id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 januari 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.255.548 Rolnummer: A. 237922/XII-9295 Zaak: Arrest 255548 - Overheidsopdrachten - 20/01/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-01-24 Raadplegingen: 87 - laatst gezien 2026-06-10 08:15 Fiches 1 - 2 Arrest nr 255.548 van 20 januari 2023 Overheidsopdrachten en openbare werken - Overheidsopdrachten Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER nr. 255.548 van 20 januari 2023 in de zaak A. 237.922/XII-9295 In zake: de NV VDL BUS & COACH BELGIUM bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Koen De Maeyer en Veerle Pissierssens kantoor houdend te 1930 Zaventem Brussel Luchthaven Nationaal 1K bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de VLAAMSE VERVOERMAATSCHAPPIJ DE LIJN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Hans Plancke en Daan Degrande kantoor houdend te 1050 Brussel Louizalaan 99 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 15 december 2022, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van : “• De beslissing [van] De Lijn van ongekende datum waarin de offerte van VDL onregelmatig wordt bevonden en geweerd wordt uit de procedure voor het bekomen van een overheidsopdracht voor een raamovereenkomst voor de levering van elektrische gelede bussen (ca. 18m.) en bijhorend onderhoud PG1771-100717; • De beslissing van De Lijn van ongekende datum om de opdracht zoals opgegeven in het bestek d.d. 30 september 2022 aan een andere inschrijver te gunnen; • De ongedateerde brief van De Lijn gericht aan VDL met als onderwerp ‘VVM De Lijn Raamovereenkomst voor de levering en eventueel onderhoud van e-bussen Perceel 01 – elektrische gelede bus (ca. 18m) Informatieverplichting’ waarin De Lijn stelt dat de offerte van VDL onregelmatig bevonden is en wordt geweerd [...].” XII-9295-1/24 II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 5 januari
- Staatsraad Patricia De Somere heeft verslag uitgebracht. Advocaten Veerle Pissierssens, Büsra Yasar en Jochen Ooms, die verschijnen voor de verzoekende partij, en advocaten Hans Plancke en Daan Degrande, die verschijnen voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Frederic Eggermont heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- De verwerende partij schrijft een overheidsopdracht uit met als voorwerp ‘Raamovereenkomst voor de levering en eventueel onderhoud van e- bussen’, verdeeld over vijf percelen. Perceel 1, dat thans in het geding is, heeft betrekking op de ‘Raamovereenkomst voor de levering van elektrische gelede bussen (ca. 18 m.) en bijhorend onderhoud’. De opdracht wordt geplaatst met een onderhandelingsprocedure met voorafgaande oproep tot mededinging overeenkomstig artikel 117, § 1, eerste lid, 3°, van de wet van 17 juni 2016 ‘inzake overheidsopdrachten’ (hierna: wet overheidsopdrachten 2016). XII-9295-2/24 De opdracht wordt nationaal en Europees bekendgemaakt. In het toepasselijk bestek wordt het voorwerp van de opdracht als volgt toegelicht: “1.2 Voorwerp van de opdracht Deze opdracht betreft: - het leveren van een (indicatief) 500-tal elektrische gelede bussen (met lage vloer en ongeveer 18 min lengte) met drie deuren; - Deze elektrische bussen moeten kunnen geleverd worden in 2 versies: ▪ POST 1: bus met enkel depotladen via een CCS2 stekker. Deze post zal bij de uitvoering de referentie 225A1 krijgen; ▪ POST 2: bus met opportunity laden met een pantograaf laadsysteem op het dak en een CCS2 stekker. Deze post zal bij de uitvoering de referentie 225A2 krijgen; - het eventueel onderhoud van de elektrische bussen; - het leveren van wisselstukken voor de elektrische bussen; - En alle andere prestaties die in het bestek beschreven staan. Voor onder andere diagnose toestellen, software, opleiding, … Een gedetailleerde omschrijving van deze raamovereenkomst is terug te vinden in deel 3 ‘Technische en/of functionele bepalingen’ en deel 4 ‘Onderhoud en Onderhoudscontract’ bij dit bestek.” Het huidig geding heeft enkel betrekking op Post
- 3.
- Twaalf ondernemingen dienen een aanvraag tot deelneming in, waaronder de verzoekende partij. Bij beslissing van 16 mei 2022 worden alle kandidaten geselecteerd voor deelname aan de plaatsingsprocedure. Samen met de uitnodiging tot indiening van een eerste offerte ontvangen de kandidaten het initiële bestek, opgesteld op 11 mei
- Gelet op wat volgt, zijn de volgende bepalingen van dit bestek in deze zaak relevant. XII-9295-3/24 In het ‘Eerste Deel. Algemene administratieve bepalingen’ van dit bestek worden in punt ‘1.5 Gunningcriteria van de opdracht (art. 85 KB Plaatsing)’ de volgende gunningscriteria en hun respectievelijke weging bepaald: “- TCO - Total Cost of Ownership (70 punten) - Rijbereik Post 1 (20 punten) - Laadtijd Post 2 (10 punten) De technische kwaliteit van het aangeboden voertuig wordt bepaald door de som van de bovenstaande componenten, met aparte weging. Alle kosten worden berekend voor de totale leeftijd van de bus, 16 jaar en 960.000 km.” Het eerste gunningscriterium ‘TCO – Total Cost of Ownership’ bestaat uit: “1.5.1.1 Aangeboden prijs (AP) Zie bijlage 4 ‘Inventaris-PG1771-100717’ → tabblad ‘Inventaris’ → Hoofdstuk 1: Bussen (AP) De inschrijver dient alle posten van de inventaris, de vakken in het geel zijn, in te vullen. […] 1.5.1.2 Energiekost (EK) Bij de vergelijking van de offertes zullen de opgegeven energieverbruiken van de voertuigen als operationele kost worden berekend. De inschrijver zal in de inventaris voor POST 1 en POST 2 de energieverbruiken opgeven. Zie Bijlage 4 ‘Inventaris-PG1771-100717’ → tabblad ‘H2.Energiekost POST 1’ Bijlage 4 ‘Inventaris-PG1771-100717’ → tabblad “H2.Energiekost POST 2’ […] 1.5.1.3 Technische kosten (TK) De technische kosten (TK) zijn de som van het preventief onderhoud (PO) en de wisselstukken (WS). […].” Wat het tweede gunningscriterium betreft, wordt het volgende gesteld: “1.5.2 Gunningscriterium Rijbereik POST 1 Zie bijlage 4 ‘Inventaris-PG1771-100717’ → tabblad ‘Criteria POST1’ Het rijbereik wordt berekend voor POST
