardoor het vermoeden van onschuld manifest werd geschonden. In tegenstelling tot wat de Raad van State voorhield in het arrest van 10 mei 2022 betreffende de tweede verlenging van de voorlopige schorsing van verzoeker, verscheen er volgens verzoeker ook naar aanleiding van die beslissing een zeer XIV-39.082-5/12 kwalijk artikel in Het Laatste Nieuws. En in tegenstelling tot wat de bestreden beslissing poneert, is het allerminst zo dat de berichtgeving in de pers “nagenoeg is stilgevallen”: ook de bestreden beslissing maakt opnieuw het voorwerp uit “van ronkende berichtgeving in de pers.” De reputatieschade en uitholling van het moreel gezag van verzoeker die hierdoor worden veroorzaakt, zou kunnen worden hersteld indien de bestreden beslissing wordt geschorst. Beoordeling
  12. Naar eis van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State moet het verzoekschrift “een uiteenzetting van de feiten [bevatten] die, volgens de indiener ervan, de spoedeisendheid verantwoorden die ter ondersteuning van dit verzoekschrift wordt ingeroepen”. Hetzelfde is te lezen in artikel 8, 4°, van het procedurereglement kort geding van 5 december
  13. Dit houdt in dat het aan verzoeker toevalt aan de zaak eigen, specifieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen dat de zaak spoedeisend is, gelet op de gevolgen van een - voortdurende - tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing. Voorts kan luidens artikel 17, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, een vordering tot schorsing worden gevorderd “op elk moment” en dus niet meer, zoals in de voorheen bestaande regelgeving, noodzakelijk in een enig verzoekschrift samen met de vernietiging. Met deze regeling heeft de wetgever precies de situaties te willen verlaten waarbij “geen enkele bijzondere gebeurtenis vereist dat de Raad van State zich bij spoedeisendheid over de zaak die haar wordt voorgelegd uitspreekt” (memorie van toelichting, Parl. St. Senaat, 2012-13, nr. 5-2277/1, 4). De spoedeisendheid “zal worden vastgesteld wanneer de verzoeker het resultaat van [de] procedure [ten gronde] niet kan afwachten om zijn beslissing te verkrijgen, op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen” (memorie van toelichting, Parl. St. Senaat, 2012-13, nr. 5-2277/1, 13). Bovendien mag een nieuwe vordering worden ingediend, indien die steunt op nieuwe elementen die de XIV-39.082-6/12 spoedeisendheid van deze vordering rechtvaardigen (artikel 17, § 2, derde lid, gecoördineerde wetten op de Raad van State). Uit wat voorafgaat, volgt dat niet zal volstaan te stellen dat de doorlooptijd van een annulatieprocedure te lang duurt of dat het resultaat van een annulatieprocedure niet kan worden afgewacht. Tot slot moet een schorsing van de tenuitvoerlegging van een bestreden beslissing ook een nuttig effect hebben. Ze dient verzoeker te behoeden van de gevreesde schade.
  14. De bestreden beslissing is de vierde verlenging van de aanvankelijk bij beslissing van 25 mei 2021 genomen voorlopige schorsing bij ordemaatregel zonder inhouding van de brutowedde en dit met dezelfde duur van vier maanden. De bestreden beslissing is een vierde verlenging op grond van artikel 61 van de wet van 13 mei 1999 ‘houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten,’ van de aanvankelijk bij beslissing van 25 mei 2021 genomen voorlopige schorsing bij ordemaatregel zonder inhouding van de brutowedde en dit met dezelfde duur van vier maanden. Een dergelijke beslissing veroorzaakt in beginsel vanwege haar voorlopige, tijdelijke en niet-tuchtrechtelijke aard, aan verzoeker geen schadelijke gevolgen of nadelen die van dien aard zijn dat verzoeker het resultaat van de procedure ten gronde hierdoor niet kan afwachten. Dat een tijdelijke verlenging van de schorsing aan verzoeker (morele) schade berokkent of kan berokkenen, geldt voor alle personeelsleden die tegen hun wil door een dergelijke maatregel worden getroffen en die, in afwachting van een uitspraak ten gronde, moeten ondergaan. Een schorsingsprocedure strekt er evenwel niet toe om élk (moreel) nadeel dat volgt uit een bestreden beslissing, versneld te kunnen ondervangen. XIV-39.082-7/12 Voorts blijkt uit de gegevens van de zaak dat het gaat om de vierde beslissing waarmee deze ordemaatregel (van dezelfde duur) wordt opgelegd en dat de tenuitvoerlegging ervan afloopt op 25 januari
  15. De initiële beslissing van 25 mei 2021 heeft verzoeker niet aangevochten en de aangevoerde redenen voor de spoedeisende behandeling van de eerste en de tweede verlenging zijn verworpen door de Raad van State bij respectievelijk de arresten nrs. 252.734 van 21 januari 2022 en nr. 253.706 van 10 mei
  16. Inzake de derde verlenging heeft de Raad van State, bij gebreke aan (tijdige) betaling van het rolrecht, geoordeeld dat de vordering tot schorsing als niet verricht moest worden beschouwd. Het voorgaande impliceert dat verzoeker de redenen inzichtelijk moet maken waarom de vierde verlenging van de voorlopige schorsing thans voor hem spoedeisend is, terwijl ze dat voorheen blijkbaar – in de feiten of in rechte na verwerping door de Raad van State van eerder aangevoerde argumenten betreffende de spoedeisendheid – gedurende twaalf maanden niet was.