- (Zie 1.2 Voorwerp van de opdracht) XII-9295-4/24 Het rijbereik wordt berekend op basis van de ‘Beginning-of-Life’ (BOL) bruikbare netto batterijcapaciteit, deze dient minimum 500 kWh te bedragen op straffe van uitsluiting wegens een substantiële onregelmatigheid. Het rijbereik wordt berekend met volgende parameters t=0°C en V=15 km/h : Waarbij: - BatterijBruto = de bruto batterij capaciteit (zie 3.5.3.2 HS-Batterijen) - DoD: Depth of Discharge in % - BatterijNetto = bruikbare batterij capaciteit in de ‘Beginning of Life’= BatterijBruto x DoD - Tractie = Gemiddeld tractieverbruik bij 15 km/u - HVAC0°C = het benodigd elektrisch vermogen bij 0°C - Snelheid = 15 km/h - Rijbereik : automatisch berekend op 1/10 km De waardes worden opgegeven in het kader van het gunningscriterium 1.5.1.2 Energiekost (EK) Beoordelingsmethodiek Het aantal kilometers rijbereik dient minimaal 200 km te zijn op straffe van uitsluiting wegens een substantiële onregelmatigheid, zie 3.1.5.6 Rijbereik. Het aantal punten wordt via onderstaande tabel toegekend: […].” In het ‘Derde deel: Technische en/of functionele bepalingen’ van dit bestek wordt bepaald: “3.5.3.2 HS-Batterijen De inschrijver geeft in bijlage 3 ‘Technische inlichtingenfiche’ de gevraagde specificaties. De belangrijkste specificaties van de batterijen worden onderstaand schematisch voorgesteld. - Bruto batterijcapaciteitBruto: maximale theoretische batterij capaciteit - Netto batterijcapaciteitBOL (BOL Beginning of Life): maximale laadbare en bruikbare batterij capaciteit bij begin levensduur van de batterij in functie van de DoD (depth of Discharge), zonder degressiviteit van de batterij. De inschrijver geeft deze op in procenten ten opzichte van de bruto batterij capaciteit. O Netto batterijcapaciteitBOL = BatterijcapaciteitBruto x DoD - Netto batterijcapaciteitEOL (EOL End of Life): minimale laadbare en bruikbare batterij capaciteit bij einde leven van de batterij, na maximale degressiviteit van de batterij. De inschrijver geeft op wanneer deze, XII-9295-5/24 vermoedelijk, bereikt wordt in aantal jaar, aantal kilometers en aantal laadcycli en in procenten ten opzichte van de BOL. O Netto batterijcapacititeitEOL = Netto batterijcapaciteitBOL x 80% [...].” Blijkens punt 1.7.4 ‘Bij de offerte toe te voegen documenten (art. 76 KB Plaatsing)’ van het bestek wordt aan de inschrijvers gevraagd om bij hun offerte een volledig ingevulde technische inlichtingenfiche te voegen volgens het model in bijlage 3 ‘Technische inlichtingenfiche’ en om de inventaris in te vullen volgens het model in bijlage 4 ‘Inventaris’. In het model van bijlage 3 ‘Technische inlichtingenfiche’ worden de in punt 3.5.3.2 voormelde gegevens in tabelvorm opgevraagd, en wordt gesteld dat de vereiste dat de ‘Netto batterijcapaciteitBoL’ minimum 500 kWh dient te bedragen, een minimale eis is. In het model van bijlage 4 ‘Inventaris’ wordt in het tabblad ‘Criteria Post 1’ gevraagd de ‘BatterijcapaciteitBruto’ en de ‘Depth of Discharge’ in te vullen, met als resultaat de ‘Netto batterijcapaciteitBoL’, met daarbij opnieuw de vermelding dat de ‘Minimale eis (in kWh)’ van de ‘Netto batterijcapaciteitBoL’ 500 kWh bedraagt. Ten slotte wordt aan de inschrijvers eveneens gevraagd een reeks andere documenten aan hun offerte toe te voegen, waaronder een beschrijving van de tractiebatterij, waarin duidelijk al de grenswaarden dienen te staan die voor de chauffeur en de techniek van belang zijn. Dit document wordt benoemd ‘6.16 Tractiebatterij’. 3.
- Zeven inschrijvers, waaronder de verzoekende partij, dienen tijdig een eerste offerte in. Met brieven van 31 augustus 2022 stelt de verwerende partij aan alle inschrijvers vragen ter verduidelijking over de inhoud van hun eerste offerte. Op 19, 28 en 30 september 2022 vinden met de inschrijvers onderhandelingen plaats. Met een brief van 3 oktober 2022 worden alle inschrijvers uitgenodigd een tweede offerte in te dienen, samen met het ‘BAFO-Bestek’ van XII-9295-6/24 30 september
- In dit ‘BAFO-Bestek’ blijven de hiervoor aangehaalde bepalingen ongewijzigd. 3.
- Dezelfde zeven inschrijvers dienen tijdig een BAFO in. 3.
- De BAFO van de verzoekende partij bevat, wat de batterijcapaciteit betreft, dezelfde documenten met daarin dezelfde technische waarden als in haar eerste offerte. Het betreft: - bijlage 3 ‘Technische inlichtingenfiche’ Bruto batterijcapaciteit kWh 552 kWh Bruto battery capacity Netto batterijcapaciteit kWh Min 500kWh 500,1 kWh Beginning of Life (BOL) Netto battery capacity (BOL) Netto batterijcapaciteit kWh 400,1 kWh End of Life (EOL) Netto battery capacity (EOL) Depth of Discharge (DOD) kWh 90% - bijlage 4 ‘Inventaris’ Minimale eis (in kWh) kWh Minimal requirement (kWh) Batterijcapaciteit Bruto/rated capacity 552,7 Depth of Discharge 90% Batterijcapaciteit netto BOL 500 500,1 Netto batt. Capacity BOL Als op de cel ‘Depth of Discharge’ wordt geklikt, zou zichtbaar worden dat de verzoekende partij “90,49%” heeft ingevuld. - document ‘6.
- Tractiebatterij’, met als bijlage ‘VDL High Energy battery 552 kWh system – PRELIMINARY (Validation Q3 2021)’, met daarin onder meer de volgende technische waarden: “Energy capacity” “552 kWh”, en “Depth of Discharge (DoD)””Up to 90%). Uit het schema weergegeven op p. 2 blijkt een ‘Net energy’ van “496,3 kWh” bij een “average energy consumption”. XII-9295-7/24 3.
- Met een e-mailbericht van 8 november 2022 vraagt de verwerende partij aan de verzoekende partij de technische specificaties van de batterijen die door D., zijnde de batterijleverancier, worden opgegeven. Met een e-e-mailbericht van 8 november 2022 bezorgt de verzoekende partij voornoemd document ‘VDL High Energy battery 552 kWh system – PRELIMINARY (Validation Q3 2021)’. Met een e-mailbericht van 9 november 2022 bezorgt de verzoekende partij een document van de batterijleverancier, getiteld ‘Specifications of 551 kWh NCC Battery System’, waarin staat vermeld dat de “Effective Energy” van de batterij “551,45 kWh” bedraagt, en de “System Operating SOC Range” “10% to 90%”. In een nakomend e-mailbericht van 9 november 2022 stelt de verzoekende partij nog dat “het aangeboden batterijpakket over een potentieel nominale energie van 575,42 kWh [beschikt] en dit afhankelijk van de gebruikte toepassing” en zij verduidelijkt: “De opgegeven waarde van effectieve energy zoals opgegeven op de technische fiche veronderstelt ‘worst case condities’ (met o.a. snelladen), wat voor de toepassing bij POST 1 niet aan de orde is”. Met een e-mailbericht van 18 november 2022, dit is na het verstrijken van de opgegeven antwoordtermijn, geeft de verzoekende partij nog een “samenvattende toelichting […] van de reeds gegeven verduidelijkingen alsook het statement van [haar] batterijleverancier”. Zij deelt in de toelichting mee dat “[o]m rekening te houden met alle mogelijke toepassingen van deze batterij, […] deze energie-inhoud door de batterij-leverancier in zijn algemene specificatieblad [wordt] beperkt tot 551,45 kWh”. Echter, voor “onze specifieke toepassing […] (conform alle eisen gesteld in het lastenboek van De Lijn voor POST 1, inclusief de gegarandeerde EOL en de garanties) heeft de batterij-leverancier een nominale energie van 552,7 kWh in combinatie met een DOD van 90,49% opgegeven”. Als bijlage bij dit e-mailbericht wordt een verklaring van de batterijleverancier van 17 november 2022 gevoegd, waarin deze bevestigt dat de “Effective Energy” “551,4” bedraagt en de “DoD” “80%”, met de vermelding (vrij XII-9295-8/24 vertaald): “Voor specifieke gunningsprocedures, kunnen we toestaan dat van deze waarden wordt afgeweken. Dit is het geval voor de huidige opdracht voor De Lijn, waar we, op grond van alle bestekseisen van De Lijn, ons op 29 juni van dit jaar hebben verbonden tot de onderstaande waarden: “Effective Energy” “552,7” en “DoD” “90,49%”. 3.
- Op 30 november 2022 wordt een gunningsverslag opgesteld. Daarin wordt gesteld dat de BAFO van de verzoekende partij substantieel onregelmatig is op grond van de volgende motieven: “B. 2de en laatste offerte B
- Technisch nazicht […] VDL Bus & Coach De berekende waarden voor de capaciteit van de HS-batterij in de Technische inlichtingen fiche en voertuigbeschrijving komen niet overeen met de berekende waarden in de inventaris, tabblad ‘Criteria Post 1’. Volgens § 1.5.2 van het bestek, moet het voertuig voor Post 1 een minimale netto batterijcapaciteit BOL (Beginning of Life) hebben van 500 kWh en een autonomie van 200 km, op straffe van uitsluiting wegens een substantiële onregelmatigheid. De netto batterijcapaciteit is een belangrijk kenmerk van de bus, omdat het de autonomie van de bus mee bepaalt. Hoe hoger de autonomie, hoe minder de bus moet opgeladen worden en hoe meer ze beschikbaar is. Deze waarde wordt berekend door de opgegeven waarde voor de bruto batterijcapaciteit (552,7 kWh in hun inventaris) te vermenigvuldigen met de Depth of Discharge (90,49 % in hun inventaris). Hiermee wordt de netto batterijcapaciteit BOL berekend (500,1 kWh in hun inventaris, hetgeen voldoende zou zijn). Evenwel geeft VDL Bus & Coach in de voertuigbeschrijving en in de technische fiche (Bijlage 3 Technische inlichtingenfiche) telkens een bruto batterijcapaciteit van 552 kWh en een Depth of Discharge (DoD) van (‘up to 90%’) 90 % op. Deze waarden verschillen van de waarden in de inventaris. Als we met deze waarden de netto Batterijcapaciteit BOL berekenen geeft dit een resultaat van 496,8 kWh, wat niet voldoet aan de eis uit het bestek. Bovendien werd in het bestek een rangschikking opgenomen beschreven in §2.9: In geval van tegenstrijdigheid en dubbelzinnigheid zijn volgende documenten in volgorde van afnemend belang bepalend:
- Bijlage 3 ‘Technische inlichtingenfiche’;
- Technische beschrijving van het voertuig;
- Voorliggend bestek inclusief gespecifieerde normen;
- Alle andere opdrachtdocumenten uit [de] offerte. XII-9295-9/24 VDL Bus & Coach heeft dus in de inventaris waarden opgenomen die niet overeenkomen met de waarden in de technische fiche en in de voertuigomschrijving. De waarden in die laatste documenten hebben tot gevolg dat de oplossing van VDL Bus & Coach niet aan deze cruciale vereiste voldoet. Zelfs indien men geen rekening zou houden met de hiërarchische rangschikking die het bestek voorschrijft is het door de tegenspraak in de offerte onduidelijk of de oplossing van VDL Bus & Coach aan deze eis voldoet. De tegenstrijdigheid in de offerte levert dus een belangrijke onzekerheid over de technische kenmerken van de bus op: enige correctie ervan zou geen eenvoudige precisering zijn. Het is uit de offerte niet af te leiden wat de werkelijke bedoeling van de inschrijver was. Ondanks de rangschikking van tegenstrijdige documenten heeft De Lijn de technische specificaties van de batterijfabrikant zelf opgevraagd bij VDL Bus & Coach. Uit deze technische specificaties blijkt dat de effectieve batterijcapaciteit die VDL Bus & Coach opgeeft bruto 551,45 kWh bedraagt en dus niet 552,7 kWh zoals opgegeven in de inventaris en evenmin de 552 kWh vermeld in de technische fiche en de batterijbeschrijving. Na vermenigvuldiging van de bruto batterijcapaciteit met de DoD valt de netto batterijcapaciteit onder de minimale eis van 500 kWh. Besluit is derhalve dat de in de inventaris opgegeven waarden geen materiële vergissing betreft en met het aangeboden voertuig van Post 1 de minimaal vereiste batterijcapaciteit niet behaald wordt en de offerte van VDL Bus & Coach derhalve substantieel onregelmatig is.” Na analyse van de vijf overblijvende offertes aan de hand van de gunningscriteria, wordt in het gunningsverslag voorgesteld de opdracht te gunnen aan “Iveco”. 3.