  17. Verzoeker voert aan dat er te dezen bijzondere omstandigheden voorhanden zijn die, volgens hem maken dat de schadelijke gevolgen ten gevolge van de tenuitvoerlegging van de bestreden ordemaatregel, van die aard zijn dat een later tussen te komen vernietigingsarrest niet voldoende genoegdoening zal kunnen verschaffen zodat het resultaat ten gronde niet kan worden afgewacht.
  18. Als eerste bijzondere omstandigheid beroept verzoeker zich op de “bijzonder ernstige mentale gevolgen van de door de bestreden beslissing voortdurende voorlopige schorsing van verzoeker, zoals blijkt uit de verslagen van psycholoog [P.B.].” Hij verwijst ter zake naar het door hem overgelegde aanvullend verslag van 9 juni 2022 waaruit volgens hem blijkt dat (de verlenging van) de voorlopige schorsing van verzoeker rechtstreeks leidt tot een “ernstige breakdown van zijn identiteit”, hetgeen de “gevoelens van waardeloosheid en depressie” teweegbrengt. Om die reden is volgens verzoeker “de schorsing van de bestreden beslissing van cruciaal belang [is] om zijn mentale schade te herstellen”, zelfs indien een eventueel schorsingsarrest pas zou tussenkomen kort voordat het politiecollege een nieuwe beslissing zou nemen aangaande de eventuele XIV-39.082-8/12 verlenging van de voorlopige schorsing van verzoeker. Voorts zou de schorsing van de bestreden beslissing voor verzoeker op moreel vlak een enorme opsteker zijn. Dit argument overtuigt niet. Met het ter adstructie van zijn standpunt overgelegde aanvullend verslag van 9 juni 2022, opgemaakt door de door hem aangezochte klinisch en forensisch psycholoog [P.B.] en waaruit hij citeert (zie supra, punt 5.), maakt verzoeker aannemelijk dat een eventuele schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een nuttig effect kan hebben, door de deskundige omschreven als een “significant helend effect” die de opgelopen mentale schade “in belangrijke mate” kan wegnemen. Hoewel een vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van een bestreden beslissing een nuttig effect moet hebben omdat ze verzoeker dient te behoeden van de gevreesde schade, volstaat dit nuttig effect op zich niet om de spoedeisendheid aan te tonen. Een schorsingsprocedure strekt er immers niet toe om élk nuttig gevolg of effect dat de schorsing van een bestreden beslissing met zich kan meebrengen, versneld te kunnen verwezenlijken. Verzoeker moet immers ook aantonen dat hij zich, bij gebreke aan schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, in een toestand “met onherroepelijke schadelijke gevolgen” zal bevinden indien hij het resultaat van de procedure ten gronde moet afwachten. Het overgelegde aanvullend verslag van 9 juni 2022 toont zulks niet aan nu hierin weliswaar wordt geconcludeerd dat de schorsing van de voorlopige schorsing de opgelopen mentale schade in belangrijke mate kan wegnemen, maar er blijkt niet uit dat, inzonderheid, verzoeker onherroepelijke schadelijke gevolgen zou lijden bij gebrek aan een schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing en zulks voorts los van de vraag of het significant helend effect ervan thans de opgelopen mentale schade afdoende zou wegnemen nu de feitelijke omstandigheden waarop het verslag is gesteund onderwijl zijn gewijzigd. Thans wordt verzoeker immers zowel strafrechtelijk als XIV-39.082-9/12 tuchtrechtelijk vervolgd waarbij in tegenstelling tot de bestreden beslissing, de schuldvraag centraal staat. Ter terechtzitting voert verzoeker aan dat een a contrario-lezing van het deskundigenverslag toelaat wel te besluiten dat die onherroepelijke schadelijke gevolgen bij niet-schorsing wel blijken uit dat verslag, maar met een dergelijke redenering wordt te dezen geen rekening gehouden. Een a contrario redenering leidt immers conclusies af uit het stilzwijgen van, te dezen, een eigen deskundigenverslag waarop verzoeker blijkbaar steunt omwille van het eraan verbonden (wetenschappelijk en professsioneel) gezag van de auteur ervan en de ermee verbonden bewijswaarde van de inhoud ervan. Vanuit de aard en