- Op 30 november 2022 beslist de verwerende partij de offerte van de verzoekende partij voor de raamovereenkomst voor de levering en eventueel onderhoud van elektrisch gelede bussen (perceel 1) als onregelmatig te bevinden en te weren. Dit is de eerste bestreden beslissing, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht met een aangetekende brief van 30 november 2022 waarin de hiervoor aangehaalde motieven uit het gunningsverslag worden overgenomen. Deze kennisgevingsbrief betreft de derde bestreden beslissing. XII-9295-10/24 3.
- Op 30 november 2022 beslist de verwerende partij eveneens de voormelde opdracht te gunnen aan de nv Iveco Belgium. Dit is de tweede bestreden beslissing. IV. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, gelezen in samenhang met de artikelen 15 en 31 van de wet van 17 juni 2013 ‘betreffende de motivering, de informatie en de rechtsmiddelen inzake overheidsopdrachten, bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten en concessies’ (hierna: rechtsbeschermingswet), moet enkel worden onderzocht of in de voorliggende vordering tot schorsing die is ingesteld volgens de procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid, een ernstig middel of een klaarblijkelijke onwettigheid wordt aangevoerd. V. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
- In een eerste middel voert de verzoekende partij de schending aan van artikel 66, § 3, eerste lid, van de wet overheidsopdrachten 2016, van artikel 4 van dezelfde wet en het daarin vervatte gelijkheids- en proportionaliteitsbeginsel, van “bepaling 1.5.2 van het Bestek”, van “de artikelen 4, 8° en 8, 2°” van de rechtsbeschermingswet, van “het motiveringsbeginsel zoals volgt uit de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering der bestuurshandelingen [hierna: motiveringswet]”, de materiële motiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel.
- In wat als een eerste onderdeel kan worden beschouwd, licht de verzoekende partij toe dat haar geen uittreksel van de gemotiveerde beslissing XII-9295-11/24 werd bezorgd maar enkel een gemotiveerde brief, waarbij haar niet duidelijk zou zijn wat de effectieve inhoud van de gemotiveerde beslissing is.
- In wat als een tweede onderdeel kan worden beschouwd, stelt de verzoekende partij dat de opgegeven motieven onjuist zijn en er dus ook een schending van het materiële motiveringsbeginsel voorhanden is. De motieven steunen op een verkeerde weergave van zowel de inhoud van haar BAFO als de door haar verstrekte verduidelijkingen, en de bestreden beslissing geeft volgens haar een uiterst beperkte en zeer gekleurde weergave van de onderliggende feiten. 7.
- De verzoekende partij stelt, als voorbeeld, dat de bestreden beslissing verkeerdelijk aangeeft dat de Technische inlichtingenfiche een berekening zou bevatten, terwijl ze enkel de waarden bevat die de verzoekende partij voor bepaalde technische specificaties heeft opgegeven. 7.
- Zij vervolgt dat volledig foutief wordt gesteld dat “[d]e berekende waarden voor de capaciteit van de HS-batterij in de Technische inlichtingenfiche en de voertuigbeschrijving […] niet overeen[komen] met de berekende waarden in de inventaris”. Zij stelt daarentegen dat zij “zeer helder, in zowel de Technische Inlichtingenfiche als de Inventaris, [aangeeft] dat deze 500,1 kWh is. Hiervan wordt door VDL in geen enkel stuk uit haar offerte noch in de door haar gegeven verduidelijkingen afgeweken.” 7.
- Zij stelt voorts vast dat, bij “een aandachtige lezing” van de motivering, de verwerende partij “met ‘[d]e berekende waarden’ verwijst naar haar eigen berekening. Die berekening heeft zij opvallend genoeg niet gehaald uit het deel van de BAFO waar de berekening, overeenkomstig het Bestek, diende te worden gemaakt door de opdrachtnemer – namelijk in de Inventaris ([…]) maar heeft zij deze berekening zelf samengesteld op basis van informatie die op andere plaatsen in de BAFO Offerte (die niet noodzakelijk rechtstreeks betrekking hebben op de Batterijcapaciteit) is terug te vinden.” 7.
- Voor zover de verwerende partij hierbij verwijst naar de voorrangsregels die uit bepaling § 2.9 van het bestek komen, merkt zij op dat deze XII-9295-12/24 bepaling is opgenomen in het tweede deel van het bestek dat betrekking heeft op de uitvoering van de opdracht, terwijl er momenteel nog geen sprake is van enige uitvoering van de opdracht. Deze door de verwerende partij aangehaalde voorrangsregels zijn dan volgens haar ook volstrekt irrelevant. 7.
- Bovendien, zo benadrukt de verzoekende partij nog, gaat de verwerende partij volledig voorbij aan de relevante bepaling van het bestek, zijnde bepaling 1.5.2, die stelt dat 500 kWh Batterijcapaciteit een minimumeis is, en enkel verwijst naar de Inventaris en niet naar de Technische Inlichtingenfiche. Uit dit laatste document blijkt trouwens “dat de technische specificaties die De Lijn heeft gebruikt voor haar eigen berekeningen geen minimumeisen zijn”. 7.
- Tevens benadrukt de verzoekende partij nog dat, zoals zij in haar (tijdige) e-mail van 9 november 2022 heeft uitgelegd, de exacte technische specificaties afhankelijk zijn van de toepassing waarin de batterij gebruikt wordt en deze anders zullen zijn dan die welke opgenomen zijn in de algemene technische specificaties van de batterijproducent. 7.
- Ten slotte klaagt de verzoekende partij aan dat de verwerende partij geen rekening heeft gehouden met haar antwoorden van 9 en 18 november 2022 die zij heeft verschaft in het kader van verduidelijkingen waar de verwerende partij zelf om heeft verzocht. Ten overvloede herhaalt zij dat zij op 9 november 2022 tijdig antwoordde op de vraag tot verduidelijking met betrekking tot de eigenschappen van de aangeboden batterijen […]. Hierna bezorgde zij op 18 november 2022 nog een bijkomende verklaring van haar batterijleverancier “dat afwijkingen van de standaard batterijcapaciteit - zoals opgegeven in algemene technische informatie - mogelijk [zijn].” Deze verklaring behelsde volgens haar “een statement van de batterijproducent van de aangeboden batterijen waaruit overduidelijk blijkt dat de Batterijcapaciteit van de batterijen wel degelijk hoger ligt dan 500 kWh”. XII-9295-13/24 Beoordeling Eerste onderdeel
- In de kennisgevingsbrief, ondertekend op 30 november 2022, wordt aan de verzoekende partij meegedeeld “conform artikel 8, § 1 van de [rechtsbeschermingswet]” dat haar offerte voor de opdracht “onregelmatig is bevonden en geweerd”. Alsdan wordt gesteld: “De motieven voor de wering van uw offerte zijn de volgende”, waarna een uittreksel uit het gunningsverslag wordt weergegeven, op grond waarvan tot de substantiële onregelmatigheid van de offerte van de verzoekende partij werd beslist.
- In het voorliggende geval motiveert de bestreden beslissing bijgevolg waarom de offerte van de verzoekende partij onregelmatig werd bevonden. Hiertegen verweert zij zich in de huidige procedure voor de Raad van State. Er is dan ook in ieder geval voldaan aan het opzet van de formelemotiveringsplicht. De enkele omstandigheid dat een verzoeker zich niet kan vinden in de gegeven formele motivering of meent dat die verder moet gaan, maakt die daarom niet onwettig.
- De verzoekende partij maakt bijgevolg op het eerste gezicht niet aannemelijk dat artikel 8, § 1, eerste lid, 2°, van de rechtsbeschermingswet, of de artikelen 2 en 3 van de formele motiveringswet zouden zijn geschonden. Tweede onderdeel
- Blijkens punt 1.5.2 ‘Gunningscriterium Rijbereik POST 1’ wordt het rijbereik voor POST 1 “berekend” op basis van de ‘Beginning-of-Life’ (BOL) bruikbare netto batterijcapaciteit, en dient deze “minimum 500 kWh te bedragen op straffe van uitsluiting wegens een substantiële onregelmatigheid”. Vervolgens wordt de formule voor de berekening van het rijbereik bepaald, waarbij onder meer de volgende parameters worden omschreven: XII-9295-14/24 “BatterijBruto = de bruto batterij capaciteit (zie 3.5.3.2 HS-Batterijen)”, “DoD: Depth of Discharge in %”, en “BatterijNetto = bruikbare batterij capaciteit in de ‘Beginning of Life’= BatterijBruto x DoD”. In punt 3.5.3.2 ‘HS-Batterijen’ van het bestek, wordt opnieuw gespecificeerd: “Netto batterijcapaciteitBOL (BoL Beginning of Life): maximale laadbare en bruikbare batterij capaciteit bij begin levensduur van de batterij in functie van de DoD (depth of Discharge), zonder degressiviteit van de batterij. De inschrijver geeft deze op in procenten ten opzichte van de bruto batterij capaciteit”, en “Netto batterijcapaciteitBoL = BatterijcapaciteitBruto x DoD”. Ook in het model van bijlage 3 ‘Technische inlichtingenfiche’ en in het model ‘bijlage 4 Inventaris PG1771-100717’, gevoegd bij het bestek, wordt gesteld dat de vereiste dat de ‘Netto batterijcapaciteitBoL’ minimum 500 kWh dient te bedragen, een minimale eis is.
- De verzoekende partij betwist niet dat, blijkens voornoemd punt 1.5.2 en de bijlagen 3 en 4 van het bestek, een ‘Netto batterijcapaciteitBoL’ van minimum 500 kWh een minimale eis is. Het feit dat de twee parameters om tot die ‘Netto batterijcapaciteitBoL’ te komen, op zich niet zijn aangeduid als minimale eisen, doet daaraan geen afbreuk.