bewijswaarde van dat overlegde overtuigingsstuk, heeft een dergelijk verslag derhalve een beperkte focus. Uit het feit dat het deskundigenverslag inzake de voorliggende aangelegenheid zwijgt, kan bijgevolg niet met voldoende (wetenschappelijke) zekerheid worden afgeleid dat de deskundige daarover iets a contrario zegt, minstens maakt verzoeker niet aannemelijk dat wat hij a contrario erin wenst te lezen, binnen de (beperkte) focus past die de deskundige had bij het opstellen van zijn deskundigenverslag. De conclusie die verzoeker uit dit verslag trekt gaat aldus uit van een eigen beoordeling en perceptie van wat er niet in staat. Het voorgaande geldt voorts ook voor de blote bewering dat het voor verzoeker een opsteker zou zijn, waarvan overigens kan worden bemerkt dat dit nuttig effect van een schorsing in wezen eigen is aan elke partij die door de rechter in het gelijk wordt gesteld. Tot slot, verzoeker maakt niet inzichtelijk waarom de aangevoerde mentale schade - die blijkbaar reeds sinds het eerste verslag van 2 februari 2022 en wat het deskundigenverslag van 9 juni 2022 sinds de derde verlenging bestaat -, thans voor hem spoedeisend is, terwijl ze dat voorheen blijkbaar niet was. Uit wat voorafgaat volgt dat de uiteenzetting die verzoeker te dezen in het inleidende verzoekschrift geeft doet blijken van een nadeel volgend uit de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing en van een nuttig effect van XIV-39.082-10/12 een mogelijke schorsing van de bestreden beslissing, maar bij gebrek aan bijgebrachte eigen, specifieke gegevens toont hij evenwel in concreto niet aan waarom dat schadelijk gevolg niet kan worden gedragen gedurende de gewone doorlooptijd van de annulatieprocedure en waarom de afloop van deze procedure bijgevolg niet kan worden afgewacht. Aldus doet dit nadeel op zich niet blijken van bijzondere omstandigheden die maken dat verzoeker het resultaat van de procedure ten gronde niet kan afwachten.
  19. Wat de morele schade betreft, ziet verzoeker voorts een bijzondere omstandigheid in het gegeven dat de voorlopige schorsing en de verlengingen uitvoerig in de pers zijn verschenen waarbij volgens hem tevens foutieve informatie is verschenen over de (juridische) draagwijdte van de opgelegde ordemaatregel waardoor het vermoeden van onschuld is geschonden. Te dezen volstaat de vaststelling dat dit laatste element van morele schade het vereiste oorzakelijk verband ontbeert, aangezien niet blijkt dat de foute informatie in de pers te wijten is aan de verwerende partij, noch een gevolg is van de thans bestreden beslissing. Het oorzakelijk verband tussen die verkeerde berichtgeving en de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing is niet aangetoond. Aldus maakt verzoeker niet aannemelijk dat door de morele schade die dat bij hem veroorzaakt, hij de vierde tijdelijke verlenging van de schorsing onmogelijk kan ondergaan in afwachting van de uitspraak ten gronde. Los van de vraag of het voorgaande ook niet opgaat voor het enkele feit dat verzoeker een moreel nadeel ondergaat ingevolge het (louter) publiceren in de pers van de beslissingen op zich, maakt verzoeker evenmin aannemelijk dat zulks niet kan worden goedgemaakt door de eventueel tussen te komen vernietiging van de bestreden beslissing. Aldus doet dit moreel nadeel evenmin op zich blijken van bijzondere omstandigheden die maken dat verzoeker het resultaat van de procedure ten gronde niet kan afwachten.
  20. Uit wat voorafgaat, volgt dat verzoeker niet aantoont dat er sprake is van spoedeisendheid. XIV-39.082-11/12 Conclusie
  21. Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. BESLISSING
  22. De Raad van State verwerpt de vordering.
  23. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van verzoeker weggelaten. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van twintig januari tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Geert Debersaques XIV-39.082-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.255.544 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.