- De ‘Netto batterijcapaciteitBoL’ lijkt aldus op het eerste gezicht geen op zich staande waarde, maar het resultaat van een wiskundige berekening aan de hand van de twee parameters “BatterijcapaciteitBruto” en “DoD”. Daarbij stelt de Raad van State vast dat de voornoemde bijlagen 3 en 4 Excel-documenten zijn, waarbij de witte en grijze cellen door de verwerende partij vooraf zijn ingevuld, en de gele cellen door de inschrijver dienden te worden ingevuld, zonder dat het Excel-document een automatische berekening uitvoert van de door de inschrijver opgegeven waarde. Het resultaat van de berekening “BatterijcapaciteitBruto x DoD” wordt met andere woorden door de inschrijver ingevuld. XII-9295-15/24 In de bestreden beslissing lijkt bijgevolg terecht sprake te zijn van “de berekende waarden voor de capaciteit van de HS-batterij in de Technische Inlichtingenfiche”, zodat de kritiek van de verzoekende partij hieromtrent faalt.
- Uit de bestreden beslissing blijkt dat de verwerende partij vooreerst heeft vastgesteld dat “[d]e berekende waarden voor de capaciteit van de HS-batterij in de Technische inlichtingenfiche en voertuigbeschrijving [niet overeenkomen] met de berekende waarden in de inventaris”; dat wanneer de in de bijlage 3 ‘Technische inlichtingenfiche’ (en in de ‘Voertuigbeschrijving’) opgegeven waarden voor ‘BatterijcapaciteitBruto’ en de ‘Depth of Discharge’ (DoD) (respectievelijk 552 kWh en 90%) worden vermenigvuldigd, een ‘Netto batterijcapaciteitBoL’ van 496,8 kWh wordt verkregen, terwijl wanneer de waarden opgegeven in bijlage 4 ‘Inventaris’ (respectievelijk 552,7 kWh en 90,49%) worden vermenigvuldigd, een ‘Netto batterijcapaciteitBoL’ van 500,1 kWh wordt verkregen. Zij besluit dat als rekening wordt gehouden met de waarden opgegeven in bijlage 3 ‘Technische inlichtingenfiche’ (zijnde het als eerste gerangschikte document in punt 2.9 van het bestek), het resultaat van “496,8 kWh” “niet voldoet aan de eis uit het bestek”. Voorts wordt in de bestreden beslissing gesteld dat zelfs indien geen rekening wordt gehouden met de hiërarchische rangschikking die het bestek voorschrijft, de tegenstrijdigheid in de offerte een belangrijke onzekerheid over de technische kenmerken van de bus oplevert; dat enige correctie ervan geen eenvoudige precisering zou zijn en uit de offerte niet af te leiden is wat de werkelijke bedoeling van de inschrijver was; dat zij bijgevolg de technische specificaties van de batterijleverancier zelf bij de verzoekende partij heeft opgevraagd, waaruit blijkt dat de ‘BatterijcapaciteitBruto’ “551,45 kWh” bedraagt, waardoor de ‘Netto batterijcapaciteitBoL’ na vermenigvuldiging met de ‘DoD’ onder de minimale eis van 500 kWh valt. Zij besluit dat de in de inventaris opgegeven waarden geen materiële vergissing betreft. Al deze in de bestreden beslissing opgegeven waarden vinden steun in de stukken van het administratief dossier en worden door de verzoekende partij op zich niet betwist. XII-9295-16/24
- Met haar betoog dat zij in bijlage 3 ‘Technische inlichtingen- fiche’ en bijlage 4 ‘Inventaris’ consequent “500,1 kWh” opgeeft voor de ‘Netto batterijcapaciteitBoL’, gaat zij eraan voorbij dat het probleem zich situeert in de opgegeven waarden voor de twee parameters die leiden tot de waarde van ‘Netto batterijcapaciteitBoL’. Een aanbestedende overheid kan, in het kader van het regelmatigheidsonderzoek van de offertes, niet worden verplicht de door de inschrijvers opgegeven waarde zonder meer aan te nemen, wanneer uit de andere gegevens van de offerte, te dezen in het bijzonder de opgegeven waarden van de parameters in bijlage 3 ‘Technische inlichtingenfiche’, blijkt dat deze waarde niet correct kan zijn. De verwerende partij lijkt dan ook terecht, los van de hiërarchische rangschikking die het bestek voorschrijft, bijkomende inlichtingen te hebben opgevraagd. Blijkens de bezorgde ‘Specifications of 551kWh NCC Battery System’, opgesteld door de batterijleverancier, is de “effective energy” van de betrokken batterij volgens de verwerende partij gelijk te stellen met de ‘BatterijcapaciteitBruto’, “551,45 kWh”. Tevens zou de ‘DoD’ volgens de verwerende partij 80% bedragen, omdat de “System Operating SOC Range” “10% to 90%” is. De verzoekende partij betwist deze gegevens niet. Uit deze gegevens mocht de verwerende partij afleiden dat de ‘Netto batterijcapaciteitBoL’ van minstens 500 kWh niet werd bereikt. Cruciaal daarbij lijkt op het eerste gezicht dat de betrokken technische fiche als opschrift draagt: ‘Specifications of 551kWh NCC Battery System’, waaruit de verwerende partij mocht afleiden dat een batterij werd aangeboden met een effectieve batterijcapaciteit van 551 kWh en meer specifiek, aldus die fiche, van 551,45 kWh, en dus niet van 552 kWh.
- Voor zover de verzoekende partij stelt dat de exacte technische specificaties afhankelijk zijn van de toepassing waarin de batterij wordt gebruikt en deze dus anders (te verstaan: beter) zullen zijn dan deze opgenomen in de technische specificaties van de batterijleverancier, hetgeen door hem wordt XII-9295-17/24 bevestigd in zijn verklaring van 17 november 2022, lijkt zij op het eerste gezicht niet te kunnen worden bijgevallen. Uit het voornoemd document ‘Specifications of 551kWh NCC Battery System’, alsook uit het document ‘VDL High Energy battery 552 kWh system – PRELIMINARY (Validation Q3 2021)’, dat bij de BAFO was gevoegd en nogmaals werd toegestuurd met het eerste e-mailbericht van 8 november 2022, blijkt dat deze documenten geen algemene technische fiches van de batterij zijn doch dat ze zijn opgesteld in het kader van de specifieke toepassing van de batterij in een elektrische bus.
- Gelet op wat voorgaat, maakt de verzoekende partij op het eerste gezicht niet aannemelijk dat de verwerende partij, door te verklaren dat de BAFO van de verzoekende partij op grond van de voormelde motieven substantieel onregelmatig is en door die offerte bijgevolg te weren, de aangevoerde regelgeving en beginselen zou hebben geschonden. Voor zover de verzoekende partij nog de schending aanvoert van artikel 66, § 3, eerste lid, van de wet overheidsopdrachten 2016, wordt vastgesteld dat die bepaling niet van toepassing is op de voorliggende overheidsopdracht, die betrekking heeft op de speciale sectoren. Indien wordt aangenomen dat de verzoekende partij de schending van artikel 147, § 4, eerste lid, van de wet overheidsopdrachten 2016 bedoelde, waarbij zij stelt dat zij gegriefd is over de wijze waarop de verwerende partij is omgegaan met de geboden verduidelijkingen, blijkt uit de beoordeling hoger dat de verwerende partij met deze verduidelijkingen wel degelijk rekening heeft gehouden.
- Een schending van de in het middel ingeroepen bepalingen en beginselen is niet aangetoond. Het middel is niet ernstig. XII-9295-18/24 B. Tweede middel
- In een tweede middel dat in ondergeschikte orde wordt aangevoerd, betoogt de verzoekende partij zij de kans had moeten krijgen om de onregelmatigheid te regulariseren.
- In een eerste onderdeel voert zij de schending aan van artikel 74, § 4, derde lid, van het koninklijk besluit van 18 juni 2017 ‘plaatsing overheidsopdrachten in de speciale sectoren’ (hierna: koninklijk besluit plaatsing speciale sectoren 2017), van het patere legem-beginsel, van het materiële motiveringsbeginsel en van de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet. Zij licht toe, met verwijzing naar punt 1.11.2 van het bestek en artikel 74, § 4, derde lid, van het koninklijk besluit plaatsing speciale sectoren 2017, dat indien een aanbestedende overheid in de opdrachtdocumenten afwijkt van de regel dat offertes met een substantiële onregelmatigheid automatisch nietig worden verklaard, zij de inschrijver alsdan de mogelijkheid moet geven om een substantiële onregelmatigheid te regulariseren vóór de onderhandelingen worden aangevat. Aangezien de verwerende partij in het bestek voor deze optie heeft gekozen, had zij, niettegenstaande het woord “kan” in de besteksbepaling, haar overeenkomstig het voormelde artikel 74, § 4, derde lid, tweede zin, die kans “moeten” geven.
- In een tweede onderdeel voert de verzoekende partij de schending aan van artikel 4 van de wet overheidsopdrachten 2016 en het daarin vervatte proportionaliteitsbeginsel, alsook van het redelijkheidsbeginsel en het materiële motiveringsbeginsel en van de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet. Zij acht deze rechtsnormen geschonden doordat de verwerende partij, ondanks het woord “kan” in de besteksbepaling, haar offerte als nietig afwijst. Zij vervolgt dat de intrinsieke kwaliteit van de aangeboden batterijen zeker voldoet aan de gestelde minimumeisen uit het bestek. Enkel door selectieve gegevens uit haar offerte te misbruiken, kon de verwerende partij tot de foute vaststelling komen dat de aangeboden batterijen een batterijcapaciteit hebben lager dan 500 kWh. Door haar niet de kans te bieden om dit te regulariseren, is de XII-9295-19/24 verwerende partij bij het nemen van de bestreden beslissing de perken van de redelijkheid en de proportionaliteit te buiten getreden. Volgens de verzoekende partij lijkt de voorliggende kwestie parallellen te vertonen met de feiten die aanleiding gaven tot het arrest nr. 241.265 van 19 april 2018 van de Raad van State. Door haar niet de mogelijkheid te bieden de op het eerste gezicht begrijpelijke onduidelijkheid in haar BAFO te verhelpen en door de geboden verduidelijkingen naast zich neer te leggen, had de aanbestedende overheid in die zaak de perken van de redelijkheid overschreden. Deze werkwijze strookt volgens de verzoekende partij evenmin met het proportionaliteitsbeginsel zoals vervat in artikel 4 van de wet overheidsopdrachten
- Zij herhaalt dat de onregelmatigheid in haar BAFO bestond uit het feit dat “een berekening met selectief gekozen gegevens uit de offerte de indruk zou kunnen wekken dat de batterijcapaciteit van de aangeboden batterijen lager ligt dan 500 kWh, wat zeker niet het geval is, want deze bedraagt 500,1 kWh”. Deze onregelmatigheid kon volgens de verzoekende partij eenvoudig geregulariseerd worden door haar toe te staan bepaalde cijfers in haar BAFO te verwijderen of aan te passen, aangezien het duidelijk is dat de batterijcapaciteit wel degelijk hoger ligt dan 500 kWh. De verzoekende partij stelt voorts de vraag of een minimale eis die rechtstreeks betrekking heeft op de batterijcapaciteit überhaupt enig doel dient, aangezien de minimumeis van 500 kWh werd gesteld in functie van een berekeningsmethode waarin de batterijcapaciteit maar een parameter is in een formule die het rijbereik berekent. Uit punt 1.5.2 van het bestek blijkt dat een rijbereik van 200 km als minimum wordt opgelegd op straffe van uitsluiting. Het rijbereik is afhankelijk van vele factoren, waaronder (maar niet uitsluitend) de batterijcapaciteit, en haar offerte scoorde wel goed op dat vlak. Ten slotte doet de verzoekende partij nog gelden dat, door niet te motiveren waarom zij noodzakelijkerwijze tot een wering besloot en niet overging tot een minder ingrijpende maatregel zoals het laten regulariseren van de beweerde onregelmatigheid, de verwerende partij het materiële motiveringsbeginsel en de XII-9295-20/24 artikelen 2 en 3 van de motiveringswet heeft geschonden. Beoordeling Eerste onderdeel
- Luidens artikel 74, § 4, derde lid, van het koninklijk besluit plaatsing speciale sectoren 2017 verklaart de aanbestedende overheid de offerte die een substantiële onregelmatigheid bevat nietig, behalve indien anders is bepaald in de opdrachtdocumenten. In dat laatste geval verschaft zij de inschrijver de mogelijkheid om een substantiële onregelmatigheid te regulariseren voordat de onderhandelingen worden aangevat, tenzij de aanbestedende overheid ten aanzien van de betreffende onregelmatigheid heeft aangegeven dat deze geen voorwerp kan uitmaken van regularisatie. Luidens punt 1.11.2 ‘Regelmatigheid offertes (art. 74 KB Plaatsing) van het bestek “kan” de inschrijver, indien de ingediende offerte substantiële onregelmatigheden vertoont, de kans krijgen om de substantiële onregelmatigheden te regulariseren.
- Uit artikel 74, § 4, eerste lid, blijkt evenwel dat paragraaf 4 enkel van toepassing is op het regelmatigheidsonderzoek van de offertes die geen finale offertes zijn. Wanneer het een finale offerte betreft, zoals te dezen, is paragraaf 3 van toepassing luidens hetwelk de aanbestedende entiteit de substantieel onregelmatige offerte nietig verklaart. De aangehaalde besteksbepaling lijkt op het eerste gezicht te moeten worden beschouwd als een toepassing van voornoemd artikel 74, en lijkt bijgevolg eveneens slechts van toepassing op de eerste offerte. Uit deze besteksbepaling lijkt niet te kunnen worden afgeleid dat een BAFO kan worden geregulariseerd. XII-9295-21/24
- Een substantiële onregelmatigheid in een eerste offerte die pas wordt opgemerkt bij het onderzoek van de BAFO verliest haar substantieel karakter niet doordat de aanbestedende overheid ze pas bij het onderzoek van de BAFO heeft vastgesteld. De verwerende partij lijkt daarbij op het eerste gezicht te kunnen stellen dat zij de onregelmatigheid tijdens haar onderzoek van de eerste offerte niet heeft ontdekt, gelet op het feit dat de waarde van “500,1 kWh” opgegeven voor de ‘NettobatterijcapaciteitBoL’ in de bijlagen 3 en 4 deden uitschijnen dat de offerte wel voldeed aan de minimale eis.
- Het eerste onderdeel van het tweede middel is niet ernstig. Tweede onderdeel
- Voor zover in dit middelonderdeel opnieuw wordt gesteld dat de verwerende partij verkeerdelijk is uitgegaan van een ‘NettobatterijcapaciteitBoL’ die lager is dan 500 kWh, en dat de parameters om die ‘NettobatterijcapaciteitBoL’ te verkrijgen geen minimale eisen zijn, volstaat het te verwijzen naar de beoordeling van het eerste middel om die kritiek te verwerpen. Daarbij weze herhaald dat de verzoekende partij niet betwist niet een ‘Netto batterijcapaciteitBoL’ van minimum 500 kWh een minimale eis is, integendeel, zij stelt eraan te voldoen.
- Voorts betoogt de verzoekende partij dat, ook al zou er sprake zijn van een onregelmatigheid, deze eenvoudig kon worden geregulariseerd, zodat de beslissing om haar offerte in de gegeven omstandigheden nietig te verklaren, niet strookt met het redelijkheidsbeginsel. Luidens artikel 74, § 1, vierde lid, 3°, van het koninklijk besluit plaatsing speciale sectoren 2017 wordt de niet-naleving van de minimale eisen en van de vereisten die als substantieel worden aangemerkt in de opdrachtdocumenten, als substantiële onregelmatigheden beschouwd. Zoals hoger gesteld, was de verwerende partij verplicht overeenkomstig artikel 74, § 3, van XII-9295-22/24 hetzelfde koninklijk besluit, de substantieel onregelmatige BAFO van de verzoekende partij nietig te verklaren. Van een schending van het redelijkheids- of het evenredigheidsbeginsel van de bestreden beslissing kan in die context dan ook geen sprake zijn. In dit licht lijkt de formelemotiveringsplicht evenmin te vereisen dat de bestreden beslissing uitdrukkelijk zou motiveren waarom geen minder ingrijpende maatregel mogelijk zou zijn. Arrest nr. 241.265 van de Raad van State van 19 april 2018 waarnaar de verzoekende partij verwijst, lijkt dit op het eerste gezicht niet in vraag te stellen. Anders dan in die zaak, heeft de verwerende partij te dezen wel degelijk een onderzoek verricht naar de vastgestelde onregelmatigheid.
- Het komt in de eerste plaats aan de verwerende partij als aanbestedende overheid toe om de technische specificaties in het bestek vast te stellen en te interpreteren. Het is immers zij die haar behoeften bepaalt. Evenzeer komt het in de eerste plaats aan de aanbestedende overheid toe om te beoordelen of een afwijking van de besteksbepalingen al dan niet een substantiële onregelmatigheid betreft. Voor zover de verzoekende partij in dit onderdeel het nut van de minimale eis inzake de batterijcapaciteit in vraag stelt, lijkt het tot de beoordelingsruimte van de verwerende partij te behoren om naast een minimale eis inzake het rijbereik, ook een minimale eis inzake de batterijcapaciteit te stellen. De verwerende partij lijkt daaromtrent overtuigend te stellen dat zij, wat de minimale eis van het rijbereik betreft, tijdens het regelmatigheidsonderzoek vooral op de verklaringen van de inschrijvers en op hypothetische situaties dient voort te bouwen, terwijl de afzonderlijke minimale eis inzake de netto batterijcapaciteit haar de mogelijkheid biedt om de autonomie van de bussen aan de hand van een “harde” en concrete parameter te controleren.
- De verzoekende partij maakt, gelet op het voorgaande, op het eerste gezicht niet aannemelijk dat de aanbestedende overheid, door de substantieel XII-9295-23/24 onregelmatige BAFO van de verzoekende partij nietig te verklaren, de aangevoerde regelgeving en beginselen zou hebben geschonden.
- Het tweede onderdeel van het tweede middel is niet ernstig. VI. Besluit
- Geen van de middelen is ernstig gebleken. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt de vordering.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro, en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van twintig januari tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Patricia De Somere, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Silja Doms, griffier. De griffier De voorzitter Silja Doms Patricia De Somere XII-9295-24/24 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.255.548 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.